|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Nadat de goed' Akrur' de nacht
Had doorgebracht in Mathurâ
Beklom hij 'n wagen en vertrok
Naar Nanda's dorpje Gokula.
Tekst
2
Vervuld van pure bhakti tot
De Heer die lotusogen heeft
Dacht de gelukkige terwijl
Hij langs de wegen verder reed:
Akrura dacht:
Tekst
3
Aan hoeveel goede werken en
Aan hoeveel boet' heb ik 't verdiend -
Aan hoeveel milde gaven ook -
Dat ik nu Keshava mag zien?
Tekst
4
't Lijkt m' even uitgesloten dat
Een zin'lijk mens als ik de Heer,
Zo hooggeëerd, aanschouw als dat
Een shudra Veda-zangen leert.
Akrura
is een volmaakte dienaar van Krishna. De
zinnelijkheid waarvan hij gewaagt bestaat
slechts in zijn verbeelding, die gevoed wordt
door de natuurlijke nederigheid van de bhakta.
Zou Akrura werkelijk een zinnelijke wereldling
zijn geweest, dan zou hij Krishna uiteraard niet
kunnen zien zoals Hij is. Zijn oog zou slechts
een mens waarnemen. Alleen een blik "gezalfd met
de balsem der liefde", zoals de
Brahma-samhitâ zegt (5.38), kan de
Onzienlijke aanschouwen in Zijn ware
gedaante.
Tekst
5
Maar nee, ook een ellendeling
Is d' aanblik van Achyut' vergund:
Want soms ontzwemt een ziel de tijd
En vindt de veilig' overkant.
Tekst
6
Vandaag draagt mijn geboorte vrucht
En zie 'k het einde van mijn kwaad
Wanneer 'k me voor de voeten buig
Die 'n yogi in zijn hart ontwaart.
Onder
de miljoenen wedergeboorten van een ziel in alle
levensvormen van de kosmos is een wedergeboorte
in het omhulsel van een mens een zeldzaamheid.
Aangezien geen andere levensvorm dan de
menselijk zich er goed voor leent om erin tot
bhakti te komen is het van levensbelang haar in
Krishna's dienst te gebruiken. Akrura, die
hiervan doordrongen is, prijst zich dan ook
gelukkig met zijn bhakti.
Tekst
7
Ach Kams', wat een gunst dat ik als uw afgezant
Heer Mâdhava's voeten mag zien op deze
dag,
Bij 't licht van wier nagels weleer zo menigeen
De moeilijke tocht door het duister heeft volbracht
Tekst
8
Die altijd door Brahmâ, de goden, Shiv' en
Sri
En wijzen en vromen vol gloed worden geëerd
Die achter de koeien door woud en weiland gaan,
Bevlekt met het rood dat de meisjesborsten
siert.
Tekst
9
Die wangen, die neus en die roze lotusgloed
Van d' ogen in Krishna's gelaat, volmaakt
omkranst
Door golvende lokken, zal ik nu zeker zien,
Want kijk - alle herten gaan rechtsaf voor me
langs.
Tekst
10
Als 'k Vishnu vandaag mag aanschouwen, die als
Mens
Uit eigen beweging de wereldlast verlicht,
Die Woning van schoonheid, ontvang ik
moeiteloos
De vrucht van het naakte bezit van mijn
gezicht.
Tekst
11
Hij ziet naar de wereld maar blijft ervan
onthecht.
Zijn licht drijft de duisternis en haar waanzin
weg.
Met levende wezens, uit Hem tot zijn gewekt,
Dwaalt Hij op gezag van Zijn wil door heg en
steg.
Tekst
12
Het woord dat verhaalt van Zijn deugd en daad en
komst,
Dat alles wat kwaad is verdrijft, zo rijk en
groots,
Verkwikt en verblijdt en verzadigt het heelal -
Waar wereldse taal, hoe welsprekend ook, is
dood.
Tekst
13
Verschenen als Sâtvat' ter wille van 't
geluk
Van d' eeuwige dienaars van wát Hij maar
bedingt
Verwijlt Hij in Vraj' en verbreidt vandaar Zijn
roem,
De Heer, van wiens zegen de godenwereld zingt.
