|
Shukadeva zei:
Tekst
1
De priester van het Yadu-huis,
Garga, o vorst, in zelftucht groot,
Vertrok naar Vraja, Nanda's dorp,
Door Vasudev' daartoe genood.
Tekst
2
Nanda sprong bij zijn aankomst op
En bracht hem uitgelaten eer:
D' Onzienlijke zag hij in hem -
Handen gevouwen viel hij neer.
De
geestelijk leraar leeft als zelfverwerkelijkte
ziel weliswaar in de kennis en liefde van de
Heer, maar is uiteraard als individu niet aan
Hem gelijk. De ware leerling vereenzelvigt hem
echter met de Heer, omdat niemand zo van Hem
vervuld is. Hij eert de leraar als God Zelf en
de leraar schenkt hem de levende ervaring van
Gods genade.
Tekst
3
Toen Garg' eenmaal gezeten was
Sprak Nanda 'm allervriend'lijkst toe:
"O heilige, van God vervuld,
Wat wilt u dat ìk voor u doe?
Tekst
4
"Het rondgaan van een grote ziel,
O alvervulde heer, geschiedt
Tot heil van ons, schamel van geest,
In 't huisgezin - en anders niet.
Tekst
5
"De kennis van de sterrenloop
Bracht u tezamen in één boek:
Daarin is het dat iedereen
Naar toekomst en verleden zoekt.
Tekst
6
"Wie kent de Veda zoals u?
Geeft ú de Jongens dus hun Naam.
De geest'lijk leraar van elk mens
Is van nature de brahmaan."
In
het Vedische leven is de geestelijk leraar
altijd brahmaan: iemand die de Geest, Brahman,
van de stof weet te onderscheiden. Men is niet
brahmaan van geboorte, zoals in het
kastenstelsel, dat een vertekening van het
Vedische stelsel is, maar op grond van zijn
werkelijk brahmaanse eigenschappen en
activiteiten.
Garga zei:
Tekst
7
Leraar der Yadu's ben ik slechts:
Dat is aan iedereen bekend.
Geef ìk dus nu jouw Zoon Zijn Naam
Dan denkt men: "Dat is Dev'ki's Kind!"
Als
Nanda, die geen Yadu was, Krishna door de
'vaste' Yadu-priester Zijn Naam zou laten geven,
zou iedereen kunnen gaan denken dat Krishna niet
de Zoon van Nanda en Yashodâ was maar van
een Yadu-ouderpaar, zoals Devaki en
Vasudeva.
Tekst
8
Kamsa kan denken, kwaad van hart:
"Die Nand' is Vasudeva's vriend
En kon dat wel een meisje zijn -
Mijn zuster Dev'ki's achtste Kind?"
Tekst
9
Als hij zich heugt wat Dev'ki's meisj'
Hem met haar boodschap heeft geleerd
Zal hij uit moorden kunnen gaan
Doen wat jij wilt is glad verkeerd!
Nanda zei:
Tekst
10
Leidt u de plechtigheid dan maar
Op zo'n manier, met zang en al,
Dat niemand hier er wat van merkt,
In het geheim in deze stal.
Shukadeva zei:
Tekst
11
Zo deed nu Garga wat hij zelf
Had willen doen op Nand's verzoek:
Hij gaf de Jongetjes Hun Naam
In 't donker van een stille hoek.
Garga zei:
Tekst 12
Rohini's Zoon zal heten Râm'
Vanwege Zijn karakterpracht,
Die al de Zijnen vreugde schenkt,
En Bala om Zijn reuzenkracht,
En Sankarshan', Hij die vereent,
Omdat Hij jullie Yadu's acht.
Tekst
13
Yashodâ's Zoon verscheen voorheen
Al driemaal in een and're tijd -
Eerst wit, toen rood en daarna geel -
En nu verschijnt Hij zwart van huid.
De
tijd verslindt tijdens de bestaansduur van
één heelal talloze kosmische dagen
en nachten van gelijke duur. Elke dag bestaat
uit duizend cyclussen van vier yuga's of era's
van elk honderdduizenden jaren. In elk yuga
verschijnt een Avatâra van de Heer, een
zogenaamde Yugâvatâra, telkens met
andere huidskleur.
Tekst
14
De Jongen had eerst Vasudev'
Tot vader, vóór Hij hier
verbleef,
En wie dat weet noemt Hem dan ook
Vasudev's Jongen - Vâsudev'.
Tekst
15
Met meen'ge naam, in meen'ge vorm,
Is `t dat men Hem op aarde ziet,
Al naar gelang Zijn aard en doen:
Ik ken ze - een gewoon mens niet.
Tekst
16
Als vreugde van het hele dorp
Bezorgt Hij jullie niets dan goeds.
