|
Shukadeva zei:
Tekst
1
De vrouwen van Vraj' staarden Krishna's dienaar
aan:
Hoe bloeide zijn blik en hoe straalde zijn
gewaad,
Hoe blank was zijn krans en hoe lang zijn
armenpaar,
Hoe gloeiden zijn oorhangers naast zijn mooi gelaat
Tekst
2
Wie was deze schone persoon, wiens zoon was
hij,
Vanwaar kwam hij hier, als d' Onfeilbare
gesierd?
Verlangend verdrongen ze zich om Uddhava,
Voor wie alles draaid' om de voeten van Hari.
Tekst
3
Begrijpend dat hij was gestuurd door Lakshmi's
Heer,
Ach, bogen ze 't hoofd in een ingetogen groet
En deden hem zitten en vroegen heimelijk
Met schuchtere lachjes en woorden honingzoet:
De gopi's zeiden:
Tekst
4
U bent een metgezel, zien wij,
Van Vâsudev', de Yadu-heer:
Hij heeft u voor 't genoegen van
Zijn ouders naar ons dorp gestuurd.
Tekst
5
Wat is er verder dat Hari
Nog aantrekt in het koeienbos?
Alleen 't gevoel voor 't eigen bloed -
Zelfs wijzen laat dat zelden los.
Tekst
6
Gevoel voor and'ren duurt zolang
Men er zijn voordeel mee kan doen
Zoals een kerel met een vrouw
Of als een vlinder met een bloem.
Tekst
7
Een meid verlaat haar arme klant,
Het volk zijn onbekwame vorst,
Een leerling groet de leraar die 'm
Verlost heeft van zijn kennisdorst
Tekst
8
Een vogelzwerm de lege boom,
Een gast het huis zonder gerief,
Een hertenroedel 't brandend bos,
Een minnaar zijn genoten lief.
Shukadeva zei:
Tekst
9
Aldus liet heel de vrouwenkring,
Govinda toegewijd in woord
En daad, zich gaan voor Uddhava,
Door geen gedragsregels gestoord.
Tekst
10
In tranen - niemand schaamde zich -
Bezongen ze 't geliefde Spel
Dat Hij als Kind en Knaap bedreef -
Geen kleinigheid bleef onvermeld.
Tekst
11
Eén, die een dar zag ronddansen,
Moest denken aan Haar samenzijn
Met Mâdhav' en het diertj' aanziend
Voor 'n boodschapper van Hem zei Zij:
De
traditie neemt aan dat deze gopi Sri
Râdhâ is, Krishna's eeuwige
Geliefde, die met Hem de Goddelijke
Tweeëenheid vormt. Haar gebazel in
bovenzinnelijke verwarring is een uiting van
mahâbhâva, de hoogste geestelijke
vervoering.
De gopi zei:
Tekst
12
O bedriegersvriendje, dar, verlos Mijn voet van je
sprieten
Nog bepoederd van een bloemkrans rood van
stadsdames-borsten!
Laat de Meester van de stad, wiens boodschap jij Me
komt brengen,
Fijn de gunst genieten van hun trots - tot spot van
de vorsten.
Tekst
13
Ach, slechts éénmaal schonk Hij ons
het nectarzoet van Zijn lippen:
Daarop heeft Hij ons - zoals jij, dar, een bloem -
plots verlaten.
Hóe kan Sri Zijn lotusvoeten steeds opnieuw
maar weer dienen?
't Kan niet anders of Z' is weg van Zijn betoverend
praten.
Tekst
14
Wat kom jíj hier, zespoot, ons, ontheemden,
eigenlijk zeggen
Over Yadu's Meester, die w' al zo lang veel te goed
kennen?
Zing je deuntje liever voor Arjuna's Makkers
vriendinnen:
Vrij van elk' ellende zullen zij je zalig
verwennen.
Tekst
15
Welke vrouw in 't hemelrijk, op aard' of daar nog
beneden
Vàlt niet voor Zijn wenkbrauw-trillen of
Zijn strelende lachje
Wat zijn wíj voor Hèm, wiens
voetenstof vereerd wordt door Lakshmi?
D' Onvolprezen Heer blijft Hij voor òns:
Hari redt ons hachje.
Tekst
16
Weg die kop daar van Mijn voet! Ik ken je, dienaar
van Krishna,
Meester in het vleien net als Hij, jij flemende
zoemer
Hij verliet ons toen we huis en heil voor Hem
lieten varen:
Is 't niet dom zich met zo'n onbetrouwbaar Typ' te
verzoenen?