Tekst
14
Vandaag zal 'k Hem zien die het Doel der groten
is,
Hun Leraar, in elk der drie werelden bemind,
Die Lust voor het oog, wiens nabijheid Sri begeert
-
'k Zal 'M zien nu omdat elke dag vol heil
begint.
Tekst
15
Ik spring van mijn wagen zodra 'k Hem zie met
Râm'
En val beid' almachtige Heren plat ten voet,
Die yogi's ten hoogste aanschouwen in hun
geest,
En mèt Hen vereer ik Hun vrienden uit het
woud.
Tekst
16
Zal Hij dan, mijn Heer, als ik aan Zijn voeten
lig,
Mijn hoofd even aanraken met Zijn lotushand,
Die ieder, belaagd door de snelle slang des
tijds,
Die smeekt om Zijn redding bevrijdt van al zijn
angst?
Tekst
17
Die hand schonk aan Bali en Indra 't gans
heelal
Toen elk er een offergeschenk in had gelegd
Die hand streelde, geurend als een
saugandhi-kelk,
De moeheid van Vraja's verliefde vrouwen weg
Tekst
18
Hoewel ik als Kamsa's gezant verschijn weet ik
dat Krishna, die buiten en in de mensen woont,
Onfeilbaar, alwetend, met onvertroebeld oog,
Mij niet de geringste vijandigheid betoont.
Tekst 19
Als Hij me dan toelacht met glanzend zachte
blik
Wanneer 'k met mijn handen gevouwen
vòòr Hem lig
Doorsiddert vervoering mijn wezen helemaal
En vliegen mijn zonden en angsten spoorloos
weg.
Tekst
20
Als Hij dan Zijn machtige armen legt om mij,
Zijn dierbare vriend, die geen and're meester
heeft,
Verandert mijn lijf in een oord van heiligheid
-
Geen draad van mijn karma die 't niet meteen
begeeft.
Tekst
21
Als ik na d' omhelzing mijn handen voor Hem
vouw
Zal d' Alomvermaarde mij noemen: "Oom Akrur'."
Gezegend mijn leven! En jammerlijk 't bestaan
Dat niet tot de zegen van d' Aleerwaarde voert!
Tekst
22
De Heer ziet niet één als Zijn
allerbeste vriend,
Noch ook als Zijn vijand of wat daartussen
zweeft,
Maar bhakta's bemint Hij zoals zij 't Hem steeds
doen
Een wensboom gelijk, die aan ieder 't zijne
geeft.
Tekst
23
Als ik me dan neerbuig voor Râm', Zijn oud're
Broer,
Omhelst Die m' en pakt mijn gevouwen handen
vast
En leidt me naar binnen, waar Hij me warm
onthaalt
En Hij m' ondervraagt over Kamsa's overlast.
Balarâma
is alwetend zoals Krishna. Als Hij Akrura
niettemin vragen zal stellen over Kamsa's
monsterachtigheid heeft dat uitsluitend tot doel
Zijn oom de gelegenheid te geven Hem zijn bhakti
te bewijzen door het verstrekken van nauwkeurige
informatie over de situatie in Mathurâ.
Door Zijn Yogamâyâ zal Hij Akrura
Zijn goddelijkheid laten vergeten, zodat deze
zijn genegenheid voor Hem de vrije loop kan
laten - en daarvan zal zowel Hij als Krishna
genieten.
Shukadeva zei:
Tekst
24
Zo legd' Akrur' de hele weg
Al denkend aan Govinda af
En reed Gokula in juist toen
De zon haar laatste stralen gaf.
Tekst
25
En daar in de veekralen zag hij met vlag
En korrel en lotus - een feest op de grond -
Het spoor van de voeten wier stof ligt op 't
hoofd
Van iedere koning en god in het rond.
Tekst
26
Van blijdschap en liefde volkomen in de war,
Zijn wangen betraand en zijn haren opgeveerd,
Sprong hij van de wagen en rolde door het zand
En riep: "Ach het stof van de voeten van mijn
Heer!"
Tekst
27
Akrura's vreugd' in Kamsa's dienst
Is 't hoogste goed voor ieder mens:
Dat hij, van trots en vrees verlost,
Govinda allerwegen kent.