Met Hem doorstaan jullie vanzelf
Iedere vorm van tegenspoed.
Tekst
17
Vaak wanneer vroeger `t sâdhu-volk
Door dief of rover werd belaagd
Beschermde Hij 't en gaf het kracht
Waardoor het onheil werd verjaagd.
Tekst
18
Gelukkig wie dit Kind bemint:
Geen vijand die hem tegenstreeft,
Zoals geen demon iets kan doen
Tegen wie Vishnu's bijstand heeft.
Tekst
19
In glorie, roem en heerlijkheid,
O Nand', doet deze Zoon van jou
Niet onder voor Nârâyana:
Verzorg Hem daarom altijd trouw.
Shukadeva zei:
Tekst
20
Nadat hij `t zijne had gezegd
Ging Garga t'rug weer naar de stad.
Nanda, door vreugde overstelpt,
Wist van geluk niet hoe hij 't had.
Tekst
21
`t Duurde niet lang of in Gokul'
Kropen Krishnaatj' en Balarâm'
Op wank'le knietjes in het rond -
Een massa pret maakten Ze saam.
Tekst
22
Op beide knietjes tegelijk schoven Zij in Vraja
Met zoet gerinkel van Hun belletjes door de
modder:
Verbaasd-verrukt van dat geluid volgden Zij de
mensen -
Dan, bang voor hen, kropen ze t'rug naar Hun lieve
moeders.
Tekst
23
De vrouwen voelden hoe hun melk al begon te
stromen
En sloten d' armen om de kleurrijk vervuilde
Ventjes;
En onderzochten ze na `t drinken de blije
mondjes
Dan voelden zij, van vreugde zwijmelend, d' eerste
tandjes.
Tekst
24
De herderinnen, die de Peuters graag zagen
spelen,
Zoals Ze 'n kalfj' in 't koeiendorp bij de staart
vastpakten
En Allebei van links naar rechts werden
voortgetrokken
Vergaten 't huishouden en kwamen niet bij van 't
lachten.
Tekst
25
Wanneer de moeders niet meer zagen hoe zij hun
Jongens
Beschermen konden tegen onheil uit alle hoeken
-
Horens en dorens! - en hun huishouden lieten
lopen,
Ach wisten z' helemaal niet meer waar ze 't moesten
zoeken.
Tekst
26
't Was kort daarop dat men, o vorst,
Krishna en Balarâma saam
Niet op Hun knietjes maar zeer kwiek
Te voet door Gokula zag gaan.
Tekst
27
Toen dan sloeg Krishna d' Alvervuld'
Aan 't dartelen met Vraja's jeugd
En Balarâm'
Iedere vrouw
Die 't schouwspel zag was zielsverheugd.
Tekst
28
De buurvrouwen, een en al oog
Voor Krishn', ontdeugend door en door,
Klaagden Hem bij Zijn moeder aan,
Die luisterde, een en al oor.
De vrouwen zeiden:
Tekst 29
"Zomaar maakt Hij onze kalveren los,
[lachend om onze woede;
Aldoor steelt Hij onze wrongel en melk
[hóe, dat willen we weten! -
Tracteert elk' aap tot geen dier meer wat lust
-
[pats! Daar breekt Hij de pot stuk.
Vindt Hij 'n keer niets, ja dan zint Hij op
wraak:
['t wiegekind laat Hij krijten.
Tekst
30
"Hangt 'r iets erg hoog, wel dan keert dat
Jongmens
['t stampblok ondersteboven,
Klimt 'rop, gauw n gat in de pot met een stok -
[d' inhoud kent Hij van buiten -
't Donkerst vertrek wordt verlicht door
Hemzelf,
[stralend van de juwelen -
Telkens op 't uur dat w' ons allemaal druk
[druk aan 't huishouden wijden.
Tekst
31
"Is 't huis brandschoon, wat een bende maakt Hij
-
[plas op de grond, en erger!
Heeft Hij gediefd, moet je zien hoe Hij kijkt -
[d' onschuld straalt uit Zijn ogen!
Zo jammerd' elk, maar elks blik streelde steeds
[Krishna's prachtige kopje:
Schuw keek Hij op naar Yashodâ, die lacht'
-
[alles scheen Hij te mogen.
Tekst
32
De herdersjochies kwamen eens
Met Balarâma op een rij
Naar Moederlief en klikten: "Kijk!
Krishna Zijn mond zit vol met klei!"
Tekst
33
Als altijd op Zijn welzijn uit
Nam ze haar Zoontje bij de hand -
Zijn ogen werden groot van schrik -
En voelde 'M stevig aan de tand.
