|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Toen kwam Arishta, 'n monsterstier
Met op zijn reuzenlijf een bult,
Onder verwoestend hoefgestamp
Het dorpje Vraja in gehold.
De
demonische stier Arishta vertegenwoordigt het
zestiende struikelblok op de weg naar de
verlossende zelfvergeten liefde tot Krishna.
Deze liefde ontwikkelt de leerling geleidelijk
aan door het volgen van regels die hem enerzijds
onthechten van zinsbevrediging en hem anderzijds
openstellen voor het geschenk van de bhakti. De
stier Arishta nu staat model voor de beginneling
die de regels vertrapt en als een olifant in de
porceleinkast huishoudt in het land der liefde
met de bedoeling daar zijn zinnen te
bevredigen.
Tekst
2
Onder verwoed geloei reet hij
De grond met zijn vier poten stuk,
Wierp met zijn horens kluiten op,
Zijn staart geheven als een stok
Tekst
3
Terwijl hij flodders natte mest
En korte stralen pis rondspoot
Met puilend' oog en zo'n lawaai
Dat koe en vrouw in bange nood
Tekst
4
Te vroeg van kalf of kind beviel
Of het verloor in haar paniek
Een wolk hing om de stierebult
Als was het ding een heuvelpiek.
De
zielen van de geaborteerde vruchten waren
behouden, omdat hetgeen er met hen gebeurde deel
uitmaakte van Krishna's Spel, waarin alle
medespelers worden verlost.
Tekst
5
't Gezicht van 't priemend horenpaar
Sloeg elke herdersvrouw en -man
Met vrees, o vorst, terwijl het vee
Zo snel het kon de benen nam.
Tekst
6
"Krishna! Krishna!" riep iedereen,
Zijn toevlucht zoekend bij Gopâl'.
Toen d' Alvervulde zag hoe bang
De herders waren allemaal
Tekst
7
Zei Hij bedaard: "Maak je niet druk,"
En daagde 't stieremonster uit:
"Dwaas! Waarom jaag je mens en dier
De stuipen op het lijf, schavuit!
Tekst
8
"Hier ben ik - om die brute trots
Te knakken van jouw nare soort!"
En sarrend sloeg Govinda Zich
Met vlakke handen op de borst.
Tekst
9
Zo stond Hij met een lenig' arm
Over de schouder van een vriend -
En daar kwam d' aangesproken stier
De grond omwoelend aangerend
En sleurde het geheven staart
De wolken door het firmament.
Tekst
10
Met starre bloeddoorlopen blik
Vloog het gedrocht met groot kabaal,
Horens geveld, op Krishna toe
Gelijk Heer Indra's donderstraal
Tekst
11
Hem bij de horens grijpend schoof
Sri Bhagavân de woeste klant
Achttien pas t'rug zoals in bronst
Een olifant een olifant.
Tekst
12
Door d' Alvervuld' omvergegooid
Sprong 't ondier razend op en joeg
Weer op Hem af terwijl het zweet
In stralen van zijn schoften sloeg.
Tekst 13
De Heer greep de horens van 't aanstormende
beest
En smeet het ter aard' en zette 'n voet erop
Toen wrong Hij 't met overgaav' uit als was 't een
dweil
En brak het een hoorn af en beukte 't op zijn
kop.
Tekst
14
Bloed brakend en wentelend in zijn drek en drab
Ging d' onverlaat trappend van felle pijn te
keer
En reisde met rollende blik naar 't oord des doods
De hemel bracht Krishna met bloesemwolken
eer
Gezegend
door de aanraking van Govinda's lotusvoet, lacht
de ziel van Arishta de stervelingen uit de
geestelijke wereld toe.
Tekst
15
Geprezen door het herdersvolk
Ging Hij na 't doden van het beest
Met Balarâm' naar Vraj' weerom -
De vrouwenogen vierden feest.
Tekst
16
Nadat Arishta was gedood
Door Krishna's wonderbare daad
Vernam Kamsa van Nârada,
Die 't goddelijke zicht bezat:
De
onthulling die Nârada doet komt niet voort
uit loslippigheid maar wordt welbewust gedaan om
het Spel van Krishna de gewenste wending te
geven.
Tekst
17
"Yashodâ had een dochtertje
Krishn' en Zijn Broeder Balarâm' -
Devaki's en Rohini's Zoon -
Heeft Vader Vasudev' tezaam
Tekst
18
Uit angst bij zijn vriend Nand' gebracht.
Jouw mensen zijn door Hen geveld!"
Daarop ontstak de Bhoja-vorst
In razernij en bliksemsnel
Tekst
19
Trok hij zijn scherp gewette zwaard
Om Vasudev' te lijf te gaan,
Wiens Zoon hem eenmaal doden zou,
Maar Nârad' liet hem niet begaan.
Tekst
20
Daarop sloeg Kamsa Vasudev'
En Devaki in d' ijzers vast
En na 't vertrek van Nârada
Gaf hij aan Keshi deze last:
Tekst
21
"Maak voort en dood die Keshava
En Balarâma allebei."
Toen riep hij Mushtika, Chânur',
Shal' alsook Toshala erbij
Tekst
22
Zijn olifantendrijvers en
Zijn raadslieden en sprak hun toe:
"Luister naar wat ik jullie zeg,
Mijn stoere Mushtik' en Chânur'!
Tekst
23
"De beide Zoons van Vasudev',
Hoor ik, wonen bij Nanda thuis
Het is voorspeld dat ik door Hen
Weldra naar 't rijk des doods verhuis.
Tekst
24
"Ik wil dat Zij hier alle Twee
Deelnemen aan een worstelstrijd:
Plaats hoge zetels her en der
En zitbanken rondom het krijt
En nodig voor de vechtpartij
De burgers en de boeren uit.