Tekst
17
Als hardvochtig Jager doodde Hij de koning der
apen
En als Vrouwenslaaf verminkte Hij een vrouw die
'M begeerde
Bali's gaven nam Hij aan, dat wel - tóen
smeet hem de hel in.
'K hoef geen zwarte vrienden - maar hoe kan 'K Zijn
Spel ooit ontberen?
De
schijnbaar kwalijke daden die Sri
Râdhâ vermeldt werden door Krishna
tot heil van de betrokkenen bedreven toen Hij
als Avatâra eerder op aarde was: als
Koning Râma, verknocht aan Zijn
Sitâ, doodde hij een apenleider en
verminkte Hij een râkshasi, terwijl Hij
als de Dwerg-avatâra Koning Bali Zijn
koninkrijk ontnam en hem het bewind over de
onderwereld gaf. Met de woorden "zwarte
vrienden" doelt Râdhâ zowel op
Krishna, die ook Mooie Zwarte
(Syâmasundara) wordt genoemd, als op de -
zwarte - dar.
Tekst
18
Slechts één nectardruppel van Zijn
Spel in 't oor opgevangen
Laat geen mens meer goed van kwaad of links van
rechts onderscheiden:
Huis en haard ineens in armoed' achterlatend
verschijnt hier
Menigeen als bedelklant om 't vogelleven te
leiden.
Tot
op de huidige dag ziet men in Vraja behalve de
beroepsbedelaars velen die ter wille van Krishna
alles achter zich hebben gelaten en van de hand
in de tand levend van de ene heilige plek naar
de andere scharrelen.
Tekst
19
Hoe onnozel hebben w' ons vergist in Krishna's
beloften:
Dwaze hinden, ingepalmd door 't zoet gelok van de
jager
Hoeveel liefdesleed bezorgd' ons niet de neep van
Zijn nagels!
Stil, gezantj', Ik kan dit Onderwerp niet langer
verdragen.
Tekst
20
Vriendje van Mijn Liefste, heeft Hij jou naar ons
toe gezonden?
Vraag Me vrijuit wat je maar verlangt - Ik wil je
verblijden!
Neem j' ons mee naar Hem die wij niet kunnen missen
- maar hóe dan?
Sri, Zijn Gade, heertje, woont toch dag en nacht
aan Zijn zijde?
Tekst
21
Ach, is Nanda's Zoon al van Zijn leraar t'rug in
Mathurâ?
Hoor je 'M wel eens over Vraj' en Zijn familie wat
zeggen?
Laat Hij ooit Zich wat ontglippen over ons, Zijn
slavinnen?
Zal Hij ooit Zijn zoete sandel-handen weer op ons
leggen?
Shukadeva zei:
Tekst
22
Daarop zei Uddhav' sussend tot
De herderinnen snakkend naar
De aanblik van hun Lieveling
Wat Mâdhava hem had verklaard.
Uddhava zei:
Tekst
23
Dat jullie steeds maar opgaan in
De welvervulde Opperheer
Is de bekroning van je werk -
De sferen brengen jullie eer.
Tekst
24
Liefde tot Krishna wordt verwekt
Door plengoffers, Schriftstudie, tucht,
Mantra-zeggen, barmhartigheid
En al het goeds dat men verricht.
Wie
zijn leven zuivert zonder aan de
louteringsmethoden als zodanig gehecht te zijn
laat geleidelijk alle beperkingen achter zich,
ook de beperkende gedachte dat er geen Hoogste
Godspersoon bestaat, en komt tot volkomen
verlossing als slaaf van Mukunda, de Heer der
vrijheid.
Tekst
25
Wat een geluk dat jullie hier
Voor d' onvolprezen Bhagavân
De hoogste bhakti laten zien -
Zelfs wijzen zijn daar ver vandaan.
Tekst
26
Wat een geluk dat jullie je
Van man, kroost, ja van 't eigen lijf
Hebben onthecht voor Hem die men
Als d' Alaantrek'lijke beschrijft.
Tekst
27
Door jullie scheiding van Govind'
Werd jullie bhakti overrijk
O wat een gunst, gezegenden,
Dat deze liefde mij nu blijkt!
Tekst
28
Hoor nu wat jullie Lieveling
Jullie door mij berichten wil,
Die Zijn vertrouwde dienaar ben -
Een boodschap van geluk en heil.
Krishna zei (door Uddhava):
Tekst
29
Dat je van Mij gescheiden bent -
Van d' Alziel - wat is daarvan waar?