Yashodâ's
opvoedende houding is van een gelukzalige
absurditeit: zij wil Hèm besturen van wie
ze niet beseft dat Hij het heelal schept,
schraagt en ontbindt. Toch is haar macht over de
Opperheer reëel: Krishna kan niet tegen
haar liefde voor Hem op en onderwerpt Zich
daarom volkomen aan haar.
Yashodâ zei:
Tekst
34
Klei in Je mondje, Stouterik?
Wat heb je stiekem uitgehaald?
Wat hoor ik van je Grote Broer
En van Je vriendjes allemaal?
Sri
Krishna zei:
Tekst
35
Ik heb geen klei gegeten, Ma!
Ze staan te jokken, één voor
één!
Maar als u denkt dat het zo is,
Kijk dan maar in Mijn monmd meteen!
Shukadeva zei:
Tekst
36
"Doe open dan," zei Yashodâ -
En Hij wiens macht geen einde kent,
Govinda, d' alvervulde Heer,
Gehoorzaamd' als een mensenkind.
Tekst 37
Toen zag z' in Krishna's mondje 't Al,
Elk wezen, ieder ding, de maan,
De sterren, 't weerlicht en de wind,
Berg, eiland, aard' en oceaan
Tekst
38
Planetenstelsels, water, vuur,
't Uitspansel en de lucht erin,
Geest, guna's, ieder zinsobject
Alsook de god van elke zin.
De
zinnen, lichaamsdelen en organen worden
geregeerd door de verschillende goden. Zo
regeert Varuna de smaak, Surya (de zon) het
gezicht en Soma (de maan) de emoties.
Tekst
39
Dat alles ontwaarde ze met zijn natuur,
Zijn uiterlijk, karma en duur van bestaan
In 't wijdopen mondje van krishna, haar Zoon,
Met Vraj' en zichzelf - ach, ze kon 't haast niet
aan!
Yashodâ dacht:
Tekst
40
Is dit nu een droom of is Mâyâ aan 't
werk
Of ben ik ineens in de war en ontzind
Of is dit iets goddelijks dat uit zichzelf
Naar boven komt uit de natuur van mijn Kind?
Tekst
41
Daarom val ik nu d' Alverhevene ten voet,
Die geest en verstand, woord en daad te boven
gaat,
Die van het heelal om ons heen de grondslag is
En dóór wie en òm wie het zich
beschouwen laat.
Tekst
42
Mijn toevlucht is Hij door wiens Mâyâ
ik steeds denk:
Kijk, dit hier ben ìk en míjn Zoon
staat daar en dat 's
Míjn man, Vraja's meester, wiens rijkdom
ìk bezit,
En daar is míjn herdersvolk met míjn
koeienschat.
Tekst
43
Toen Nanda's vrouw de waarheid zag
Bracht d' alvervulde Opperheer
Haar onder Zijn betovering:
Ze schoot vol moederliefde weer
Tekst
44
Onmiddellijk vergat ze wat
Z' in Krishna's mondje had gezien:
Haar hart stroomde weer over van
Teed're gevoelens als voordien.
Tekst
45
Degeen wiens roem verheerlijkt wordt
In Veda's en Upanishads
Door jnâni, yogi, bhakt': Hari -
Voor haar was Hij haar kleine Schat.
Parikshit zei:
Tekst
46
O wijze, wat voor uiterst goeds
Bedreven Nanda en zijn vrouw,
Wier melk Hari zo dorstig dronk,
Dat zulk geluk hun toeviel zo?
Tekst
47
Zijn eigen ouders zagen niets
Van Krishna's zalig Kinderspel,
Dat wijzen prijzen tot vandaag
En dat de mens redt van de hel.
Shukadeva zei:
Tekst
48
Drona, de hoogste Vasu-god,
Deed met Dharâ, zijn gemalin,
Aan Brahmâ 't volgende verzoek,
Verlangend hem van dienst te zijn:
Tekst
49
"Laat ons op aarde voor Hari,
De Heer van alles wat bestaat,
Vervuld van pure bhakti zijn,
Die 't leed vanzelf achter zich laat."
Tekst
50
"Zo zij 't," sprak Brahmâ - en daarop
Zonk Drona, de doorluchte god,
Naar Vraj' als Nanda, en Dharâ -
Yashodâ - volgde 'm op de voet.
Tekst
51
Zo kwam het dan dat d' Opperheer,
Geboren als hun eigen Kind,
Door herderin noch herder zó
Als door dit tweetal werd bemind.
Tekst
52
Krishna de Heer woond' in Gokul'
Met Balarâm: zo werd vervuld
De zegen die Heer Brahmâ schonk -
En elk was met Hun Spel verguld.
(bron: S.B. 10.8)
|