|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Op weg naar huis dacht Vader Nand':
"Zei Vasudev' dat zomaar? Nee!"
En voor het dreigend onheil bang
Zocht hij zijn toevlucht bij Hari.
Tekst
2
In Kamsa's opdracht zwierf door stad
En dorp en plattelandsgehucht
De gruwelijke Pûtanâ:
Kinderen doden was haar lust.
Tekst
3
Waar men geen acht slaat op het woord
Van Hem die Zijn getrouwen helpt
En dat voor kwaad en leed behoedt -
Daar hebben boosdoeners vrij spel.
Zoals
blijken zal, heeft geen enkele boosdoener vrij
spel in het godvruchtige herdersdorp.
Tekst
4
Eens neergedaald in Nanda's dorp
Nam Pûtanâ, die gaan en staan
Kon waar ze wou, ook in de lucht,
Een beeldschone gedaante aan.
Er
worden op het pad naar zuivere bhakti achttien
struikelblokken onderscheiden.
Pûtanâ vertegenwoordigt het eerste:
dat van de valse leraar, die zijn leerling geen
nectar maar vergift toedient.
Tekst
5
Met vlechten doorvlochten met bloeiende
jasmijn,
Met borsten en heupen te vol haast voor haar
leest,
Met flonkerend' oorbellen zag men haar daar
staan,
Het mooie gezichtje door gitzwart haar omlijst.
Tekst
6
Zoals z' ieder toelachte met haar zachte blik,
Waarmee z' alle aandacht der dorpelingen trok,
Zoals ze daar straalde, een lotus in de hand,
Dacht men: Daar komt Lakshmi, naar Haar Gemaal op
zoek.
Tekst
7
Op 't doden van kleintjes belust, vond ze
vanzelf
Bij Nanda in huis 't Kind dat ieder kwaad
beslecht,
Verhuld in Zijn heerlijkheid, die geen einde
kent,
Als stil smeulend vuur waar een flintertj' as op
ligt.
Tekst
8
Beseffend dat zij 't was, de kindermoord'nares,
Hield d'Opperziel d' oogjes dicht als een kind dat
slaapt.
Het monster nam d' Eind'loze tot háár
eind' op schoot,
Zoals men uit domheid een slang als touw
opraapt.
Tekst
9
Venijnig van zin maar hoogst moederlijk van
daad
En zoals een zwaard door een sierschede
verhuld,
Een stralende schoonheid daar in hun eigen huis
-
Zo zagen de moeders haar, van ontzag vervuld.
Tekst
10
De gruwel stak 't Kind, dat z' op schoot genomen
had,
Haar moordende borst in het mondj', in gif gebaad
De Heer echter kneep er met beide handjes in
En zoog zowel 't gif als haar leven weg - woest
kwaad.
De
Heer is zonder woede, maar toont soms woede uit
mededogen jegens degeen die haar nodig
heeft.
Tekst
11
Ze jammerde: "Los, laat me los, genoeg,
genoeg!"
Tot Krishna, die 't leven uit al haar leden
zoog.
En rondslaand met armen en benen kreet ze 't
uit,
Met puilende blik, terwijl 't zweet te voorschijn
vloog.
Tekst
12
Haar jankend geloei joeg in vlagen over d'
aard'
En schokte de bergen, de sterren in het zwerk
En echode rond in de hel en overal -
En geen die niet viel als door 'n bliksemschicht
bewerkt.
Tekst
13
Haar borsten gefolterd gaf Pûtanâ de
geest:
Met armen en benen en 't haar wijd uitgespreid,
Wijdopen haar mond, weer veranderd in een heks,
Als Vritr' in het bliksemvuur, sloeg ze neer -
languit.
Tekst
14
Haar lijf verpletterd' in zijn val,
Mijn waarde vorst, iedere boom
Over een afstand van twaalf mijl -
Hoe groots was dat! Hoe ongewoon!
Tekst
15
Elk neusgat leek een diepe grot,
Van koper leek haar woeste haar,
Ploegijzers leken tand en kies,
Reuzenkeien haar borstenpaar.
Tekst
16
Elk' oogkas was een diepe put,
Een zandbank elke reuzenzij,
Haar buik een drooggevallen poel,
Een dam elk' arm en voet en dij.
