|
Shukadeva zei:
Tekst
1
Toen 't goddelijk Tweetal van Kleuter Jongen
werd
Kreeg 'T allengs de zorg over 't grootvee
toevertrouwd.
Terwijl Ze 't geleidden, Hun vrienden om Zich
heen,
Verleenden Hun voetstappen heiligheid aan 't
woud.
Tekst
2
Met Bal' en de jongens, die zongen van Zijn
roem,
Begaf Zich Heer Mâdhava spelend op Zijn
fluit,
Belust op vertier door het bloemenrijke bos,
Zo heilzaam voor 't vee, met de koeien voor Zich
uit.
Tekst
3
't Gegons en gekwetter van bij en vogel daar
En 't strelen van koeltjes vol zoete lotusgeur
Van vijvers zo klaar als een ziel van zonden vrij
-
't Wekt' alles 't genoegen van d' alvervulde
Heer.
Krishna
spiegelt Zich in de heerlijkheid van de natuur,
die slechts een gering gedeelte vormt van Zijn
grenzeloze eigen glorie.
Tekst
4
Toen d' Opperheer overal woudreuzen zag
Wier takken met blaadjes en bloemen bevracht
De voeten beroerden van Sri Balarâm'
Sprak Hij tot Zijn Oudere Broer met een lach:
De
Alvervulde zei:
Tekst
5
Wat zalig toch, God, wat die bomen voor Je
doen!
Ze raken al off'rend Je lotusvoeten aan,
Beladen met bloesems en fruit, snakkend naar 't
eind
Van 't duister waarin z' al een eeuwigheid
bestaan.
Het
leven van een ziel in het stoffelijk omhulsel
van een boom speelt zich af in het duister van
tamas (onwetendheid).
Tekst
6
De bijen hier prijzen Je roem die de wereld
loutert
En eren allemaal Je voeten, o Alleroudste:
't Zijn wijzen, denk Ik, d' allereersten van Je
getrouwen,
Die J' alom volgen tot in 't hart van de diepste
wouden.
Tekst
7
De pauwen dansen in de rondte van pure
vreugde
Kokila's kwelen als ze Jou bij hun nest zien komen
De hinden strelen J' als de meisjes met tere
blikken
Gezegend deze bosbewoners - 't zijn louter
vromen!
Tekst
8
Gelukkig d' aarde met haar gras, dat Je voeten
aanraakt,
De groene ranken, die Je vingers steeds willen
vangen,
En dier en vogel, berg en stroom, die Jij
vriend'lijk aanziet,
De meisjes innig aan Je borst - Sri's intens
verlangen.
Balarâma
is niet veel ouder dan zeven. Dat de
dorpsmeisjes dan al innig aan Zijn borst liggen
laat zien hoe ze ernaar verlangen Hem hun
dienende liefde te schenken.
Shukadeva zei:
Tekst
9
Verrukt genoot Sri Krishna met
Zijn vrienden van mooi Vrindâvan',
De koeien hoedend langs de stroom
Nabij de heuvel Govardhan'.
Tekst
10
Nu eens, omgonsd door 'n bijenzwerm
Blind van de honing, gonsd' ook Hij
En alle jongens prezen Hem,
Omkranst, met Râma aan Zijn zij
Tekst
11
Dan weer, op 't gakken van een gans
Liet Hij Zich gaan in luid gegak
Of deed mee met een pauw die danst' -
En wie 'M zo zag lachte zich slap.
Tekst
12
Soms, met een donderzware stem,
Die iedereen versteld liet staan,
Riep Hij een afgedwaalde koe
Vol liefde bij haar eigen naam.
Tekst
13
Hij deed de kreten na van wulp,
Patrijs, rotgans en leeuwerik
En schreewde 't uit als een klein dier
Dat van een leeuw of tijger schrikt.
Tekst
14
Soms, tot verkwikking van Zijn Broer,
Die spelensmoe Zijn hoofd neerlei
Op schoot bij d' een' of d' and're vriend,
Wreef Hij Zijn voeten allebei.
Tekst
15
De herdersjongens zongen luid
En dansten, holden stoeiend rond.
Krishna en Râm' vuurden hen aan
En stonden lachend hand in hand.
Tekst
16
Moe van de strijd lag Krishna soms
Op een matras van scheut en loot
Tussen de wortels van een boom,
Zijn hoofd bij 'n herdertje op schoot.
