|
Parikshit zei:
Tekst
1
't Relaas der daden van de Heer
Als welke Avatâr' ook maar,
O waarde meester, streelt mijn oor -
Mijn geest hunkert er aldoor naar.
Tekst
2
Vertel m' alstublieft het verhaal van Hari,
Dat dofheid en felle begeerte verdrijft,
Dat ieders hart loutert tot liefde voor Hem
En vriendschap voor elk die voor Hem alleen
leeft.
Begerig
luisteren naar het verhaal van Krishna bevrijdt
de ziel uit haar verstrikking in dofheid (tamas)
en felle begeerte (rajas), de sterkste leibanden
van de materiële begoocheling,
Mâyâ.
Tekst
3
Vertel nog meer van Krishna's Spel
Onder de mensen hier op aard':
Hoe wonderbaarlijk was 't zoals
Hij handelde naar mensenaard!
Shukadeva zei:
Tekst
4
Toen Krishna Zich voor het eerst' omdraaid' in Zijn
bed -
De maan trok toen juist door het teken Rohini -
Kreeg Hij - mantra's schalden - Zijn rituele
bad
En iedere koeherderin die zong voor drie.
Hoewel
Heer Krishna alles bewegen laat, bleef Hij in
Zijn Spel als Zuigeling drie maanden op Zijn rug
liggen eer Hij Zich, donker aanlopend van
inspanning, op Zijn buikje draaide.
Tekst
5
Nadat Nanda's vrouw haar mooi Ventje had
gebaad,
De priesters om al hun gebeden had geëerd
Met graan, kleren, bloemkransen, koeien ook
erbij,
Werd Krishnaatje slaap'rig en lei ze 'M even
neer.
Tekst
6
Doordat ze volijv'rig op Krishna's omdraaifeest
De dorpsmensen volstopt' in haar vrijgevigheid
Zag Moederlief niet dat haar Zoontje drinken wou
-
Ze merkte Zijn schopjes niet op, noch Zijn
gekrijt.
Tekst 7
Geraakt door de bloemtere voetjes van het Kind
Kapseisde de kar waar Het onder was gelegd:
De kommen erop, vol gerechten, vielen stuk -
Gebroken de disselboom, as en wiel ontwricht.
De
kar vertegenwoordigt het tweede struikelblok op
de weg naar bhakti. Volgeladen als ze was,
dreigde ze boven op het Kind in elkaar te
zakken. Ze symboliseert de mentaliteit van de
spiritualist die zich volpropt met geestelijke
kennis zonder er iets van te begrijpen.
Tekst
8
Bij 't zien van dat hoogst wonderbaarlijke
taaf'reel
Vroeg iedereen - Moeder Yashodâ, Vader
Nand'
En all' herderinnen en herders op het feest:
"Hoe kan toch die kar op zijn kop zo zijn
beland?"
Tekst
9
Aan 't feestgezelschap, stomverbaasd,
Vertelden een paar jongens daar
Dat Krishna huilend met één
voetj'
Het ding had omgekiept - echt waar!
Tekst
10
Het herdersvolk geloofde niets
Van deze kleine-kinderpraat:
Het had gewoonweg geen idee
Van Krishna's hoogst verheven staat.
Tekst
11
Yashodâ, bang voor 'n boze geest,
Nam 't Kind, dat huilde van de dorst,
Liet priesters voorgaan in gebed
En gaf haar Jongetje de borst.
Tekst
12
De herders, sterk, lapten de kar
Weer op zoals hij was geweest.
De priesters plengden in het vuur
En offerden ghi, yoghurt, rijst.
Tekst
13
De zegen van een waar brahmaan,
Nimmer afgunstig, trots of kwaad
En vrij van hebzucht, eerbejag,
Wellust en wrok, heeft altijd baat.
Tekst
14
Zo denkende nam Nand' zijn Zoon,
Gaf de brahmanen opdracht tot
Een zuiv'rend Vedisch ritueel
En waste 'M in een kruidenbad.
Tekst
15
Hij vroeg de priesters, kalm van hart,
Om zegenrijke mantrazang,
Pleng' in het vuur en schonk hun toen
Een kost'lijk feestmaal gang na gang.
Tekst
16
En deelde hij toen uit,
Opdat het Krishna goed mocht gaan,
Met bloemenkrans en gouden snoer -
En zij namen ze zeeg'nend aan.
Tekst
17
De zegens van een waar brahmaan,
In alle mantra's ingewijd,
Met God verbonden, zijn vol heil
En dragen vrucht nu en altijd.
Tekst
18
Toen Krishna's moeder op een keer
Haar Kind vertroeteld' op haar schoot
Kon ze 'M opeens niet tillen meer -
Hij leek zo zwaar als een blok lood.
Krishna
kan soms laten voelen dat Hij de kosmos in Zijn
buikje draagt.
Tekst
19
De herderin, bezwijkend haast,
Liet Hem verbijsterd naast zich neer,
Riep d' Opperheer om bijstand aan
En ging toen maar weer in de weer.