Tekst
17
D' aanblik van 't lijk beangstigde
De herders en hun vrouwen daar,
Wier hart en hoofd en oren al
Geschokt waren door 't woest misbaar.
Tekst
18
Het Kind zat op de reuzenborst
Te spelen of 't er niets toe deed:
De herderinnen schoten toe
En haalden 'T bevend naar benee.
Tekst
19
Met Rohini en Yashodâ
Weerden de vrouwen elk gevaar
Van 't Kereltje door 'T onder meer
Te waai'ren met een koeiestaart.
Tekst
20
Het werd met koeiepis gebaad,
Met koeiehoevenstof besmeerd
En op twaalf plekken aangeraakt
Met mest in naam van d' Opperheer.
De
koe is aan Vishnu en in het bijzonder aan
Krishna gewijd. De twaalf met koemest
aangeraakte plekken bevinden zich op hoofd,
armen en bovenlichaam. Bij elke aanraking wordt
een mantra uitgesproken die een van Krishna's
namen eert, bijvoorbeeld "OM
Vâsudevâya namah" (eer aan de Heer,
Vasudeva's Zoon) of "OM Vishnave namah" (eer aan
Heer Vishnu).
Tekst
21
De gopi's deden âchaman',
En bija-nyâs' op elke hand
En op het lijf, eerst bij zichzelf
En daarna bij de kleine Vent.
Âchamana
is een rituele reiniging waarbij men onder het
uitspreken van mantra's druppels Gangeswater
opslurpt en het lichaam ermee besprenkelt.
Bija-nyâsa komt overeen met de handeling
beschreven in de voorgaande toelichting.
De gopi's zeiden:
Tekst
22
Bescherm' Aja Je beentjes klein, Manimân Je
knietjes,
Je dijtjes Yajn', Achyut' Je heupjes, Je buikj'
Hay'griva,
Je hartje Keshav', Ish' Je borstje, Je halsje
Ina,
J' armpjes Vishnu, Je mondj' Urùkram', Je
bolletj' Ishvar'.
De
in vers 22-26 genoemde Beschermers zijn
Godsdelen en Avatâra's van Vishnu/Krishna.
De betekenis van Hun Namen wordt gegeven in de
Verklaring van namen en termen.
Tekst
23
Dat Chakri vòòr en Heer Hari met Zijn
strijdknots achter,
Opzij Ajana, zwaargewapend, die Madhu doodde,
Uit alle hoeken Urugây' en Upendra boven,
Garud' op aard' en Haladhar' Je rondom
behoeden.
Tekst
24
Dat Hrishikesh' Je zinnen hoed'
En Nârâyan' Je levensgeest,
De Heer van Shvetadvip' Je hartj'
En Yogeshvar' Je denken 't meest.
Tekst
25
Bescherme Mâdhava Je slaap,
De Hoogste, Bhagavân, Je ziel,
En Prishnigarbha Je verstand
En Govinda Je kinderspel.
De
naam Bhagavân, Alvervulde, geeft het
hoogste aspect van Krishna aan. Het eerste boek
van het Bhâgavata Purâna zegt
(3.28): eta châmsha-kalâh pumsah /
krishnas tu bhagavân svayam. "Al deze
Godsdelen zijn uit Krishna, die de Alvervulde
Zelf is." Vandaar dat Bhagavân de
zíel beschermt. Als Bhagavân
hééft de kleine Krishna overigens
geen ziel: Hij ìs niets anders dan Ziel,
sac-chid-ânanda-vigraha, de
onvergankelijke Gedaante van albewuste
Gelukzaligheid.
Tekst
26
Bescherme Sri's Heer J' als Je loopt,
Vaikuntha J' als Je ergens zit
En als Je pret maakt Yajnabhuk,
Voor wie elk kwaad gesternte vliedt.
Tekst
27
De yâtudhani's, dâkini's,
Kinderkwelsters en kushmânda's,
Bhuta's, preta's, vinâyaka's,
Pichâcha's, yaksha's, râkshasa's
Tekst
28
Kotarâ, Revati, Jyeshthâ,
Pûtanâ, Mâtrikâ bijeen,
De dol en dom makende schaar,
De kwelgeesten van lijf en zin
Tekst
29
De onheilstichters met hun keet,
De schrik van jong en oud tezaam -
Ach mogen z' allemaal vergaan
In doodsangst voor Heer Vishnu's Naam!
