|
Brahmâ zei:
Tekst
1
'k Breng U mijn eer, O Herderszoon, met Uw tere
voetjes,
Uw regenwolkenblauwe huid en Uw glanzend pakje,
Uw prachtig kopje met die pauweveer en die
gunja's,
Uw bloemenkransen, stok en fluit en dat lekker
hapje.
Tekst
2
'k Ben wel de schepper, maar 'k begrijp niets van
Uw gedaante,
Die Gij mij zien laat ten bewijze van Uw
genade,
Hoe ik m' ook inspan! Z' is ontstegen aan d'
elementen
Hoe peil 'k Uzelf dan, die met vreugde bent
overladen
Tekst
3
Hoewel niet één in de drie sferen U
kan bevatten,
Schenkt U Zich vrij aan wie het streven naar 't
Zelf versmaden
En - need'rig luist'rend naar wat vromen van U
verhalen -
U thuis vereren in de geest en met woord en
daden.
Tekst
4
O Heer, al het goede komt voort uit U alleen.
Zij die U niet eren, hard zwoegend naar omhoog.
Ontvangen als loon slechts dat zwoegen en meer
niet,
Zoals wie leeg' aren dorst louter leegte oogst.
Tekst
5
Ooit waren hier yogi's, wier streven ijdel
bleek:
U wijdden z' hun werken en wat was 't
resultaat?
Toewijding to U, Heer, door 't horen naat Uw
Woord.
Aldus stegen z' op tot de meest verheven staat.
Tekst
6
Alleen als het Grote, Heer, is Uw heerlijkheid
Te kennen voor wie zich van 't stoffelijk'
onthecht:
Het manifesteert Zich in d' ongerepte geest
Door 'tgeen het Zelf uitstraalt en langs geen
and're weg.
Het
Grote, Brahman, is slechts te kennen langs de
via negativa: onthechting van al het
materiële. De persoonlijke elementen van
Krishna's heerlijkheid, die Brahman te boven
gaan, zijn alleen te kennen langs de via
positiva: bhakti.
Tekst
7
Kan iemand ze tellen: elk sprankeltje licht,
Elk druppeltje nachtdauw, elk korreltje zand -
Een raadsel blijft hem ieder' eigenschap van
De Vorm waarin Gij hier op aarde belandt.
Tekst
8
Wie gretig Uw zoete genade verbeidt,
De vrucht van zijn doen en zijn laten niet
acht,
Gedachten en woorden en daden U wijdt,
Krijgt deel aan de vrijheid die iedereen wacht.
Tekst
9
Oneindige, wat ben ik dwaas dat ik U,
Die elke begoochelaar 't donker in stuurt,
Uit puur machtsgenoegen begoochelen wou
Ik ben maar een vlammetje - Gij zijt het Vuur.
Tekst
10
Uit hartstocht verrezen, verblind door
duisternis,
Achtt' ik m' als geboortelooz' heer van het
heelal
Almachtig
Achyuta, schenk m' Uw
vergiffenis,
Zoals een goed meester zijn knecht vergeven
zal.
Tekst
11
Slechts zeven span in 't kosmisch ei met zijn tere
schalen
Van aarde, water, vuur en lucht, ether,
ahankâra
In 't niet zink ik bij U, door wiens poriën
miljoenen
Kosmische eitjes als atomen te voorschijn
varen.
Er
zijn ontelbare heelallen, die als
zweetdruppeltjes uit de poriën wellen van
Krishna's gigantische Godsdeel
Mahâ-Vishnu. Ze dijen uit, krimpen in en
gaan weer in de poriën terug - om opnieuw
te verschijnen, telkens weer. Onze hedendaagse
natuurwetenschap spreekt eveneens over een
uitdijend en krimpend heelal: dat is voor haar
na veel onderzoek een constateerbare
werkelijkheid gebleken. Dat het heelal, zoals
elk ander heelal, uit een goddelijke porie
verschenen is zal de wetenschap door haar
beperkte methoden van onderzoek uiteraard niet
kunnen constateren.
Tekst
12
O Heer, die de zinnen geheel te boven gaat,
De schopjes van 't kind in de schoot - wie vindt ze
erg?
En wàt is er, of 't zich nu voelen
laat of niet,
Dat Gij niet in 't diepst van Uw schoot ergens
verbergt?