Tekst 20
Een demon, Trinâvart' genaamd,
Door Kams' gezonden naar 't gehucht,
Kwam als een windhoos aangestormd
En sleurde 't Kereltj' in de lucht.
De
windhoos vertegenwoordigt het derde struikelblok
op de weg naar bhakti, namelijk dat van verwoed
tegenwerpingen maken tegen het geestelijk
onderricht zonder het luisterend oor een kans te
geven.
Tekst
21
Hij smeet Gokula onder 't stof,
Men kon geen hand voor ogen zien,
Van alle kanten daverde 't
En 't loeien ging door merg en been.
Tekst
22
Bijna een uur bleef 't herdersdorp
In stof en duisternis gehuld:
Yashodâ vond haar Zoon niet meer
Waar ze 'M daarstraks had neergetild.
Tekst
23
In 't fijne zand fel rondgezwiept
Door Trinâvart' met zijn misbaar
Zag men geheel en al verward
Zichzelf niet meer, laat staan elkaar.
Tekst
24
Verblind door het stof door de windhoos
opgewerveld
Zocht z' overal rond waar het Kind lag kort tevoren
-
Toen stortte luid huilend de hulpeloze moeder
Ter aard' als een koe die haar kalfje heeft
verloren.
Tekst
25
Toen d' andere gopi's Yashodâ hoorden
kermen
Begon uit hun ogen een tranenvloed te wellen
En nadat het stof van de windhoos was gaan
liggen,
Maar Nanda's Zoon wegbleef, zat elke vrouw te
huilen.
Tekst
26
Trinâvarta, de wervelwind,
Die al aan kracht had ingeboet,
Vloog na de roof zo hoog hij kon,
Maar Krishna werd zo zwaar als lood.
Tekst
27
Een rotsblok leek het Ventje wel,
Veel zwaarder dan de wervelwind,
Die vastgegrepen bij zijn strot
Gekeeld werd door het Wonderkind.
Tekst
28
Gewurgd, bracht hij geen klank meer uit,
De ogen floepten uit zijn kop:
Zo viel de hoos op Vraja neer
Met kleine Krishn' erbovenop.
Tekst
29
Voor 't oog van de vrouwen daar huilend bijeen
Belandde 't gevaarte languit op een rots
En vloog zoals eens de betoverde stad,
Door Shiv's pijl getroffen, in stukken kapot.
Heer
Shiva schoot eens een magische pijl af op een
rondvliegende stad, van waaruit de demon Maya in
een hemelschokkende strijd de goden
bestookte.
Tekst
30
Verbijsterd kreeg Moeder Yashodâ Krishna
t'rug,
Die 't vrouwvolk op 't lijk van de werveldemon
vond,
Hoewel door de râkshasa zeer hoog
meegesleurd,
Gered uit de klauwen des doods en kerngezond:
Zo had Vader Nanda zijn Kereltje weerom -
Het herdersvolk danste van blijdschap in het
rond.
De herders
zeiden:
Tekst
31
Een wonder dat Krishna, door 't monster
meegeroofd,
Weer veilig en wel in ons dorp is weergekeerd!
D' afgunsteling is door zijn eigen kwaad
gestraft.
Wie kalm en oprecht is raakt nergens door
gedeerd.
Tekst
32
Hoe moeten we Vishnu wel niet hebben gediend
En zelftucht beoefend, de mensheid steeds
verheugd,
Dat nu als gevolg daarvan Krishna, bijna dood,
Ons allemaal hier weer laat zwijmelen van
vreugd!
Welbewuste
karmische activiteit is geheel vreemd aan de
zelfvergeten liefdedienst van bhakti. Dat de
herders, die in wezen bhakta's van Krishna zijn,
zich hier als karmi's gedragen, is het werk van
Yogamâyâ, Krishna's bovenzinnelijke
begoocheling.
Tekst
33
Toen Nanda naging hoeveel vreemds
Er wel niet voorviel in het bos
Besefte hij verbaasd hoe waar
Het woord van Vasudeva was.
Tekst
34
Yashodâ gaf eens op een dag,
Door liefd' en zoetheid overstelpt,
Haar Kind bij zich op schoot de borst,
Die lekt' en drupte van de melk.
Tekst
35
Toen 'T zalig uitgedronken was
En zij zacht langs Zijn lipjes streek,
Waarop een lieflijk lachje lag,
Gaapte Zijn mondje - en ze keek
Tekst
36
En zag het heelal, de gesternten, de zon,
Het vuur en de maan en het ruimteverschiet,
De zeeën, de bergen, de stromen, het woud,
Al 't leven, zowel wat zich roert als wat niet.
Tekst 37
't Heelal ineens in Krishna's mond
Haar hart beefd' als een trillend blad -
En met haar reeëogen wijd
Wist ze bij God niet hoe ze 't had.
(bron: S.B.
10.7)
|