Zoals elk schepsel is gemaakt
Van ether, lucht, vuur, water, aard',
Is het Mijn Wezen dat lijf, geest,
Leven en leibanden doorvaart.
Tekst
30
Slechts in Mijzelf en door Mijzelf
Schep Ik en handhaaf en ontbind
Door Mijn begoochelende macht
Van guna, element en zin.
Tekst
31
'K ben louter kennis, klaar en puur,
Verheven, van de guna's vrij.
Voor wie slaapt, droomt of half ontwaakt
Verhullen Mâyâ's sluiers Mij.
Tekst
32
Zoals één die ontwaakt zijn droom
Als vals verwerpt, hoede men zich
Voor 't loze dolen van de geest
Dat ons slechts aan de geest verplicht.
Tekst
33
Slechts dat, zeggen de wijzen ons,
Is 't doel van alle yog' en vlijt
En Schriftstudie en tucht - zoals
De stroom slechts naar de zee toe glijdt.
Tekst
34
Ik, jullie Lief, ben zo ver weg
Gegaan van jullie blik omdat
Ik wil dat jullie liefde Mij
Steeds hechter in de geest omvat.
Tekst
35
Wanneer een vrouw haar Lieveling
Kan zien verlangt ze minder erg
Naar hem dan in gescheidenheid,
Wanneer hij elders is, ver weg
Tekst
36
Steeds met je geest op Mij gericht,
Van alle bijgedachten vrij
Volkomen aan Mij toegewijd,
Komt elk van jullie snel tot Mij.
Tekst
37
Zij die niet mochten komen toen
Ik 's nachts in 't woud Mijn dans bedreef
Bereikten Mij doordat ze zich
Mijn daden heugden in de geest.
Shukadeva zei:
Tekst
38
Toen Vraja's vrouwen dit relaas
Van Krishna hadden aangehoord
Zeiden ze blij tot Uddhava,
Door hun geheugen aangespoord:
De gopi's zeiden:
Tekst
39
Gelukkig is die Kamsa dood,
Die 't Yadu-huis zo lijden deed.
Achyuta woont nu fijn bij Zijn
Familie, wie 't aan niets ontbreekt.
Tekst
40
Doet Râma's Broer de stadsvrouwen
Zoveel plezier als ons, die 'M teer
Aanbaden met verzaligd lachj'
En schuchter kijken, goede heer?
Tekst
41
Hoe zal die Held in 't liefdesspel,
Door d' allermooisten teer bemind,
Gestreeld door hun gebaar en woord
Niet door hen worden vastgepind?
Tekst
42
Wanneer Govinda in een kring
Van stadsdames gezellig praat
Komt Hij dan ooit met een verhaaltj'
Over ons, gopi's, voor de draad?
Tekst
43
Denkt Krishna ooit nog aan die nachten met Zijn
geliefden
In 't Vrinda-woud dat bloeid' en geurd' in de
manestralen
Toen Hij met enkelbelgerinkel de râsa
danste
En wij 'M verheerlijkten met liederen en
verhalen?
Tekst
44
We branden van verdriet om 't leed
Dat Hij ons aandoet
Zal Zijn lijf
Ons ooit verkwikken zoals 't woud
Opleeft dat van de regen drijft?
Tekst
45
Waarom zal Krishna komen nog
Nu Hij als Koning schittert, blij,
Door Zijn familie hecht omringd
En met prinsessen aan Zijn zij?
Tekst
46
Wat kunnen wij in 't bos of wie
Dan ook nog doen voor Lakshmi's Heer,
Die alvolmaakte Grote Ziel,
Wie 't aan geen enkel ding mankeert?
Tekst
47
De courtisane Ping'lâ zei:
"Geluk is leven zonder hoop."
Maar desondanks gaat onze hoop
Op Krishna's komst niet op de loop.
Tekst
48
Wie wil de vreugde missen van
't Verzaligd praten met Hari?
Zelfs Sri - al taalt Hij niet naar Haar -
Wijkt geen seconde van Zijn zij.
Tekst
49
De stroom, de tonen van een fluit,
Het vee, het heuvelland, het woud,
Die alle zo verbonden zijn
Met Krishn' en Râma, zo vertrouwd
Tekst
50
Ach, doen ons denken, keer op keer,
Aan herder Nanda's mooie Zoon
Als we Zijn voetspoor zien, Sri's heil,
Raken we 'M niet meer kwijt gewoon!
Tekst
51
Met Zijn verleidelijke loop,
Zijn speelse blikken, warme lach
En zoet gepraat stal Hij ons hart -
Hoe kunnen we 'M vergeten, ach!