Tekst
28
Daar zag hij Krishn' en Râm' in Vraj'
Op 't erf waar men de koeien melkt,
D' Een' in het geel, d' Ander' in 't blauw,
Met klare lotusogen Elk:
Tekst
29
Een donker' en een blanke Knaap,
Sri's Onderkomens, lang-gearmd,
Ieder beeldschoon en welgevormd,
Kwiek als een jonge olifant.
Tekst
30
Mild lachend heiligden de Twee
De grond van 't herdersdorp met schicht
En prikkel, lotuskelk en vlag,
Waar 'n lotusvoet werd opgelicht
Tekst
31
Speels en verheven tegelijk
Proper gebaad en vlekkeloos,
Welriekend van de reukolie,
Omkranst met bloemen uit het bos.
Tekst
32
D' eerste Personen waren Zij,
Oerbron en Meester van 't heelal
Waarin Ze waren neergedaald -
De lichtende Govind' en Bal'.
Tekst
33
Twee Bergen, zilver en smaragd,
Met goud doorgloeid - zo straalden Zij
En door Hun licht was elke hoek
Van 't uitspansel van donker vrij.
De
beschrijving van Krishna en Balarâma in
vers 28-33 geldt als gezaghebbende aanwijzing
voor de kunstenaar die een Murti of Beeld van
Hem wil maken. Zo'n Beeld kan alleen werkelijk
worden aanschouwd door bhakta's die van verzen
als deze wegsmelten.
Tekst
34
Van liefd' in alle staten sprong
Akrura van de wagen af
En viel zijn Krishn' en Râm' ten voet
In volle lengte - als een staf.
De
woorden "als een staf" zijn de vertaling van de
Sanskrit-woorden "dandavat". Tot op de huidige
dag groeten bhakta's hun leraar en elkaar met
het uitspreken van deze woorden en laten zich
daarbij soms inderdaad languit - maar vaker op
de knieën - op de grond neer.
Tekst
35
Bevend en blind van tranen in
Zijn vreugd' om wat hij zag, o vorst,
Kon hij niet zeggen wie hij was -
Zijn stem raakt' in zijn keel versmoord.
Tekst
36
Maar Krishna kende 'm zó' en trok
Hem met de hand - waarin het rad -
Vanwaar hij neerlag overeind
En drukte 'm zalig aan Zijn hart.
Het
teken van het rad in Krishna's hand
vertegenwoordigt het wiel der Wet. Dit wiel kan
Krishna uiterlijk manifesteren als Zijn
sudarshana-chakra, de blikkerende werpschijf
waarmee hij booswichten in één
klap de genade verlenen kan van hun lichamelijke
dood en van hun geestelijke geboorte.
Tekst
37
Ook de verheven Sankarshan'
Omhelsde d' overstelpt' Akrur'
En met zijn handen in Zijn hand
Bracht Hij 'm het huis in met Zijn Broer.
Tekst
38
Hem uithorend over zijn reis
Bracht Hij hem naar een ereplaats,
Waste zijn voetenpaar en gaf
Hem honing, melk en wrongelkaas.
Als
oudste van beide Broers eert Balarâma Zijn
oom op de gebruikelijke Vedische manier. Maar
Akrura, die Zijn verheven positie kent, weet
niet hoe hij het heeft. De aangeboden
lekkernijen vormen met een beker water de
madhuparka, waarmee men een verheven bezoeker
verwelkomt.
Tekst
39
De Heer schonk hem daarop een koe
En kneedde zijn vermoeidheid weg,
Waarna Hij 'm op een kost'lijk maal
Onthaalde met volmaakte respect.
Tekst
40
Râma, Schrager der hoogste Wet,
Gaf hem na 't eten liefdevol
Reukolie, 'n krans en knabbelzaad -
Van vreugde werd Akrur' haast dol.
Tekst
41
Toen hij van alles was voorzien
Vroeg Nanda: "Voel je je niet net
Een schaap dat door een slachter wordt
Gehoed - bij Kams', dat stuk verdriet?
Tekst
42
"Wie is er veilig voor die bruut,
Die 't kroost van zijn bloedeigen zus,
Hoe hard z' ook huilde, heeft vermoord?
Dat hoef ik niet te vragen dus."
Tekst
43
Met zoetgevooisde woorden zo
Begroet door Nand', die hem ook nog
Van alles vroeg, vergat Akrur'
De moeheid van zijn wagentocht.
(bron: S.B.
10.38)
|