Tekst
25
"Jij olifanten-meester, heil!
Posteer Kuvalayâpida
Voor d' ingang van het worstelperk:
Dat hij mijn Vijanden versla!
Tekst
26
"En breng het Offer van de Boog,
Op 't juiste tijdstip zoals 't hoort,
En slacht gezonde beesten voor
Heer Shiva, aller dieren vorst."
Bij
dit offer, dat degeen die het brengt van de zege
over zijn vijanden moet verzekeren, wordt Shiva
geëerd in de gedaante van een reusachtige
boog. Omdat het offer een werelds doel dient en
omdat er dieren bij worden gedood, behoort het
tot het gebied van de guna der onwetendheid
(tamas), die onder leiding van Shiva staat.
Indien zo'n offer precies volgens de regels van
tijd en plaats wordt gebracht, kan Shiva het
accepteren en degeen die het brengt onder zijn
hoede nemen, waardoor deze geleidelijk tot
goedheid (sattva) bevorderd kan raken en vandaar
tot bhakti kan komen.
Tekst
27
Kamsa, die van regeren wist,
Ontbood daarop de leider van
Het Yadu-huis, Akrur', en zei
Terwijl hij 'm vasthield bij de hand:
Akrura
is een naaste bloedverwant van Krishna's vader
Vasudeva en een toegewijd dienaar van de
Heer.
Kamsa zei:
Tekst
28
Ach, eerste der genadigen,
Ik vraag je om een vriendendienst.
Ik ken geen Bhoj' of Vrishni die
Mijn welzijn zo welwillend dient.
Tekst
29
Ik stel m' afhankelijk van jou
Opdat ik iets zeer groots bereik,
Zoals eens Indra toevlucht zocht
Bij Vishnu om het wereldrijk.
Toen
een demonische vorst zich eens meester had
gemaakt van de drie werelden, riep Indra de hulp
in van Heer Vishnu, die daarop neerdaalde als
een Dwerg in brahmaanse dracht. De demon, die de
brahmanen eerde om hun hulp bij zijn offers aan
de goden, van wie hij macht verlangde, wilde de
Dwerg een gunst bewijzen. Vishnu vroeg om een
stukje grond ter lengte van drie pas. Lachend om
de bescheidenheid van de Dwerg verzocht de demon
Hem Zijn drie passen te doen. De eerste omspande
de wereld. De tweede stiet een gat in het
uitspansel, waardoor de heilige Ganges het
heelal binnenstroomde. De demon zag voor de
derde stap van de Dwerg, in wie hij nu de
Allerhoogste herkende, geen andere plaats dan
zijn hoofd, dat hij voor Hem neerboog. Hierdoor
werd de demon, Bali, een der grootste bhakta's
in de drie werelden. Tot op de huidige dag wordt
hij beschouwd als een van de twaalf
mahâjana's, de meest gezaghebbende
dienaren van Vishnu (tot wie ook Nârada en
Vyâsa worden gerekend).
Tekst
30
De beide Zoons van Vasudev'
Wonen in 't herdersdorp van Nand':
Hier heb je 'n wagen, haal Hen op
En breng Hen snel naar deze kant.
Tekst
31
De goden, Vishnu toegewijd,
Willen dat Krishna mij verslaat.
Breng Hem met alle herders hier
Met gaven in gepaste maat.
Kamsa
doet het voorkomen alsof Krishna een handlanger
van de goden is. Hij weet wel beter. Het feit
dat hij Krishna een mindere positie toeschrijft
moet worden beschouwd als een poging om zijn
angst voor Hem te bezweren.
Tekst
32
Zijn Z' eenmaal hier dan slaat Hun uur
Door toedoen van mijn olifant.
Zo niet, dan maken in een flits
Mijn worstelaars Hen wel kant.
Tekst
33
Als Vasudeva met de rest
Dan om Hen rouwt dood ik ook hen
Met alle Vrishni's, Bhoja's en
Dâshârhaka's aan mij bekend
Tekst
34
Mijn oude vader Ugrasen',
Die elke dag zijn troon zo mist,
En ook zijn broeder Devaka
En wie mij maar vijandig is.
Tekst
35
Dan heb ik d' aarde mooi bevrijd
Van al dat onkruid, best' Akrur
Jarâsandh' is mijn vader dan
En Dvivida bijna mijn broer.
Kamsa's
ellendige schoonvader Jarâsandha zal een
van Krishna's meest verbeten vijanden worden,
terwijl de apenhoofdman Dvivida een strijd op
leven en dood met Balarâma zal
voeren.
Tekst
36
Shambara, Narak' en ook Bân'
Zijn bondgenoten nu van mij:
De godenvrienden gaan eraan -
Mij is de wereldheerschappij!
Tekst
37
Je weet nu wat mijn plannen zijn.
Haal Râm' en Krishna gauw hierheen
Om Hun de weelde van de stad
En 't boog-offer te laten zien.
Akrura zei:
Tekst
38
O vorst, u heeft goed overdacht
Wat u kunt doen tegen de dood,
Maar blijf onthecht in wel en wee:
Niets valt ons toe buiten het Lot.
Tekst
39
Men streeft maar voort, al wordt men steeds
Gefnuikt door de Voorzienigheid,
En kent zo vreugd' en tegenslag
Maar goed - ik voer uw opdracht uit.
Shukadeva zei:
Tekst
40
Na zijn instructies aan Akrur'
Liet Kamsa zijn ministers gaan
En trok zich t'rug in het paleis -
En ook Akrur' ging daar vandaan.
(bron: S.B.
10.36)
|