Tekst
52
O Heer en Meester van Ramâ,
Meester van Vraj', die 't leed verdrijft,
Govinda, red ons koeiendorp,
Dat in een zee van rampspoed drijft.
Shukadeva zei:
Tekst
53
Toen 't leed der scheiding was geluwd
Door het relaas van Krishna's vriend
Eerden de gopi's Uddhava,
Hem als d' Onpeilb're Zelve ziend.
Tekst
54
Hij bleef een aantal maanden zo
In Vraj' en monterde hen op:
Al zingend van Govinda's Spel
Verblijdde hij het herdersdorp.
Tekst
55
Iedere dag met Uddhava
Vloog als een ogenblik voorbij
Voor de bewoners van Gokul' -
Hij praatte maar over Hari.
Tekst
56
Terwijl zijn oog rivier en dal
En 't bloeiende geboomt' indronk
Genoot hij van de vreugde die
Hij aan het volk van Vraja schonk.
Tekst
57
Verrukt van 't schrijnende gevoel
Dat Vraja's vrouwen steeds doorvoer
Om Krishna, eerde Uddhava
Hen vol ontzag en zong ontroerd:
Uddhava zei:
Tekst
58
Niemand zo hoog als deze gopi's met al hun
liefde
Voor Krishna, diep gewenst door hen die de wereld
vrezen,
De grote wijzen en mijzelf, want wat zal men
leven
Als Brahmâ zonder zó van Krishna
vervuld te wezen!
Tekst
59
Hoe ongerijmd is deze liefde voor Krishna, d'
Alziel,
Bij herderinnen die hun man lopen te bedriegen:
Hij begenadigt zelfs d' onwetende die Hem eer
brengt
Zoals ook nectar, blind gedronken, de drinker
zegent.
Tekst
60
Noch Sri, die nimmer van Hem wijkt, noch de
hemelnimfen,
Als lotusbloemen zoet en licht, schonk Hij zulk
erbarmen
Als Hij bewees aan Vraja's vrouwen bij 't
râsa-dansfeest
Toen Hij hun hunkering vervuld' in Zijn stevig'
armen.
Tekst
61
Ach 'k zou een kruidj' of plukje gras willen zijn
in Vraja
Opdat ik 't voetenstof mag dragen van d'
herderinnen
Die huis en haard en hun religie spontaan
verruilden
Voor 't pad naar Krishna, dat de Veda's nog moeten
vinden.
Tekst
62
Hun leed vlood heen toen z' in de râsa-dans
op hun borsten
Govinda's lotusvoeten vlijden en daar
omknelden,
Die Brahmâ, Sri en de vervulden altijd
aanbidden
En die de yogi's in hun hart zien - en dat maar
zelden.
Tekst
63
'k Eer 't voetenstof van elke vrouw
In Nanda's dorpje keer op keer,
Wier pure zingen van Hari
Door 't universum kwinkeleert.
Shukadeva zei:
Tekst
64
Aan hen, Yashodâ en aan Nand'
Vroeg Uddhava of hij mocht gaan:
Rondom zijn wagen groette hij
De herders allemaal tezaam.
Tekst
65
Daarbij werd velerlei geschenk
In Uddhav's handen neergevlijd.
Tot slot zei Nanda namens 't dorp
Met tranen van genegenheid:
Nanda zei:
Tekst
66
Moog' onze geest slechts uitgaan naar
De lotusvoeten van de Heer,
Ons woord zij slechts Zijn Naam gewijd,
Ons lijf legge zich voor Hem neer.
Tekst
67
Al gooit ons karma ons in 't rond
Zoals d' Almachtige 't vergunt
Toch geev' ons goede werk dat elk
Van ons Heer Krishna diep bemint.
Nanda
is als typisch vertegenwoordiger van het
Vedische leven zo doordrongen van het verheffend
effect van het doen van goede werken dat hij
zelfs langs deze karmische weg tot liefde voor
Krishna wil komen. Zijn uitspraak is van een
speelse onzinnigheid, want als er iemand is
wiens hart spontaan en onstuimig naar Krishna
uitgaat is het de herdersvorst van
Gokula.
Shukadeva zei:
Tekst
68
Vol liefde voor hun Krishn', o vorst,
Door Vraja's koeherders gegroet
Reed Uddhava t'rug naar de stad
Die door Govinda werd behoed.
Tekst
69
Daar viel hij voor Mukunda neer,
Zei 'M hoe Gokul' voor Hem slechts leefd'
En gaf de gaven door aan Râm'
En Ugrasen' en Vasudev'.
(bron: S.B.
10.47)
|