Tekst
13
'k Heet wel d' ongeboor'ne, maar zeker, 'k
ontsproot,
Bij 't wereld-begin in de kolkende zee,
Aan Nârâyan's navel, die 'n lotus
ontsloot -
Dus ben ik Uw kind dan niet, Heer? Zeg niet
nee.
In
het oerwater in elk nieuw ontstaand heelal legt
Zich Nârâyana neer, een
Vishnu-godsdeel. Uit Zijn navel bloeit een lotus
open, waarin een Brahmâ blijkt te zitten,
die met de Veda-kennis, hem door
Nârâyana gegeven, aan het scheppen
tijgt.
Tekst
14
Zijt Gij niet Nârâyan'? Jazeker, als de
Ziel,
Getuig' en Beweger van iedereen, van al!
Nârâyan' zijt Gij: in het water
uitgestrekt -
En ook die gedaant' is alleen Uw toverspel
Tekst
15
Als nu die gedaante, die 't Al schraagt, daar
verwijlt,
Hoe kwam het dat ik haar niet zag daar
indertijd?
En waardoor verscheen ze me toen wèl in mijn
hàrt
En zag ik haar daarna niet wéér
zonder respijt?
De
lotus waarin Brahmâ zat ontvouwde zich
hoog boven Nârâyana in de diepste
duisternis. Pas na eindeloze meditatie ontwaarde
Brahmâ de Heer - in zijn hart.
Tekst
16
Verschenen als Krishn' openbaarde Gij eens,
Verdrijver van Mâyâ, het gans'
hemelrond,
In al zijn begoocheling zichtbaar alom,
O Heer, aan Uw moeder, compleet, in Uw mond.
Tekst
17
Zoals 't heelal en ook Uzelf
Zowel erbuiten als erin
Precies hetzelfde scheen te zijn -
Was dat niet Uw betovering?
Tekst 18
Toont Gij niet hoe de dingen, uitgezonderd U,
[louter
Uw toverspel zijn?
Eén waart Gij in 't begin, maar tóen
werd Ge opeens
[Vrienden
en Kalfjes - zoveel!
Daarna weer openbaarde G' U in evenveel
[Vishnu's,
geëerd ook door mij;
Tallooz' heelallen werd Ge toen - en daarna
weer:
[Brahman
alleen, onverdeeld.
Tekst
19
Voor hen die Uw wezen niet kennen zijt Gij
Slechts Algeest die alom Uw Mâyâ
ontspint;
Die schept via mij en bewaart als Uzelf
En daarna als Shiva de wereld ontbindt.
Tekst
20
Bij goden en zieners en mensen, ja zelfs
Bij dieren en lager, geboorteloze Heer,
Verschijnt Ge, de goeden tot zegen en heil,
De kwaden tot straf om hun dwaas eigen-eer.
Tekst
21
Wie weet, Alvervuld', o oneindige Ziel,
O Meester der yogi's, wanneer en ook waar
En hoe en hoe vaak G' in het Spel dat Ge speelt
Uw bovennatuurlijke macht openbaart?
Tekst
22
Zo komt het dat de hele kosmos, in feit'
onwerk'lijk,
Een bange droom vol diepe smart, die niet wil
bedaren,
Telkens verschijnend in Uw zalige
Zelfbewustzijn,
Door Uw betovering als werk'lijkheid wordt
ervaren.
Tekst
23
Ja, d' Ene zijt Gij, Heer, d' oorspronk'lijke
Persoon,
De Waarheid, het Licht Zelf en d' Eerst' en ook
algroot,
Onwankelbaar vreugdevol, eeuwig ongerept,
Volkomen, ondeelbaar, ontstegen aan de dood.
Tekst
24
Zij die U zo zien, als het Zelf van iedereen,
Het Zelf van zichzelf, dankzij 't licht verkregen
van
De zon van hun leraars klaar Vedisch
onderricht,
Ontstijgen daardoor aan d' ellende-oceaan.
Tekst
25
Voor wie U niet kent als het Zelf van het
heelal
Is 't werk'lijk en echt op onwetendheids gezag
Terwijl het door kennis die indruk niet meer
wekt,
Zoals een stuk touw dat men voor een slang
aanzag.
Tekst
26
Gevangenschap hier en verlossing hieruit -
't Zijn woorden van blindheid, zinledig en dom.
In 't licht van het Zelf, zo onfeilbaar en
klaar,
Zijn zij als de dag en de nacht voor de zon.