Tekst
17
Enkele jongens kneedden daar
De voeten van die Grote Ziel,
Andere met een waai'rend blad
Schonken Hem koelte onderwijl.
Tekst
18
Weer andere zongen een lied
Van liefde smeltend, zoet en zacht,
Dat voor de Grote Ziel geschikt
En zeer weldadig werd geacht.
Tekst
19
Aldus in Zijn Staat door Zijn Mâyâ wel
verhuld,
Een koeherdersjongen in wandel en gedrag,
Genoot Hij, wiens tedere voeten Ramâ
streelt,
Zo dorps als 't maar kon - maar soms toonde Hij
Zijn
[macht.
Tekst
20
Drie herdertjes, genaamd Subal'
En Stokakrishna en Sridhâm',
Zeiden vol vriendenliefde tot
Govinda en Sri Balarâm':
De herdersjongens zeiden:
Tekst
21
O Râm', o vrees'lijk sterke Râm'
O Krishna, die de kwaden straft!
Er is een waaierpalmenbos,
Heel groot en zeker niet ver af
Tekst
22
Er vallen daar steeds vruchten neer -
Ze liggen overal verspreid
Maar ach, ze worden zwaar bewaakt
Door Dhenuka, die barst van nijd.
Het
achtste struikelblok op het bhakti-pad wordt
vertegenwoordigd door de ezel Dhenuka: de
dikkoppige leerling die niets begrijpt van de
betekenis van de heilige teksten en anderen
ervan probeert weg te houden. Een geleerde
commentator tekent hierbij aan: 'Zo'n stofbol,
die zich liever vastpint op de letter van de
nauwe begrenzingen van de schriftuurlijke regels
en daardoor geen oog heeft voor het
onconventionele pad der spontane liefde tot God,
laat zich al gauw niet meer onderscheiden van
mensen die de vruchten van hun wereldse
activiteiten najagen."
Tekst
23
Hij is een duivel van formaat
Maar ziet er als een ezel uit,
Omringd door ander' even sterk,
O Krishna, Râm' - een hele kluit!
Tekst
24
Bang voor die wrede moordenaar
Komt er geen mens meer in dat bos,
Geen vogelzwerm strijkt er meer neer,
Geen koe geniet er van het gras.
Tekst
25
Niemand heeft ooit zo'n vrucht geproefd.
Ze liggen er en geuren maar.
Ach ruik toch eens - die zoete geur
Drijft helemaal hierheen, niet waar?
Tekst
26
Die vruchten, Krishna, geef z' aan ons,
De geur ervan trekt ons zo aan!
We hebben er zo'n zin in, Râm'!
Kom, zullen we meteen maar gaan!
Een
bhakta neemt niets tot zich zonder het eerst aan
de Heer aan te bieden. Dat de jongens de
vruchten rechtstreeks voor zichzelf opeisen
lijkt dus nergens naar. Krishna moet hen er door
Zijn Yogamâyâ toe gebracht hebben
hun positie te vergeten, opdat Hij, die altijd
gediend wordt, Zelf dienen kan.
Tekst
27
De Heren gaven aan 't verzoek
Van al Hun makkers graag gevolg
En lachend trokken Ze naar 't woud,
Door alle herdertjes gevolgd.
Tekst
28
In 't bos nu schudde Balarâm'
De palmbomen uit alle macht
Als was Hij 'n jonge olifant -
En neer viel heel de vruchtenvracht.
Tekst
29
Het ezelmonster rende toe
Bij 't horen van al dat lawaai:
De hele aarde beefd' ervan
Met berg- en heuvelland erbij.
Tekst
30
Het ondier vloog op Bala aan,
Trapte de Heer zo hard het kon
Met d' achterpoten tegen 't hart
En sprong dolzinnig in het rond.
Tekst
31
Opnieuw stoof 't monster razend toe:
Het wierp zich in zijn aanval om
En wéér met d' achterpoten,
vorst,
Haalde 't woest uit naar Balarâm'.
Tekst
32
Die greep het bij de hoeven beet,
Slingerde 't rond als was 't een wiel,
Waarna Hij 't in een boomkruin smeet -
Van het geslinger al ontzield.
Tekst
33
De waaierpalm, door 't lijk geraakt,
Werd schuddend van de grond gescheurd,
Kraakt' om en raakt' een and're palm
En die weer 'n andere op zijn beurt.