De
in vers 27-29 genoemde wezens zijn allerlei
kwelgeesten, boze feeën, spoken, zwarte
magiërs en heksen, die machteloos staan
tegenover de Heilige Naam.
Shukadeva zei:
Tekst
30
Zo door de gopi's welbeschermd -
Wat waren z' aan het Kind gehecht! -
Kreeg Het Yashodâ's moederborst
En werd te slapen neergelegd.
Als
Alvervulde had Krishna melk noch slaap nodig.
Hij liet Zich vertroetelen om de vrouwen in
staat te stellen het hoogste niveau van bhakti
te verwerkelijken.
Tekst
31
De koeherders met Vader Nand',
Die zich naar Vraj' hadden gehaast,
Stonden bij 't zien van Pûtanâ's
Reusachtig lichaam stomverbaasd.
De koeherders zeiden:
Tekst
32
Die Vasudeva moet beslist
Een rishi of een yogi zijn,
Want wij zijn hier getuige van
Het onheil dat hij heeft voorzien.
Shukadeva zei:
Tekst
33
De herders hakten 't lijk kapot
En smeten 't stuk na stuk aan kant,
Bedekten 't met een takkenbos
En staken 't daarna ferm in brand.
Bedenken
we dat het lijk een lengte van twaalf mijl had
(vers 14), dan is het menselijkerwijs
onvoorstelbaar dat Nanda en zijn mannen het zo
kwiek kapothakten en in brand staken als de
tekst lijkt aan te geven. Normaal zou zo'n
karwei maanden, zo niet jaren in beslag hebben
moeten nemen. Het is verstandig te geloven dat
de wonderbaarlijke bemoeienis van God Zelf met
Pûtanâ en het herdersdorp van de
gigantische lijkopruiming licht werk heeft
gemaakt.
Tekst
34
Van 't laaiend lichaam dreef de geur
Van aloë, één zoete vleug,
Want Krishna had er al het kwaad
Uit weggedronken in één teug.
Tekst
35
De kinderdoodster Pûtanâ,
Die duivelin verzot op bloed,
Gaf 't Kind haar dodelijke borst
Maar kreeg daardoor het hoogste goed.
Tekst
36
Hoe zal 't dan hen die steeds vol liefd'
Aan Krishna 't allerbest' afstaan
Als moeders aan hun troetelkind -
Hoe zal 't die vrouwen dan niet gaan?
Tekst
37
Zijn voeten, Zijn getrouwen lief,
Door de geprezenen geëerd,
Beroerden 't lijf van Pûtanâ -
Hij zette z' op haar borst, de Heer
De
aanraking van Krishna's lotusvoeten redt van
dood en wedergeboorte en schenkt het geluk van
verloste liefdedienst. De geprezenen in dit vers
zijn de goden.
Tekst
38
Hoewel een demon, voer ze heen
Naar 'n moeder-waardig' hoogste staat:
Hoe zal 't dan Moeder Koe niet gaan,
Die Krishna zo fijn drinken laat?
Tekst
39
Van allen bij wie Dev'ki's Zoon -
Hij die verlost van wat al niet -
De melk indrink die elk van hen
Uit liefde voor Hem vloeien liet
Tekst
40
Van al die moeders die Hem steeds
Beminden als hun eigen Kind
Keert er niet één t'rug in
samsâr',
Waarin men slechts verblinden vindt.
Tekst
41
Hun neus vol van de zoete geur
Van 't lijk, nasmeulend van de brand,
Zeiden de herders: "Vreemd, heel vreemd
"
Zo kwamen z' aan bij 't huis van Nand'.
Tekst
42
Toen hun 't verhaal van komst en dood
Van 't heksenmonster was verteld
En van het ongedeerde Kind
Stonden de mannen wéér versteld.
Tekst
43
Zijn Zoontj' omhelzend als was 't Kind
Op 't kantj' af aan de dood ontrukt
Stak Nand' zijn neus diep in Zijn haar
En zwolg in 't allergrootst geluk.
Tekst
44
De sterveling die dankbaar hoort
Hoe Krishna Pûtanâ als Kind
Verloste door Zijn zalig Spel -
Die raakt verslingerd aan Govind'.
(bron: S.B. 10.6)
|