Tekst
34
Tegen elkaar gesmakt door 't lijk
Zo monter weggemikt door Râm'
Beefd' elke waaierpalm alsof
Gegeseld door een heus' orkaan.
Tekst
35
't Was niets bijzonders voor Anant',
De Schrager van al wat bestaat,
Dat hecht met Hem verweven is
Als d' inslag met de scheringdraad.
Tekst
36
Zodra Dhenuka was gedood
Stormden zijn bloedverwanten saam
Door dolle woede overmand
Naar Krishna en naar Balarâm'.
Tekst
37
Het Tweetal nu pakt' in zijn vaart
Elk beest bij d' achterpoten beet,
Waarna 'T de monsters voor de pret
Dwars door de waaierpalmen smeet,
Tekst
38
't Lag overal bezaaid met fruit,
De lijken van het duivelspak
En palmkruinen en brokken tronk:
De grond leek wel een wolkendak.
Tekst
39
Bij d' aanblik van die goede daad
Strooide de hemelingenrij
Een bloesemregen naar omlaag
En zong en speelde voor de Twee.
Tekst
40
Sindsdien was er geen mens meer bang
Wanneer hij van het fruit genoot
En graasde 't vee weer in het woud
Waarin Dhenuka was gedood.
Tekst
41
Heil, al wie spreekt en hoort van Hem
Wiens ogen lotusblaadjes zijn:
Krishna! Naar Vraj' trok Hij weerom
Met Râm', geloofd door iedereen.
Tekst
42
Om Hem t' aanschouwen met dat hoevenstof in Zijn
lokken,
Die pauweveer, die wilde bloemen, die flemend'
ogen,
Die zoete fluit en al die zingende metgezellen,
Kwam elke gopi van het dorp gretig aangetogen.
Tekst
43
Als bijen dronken z' uit de lotus van Krishna's
schoonheid
Hoe pijnlijk voelden ze zich daag'lijks van Hem
gescheiden
Door hen geëerd met schucht're lachjes en
steelse blikken
Kwam Hij de kudd' in d' avondscheem'ring de kraal
in leiden.
Hier
blijkt Krishna, zoals eerder in dit hoofdstuk
Zijn één jaar oudere Broer, reeds
op zeldzaam prille leeftijd de verliefde
aandacht te trekken van de meisjes van het
gelukkige herdersdorp.
Tekst
44
Yashodâ en ook Rohini,
Dol op hun Zoons, gaven de Twee
Het heerlijkst' eten, al naar 't uur
En al naar d' Een of d' Ander 't zei.
Tekst
45
De moeheid van de tocht vlood heen
Door 'n bad en liefderijk gekneed:
Bloemen om en een geurtje op,
Zaten Ze hemels aangekleed.
Als
Godspersonen kennen de Jongens geen moeheid. Ze
wenden moeheid voor om Hun toegewijden de
vreugde te verschaffen Hen te kunnen
dienen.
Tekst
46
Door 't moederpaar heerlijk verwend
Smulden de Twee Hun maaltje op,
Kropen vervolgens fijn in bed
En sliepen zalig in het dorp.
Tekst
47
Zo dwaalde d' alvervulde Heer,
Krishna, door 't groen van Vrindâvan'
Eens, met Zijn vrienden zonder Râm',
Kwam Hij bij de Yamunâ aan.
Tekst
48
Verhit alsook door dorst gekweld
Dronken de jongens en het vee
Van 't koele nat van de rivier,
Dat evenwel vergiftigd bleek.
Tekst
49
Ze slurpten van het dood'lijk vocht,
Door 't lot van hun verstand beroofd,
En vielen toen langs de rivier
Als blokken neer, o Kuru-hoofd.
Tekst
50
Toen Hij hen zo zag liggen daar,
Wekte, alsof Hij hen begoot
Met nectar, Krishna d' Alvervuld'
Hen met Zijn blik op uit de dood.
Tekst
51
Zo keerde hun bewustzijn t'rug
En konden z' allemaal weer staan
En staarden z' aan de waterkant
Elkander ongelovig aan.
Tekst
52
Dat ze na 't drinken van 't vergift
In leven waren stuk voor stuk,
O vorst, schreven de jongens toe
Aan Dâmodar's genadeblik.
(bron: S.B.
10.15)
|