Brahmâ
beschouwt het streven naar verlossing (mukti)
als duisternis vergeleken bij het licht van
liefdevolle overgave aan het Zelf in de
persoonlijke gedaante van Krishna
(bhakti).
Tekst
27
Men ziet U niet als 't Hoogste Zelf
En ziet zichzelf slechts als zijn lijf.
Zo kijkt men over alles heen!
Zo staat men steeds van domheid stijf?
Tekst
28
Een wijz' is onthecht van de schijn buiten zich
En kijkt in zichzelf of hij U daar niet vindt:
Hoe kan zelfs een wijze 't stuk touw zien als
touw,
Als hij niet de slang eerst als schijn
onderkent?
Tekst
29
Toch kent alleen iemand die 'n sprankje slechts
ontvangt
Van 't goddelijk heil van Uw lotusvoetenpaar,
O Heer, Alvervuld', Uw volkomen heerlijkheid -
Niet iemand die eenzaam altijd naar binnen
staart.
Tekst
30
O Meester, schenk mij het geweldig geluk
Dat 'k eens in een leven, het geeft niet hoe
laag,
Als één van de zielen aan U
toegewijd
Uw tedere voeten vertroetelen mag.
Tekst
31
Gezegend de koeien en vrouwen van Uw dorp,
Wier nectarmelk Gij als hun Kalf of als hun
Kind,
Almachtige God, zo verrukt ontvangen hebt
Geen offer waarvan U zó'n blijdschap
ondervindt!
Tekst
32
Wat een geluk! Wat een geluk!
De Hoogste Vreugd' is ieders Vriend
In Vraja, Nanda's herdersdorp -
't Volkomen Brahman zonder eind
Tekst
33
Maar zwijg ik even van 't geluk dat zij mogen
smaken
Ook wij als goden van de zinnen zijn zeer
gezegfend,
Want door de zinnen van de inwoners van Gokula
Drinkt elk van ons Uw voetennectar met volle
teugen.
Tekst
34
Als ik als laagste aller schepselen word
geboren
Hier in Gokul' - wat een geluk! Want ik zal me 'r
baden
In 't voetenstof van iedereen die slechts leeft
voor Krishna
Het voetenstof waarom de Veda's nog altijd
bidden!
Tekst
35
'k Sta versteld als ik denk aan 't heil waaronder
Gij
[
heel 't herdersdorp daad'lijk bedelft,
Waarin ieders gemoed en lichaam en elk huis,
[
iedere vriend, elke zoon
Slechts gewijd zijn aan U, de Som van alle goed
[schenkt
Ge t soms méér dan Uzelf,
Gezien 't feit dat die Putanâ Uzelf al
kreeg
[
louter door liefdesvertoon?
Tekst
36
Geestdrift is niet meer dan een dief,
Het hiuis slechts een gevangenis
En hunkering een kluister, Heer,
Zolang men niet Uw dienaar is.
Tekst
37
Als Velen doet Gij U hier voor
Hoewel Ge louter d' Ene zijt,
Opdat Uw dienaars zwemmen in
Steeds groter gelukzaligheid.
Tekst
38
Wie denkt dat hij U kent, laat hij
Maar denken - wàt hij ook beweert!
Uw heerlijkheid gaat èn mijn spraak
Èn mijn verstand te boven, Heer!
Tekst
39
O Gij die alles weet en ziet,
O Krishna, laat me nu dan gaan.
De Heer der wereld zijt slechts Gij:
Ik bied U haar als offer aan.
Tekst
40
Sri Krishna, Gij verblijdt de lotus van 't huis van
Vrishni
En laat de wereld, goden, priesters en 't vee
floreren!
Demonenvijand, Gij verdrijft het onzalig
duister!
O Alvervuld' en Aleerwaardige, laat m' U eren!
Shukadeva zei:
Tekst
41
Toen Brahmâ Hem zo had geloofd
Schreed hij driemaal om Krishna rond,
Viel d' eindeloze Heer ten voet
En ging naar zijn planeet weerom.
Tekst
42
Daarna bracht Krishna 't kalverspul,
Dat zich weer zoals eerst liet zien,
Naar d' oever, waar de vriendenschaar
Te eten zal zoals voordien.
Tekst
43
Hoewel een heel jaar was vergaan -
Met Krishna mijlen uit de buurt! -
Leek het door Zijn betovering
Alsof 't maar even had geduurd
Tekst
44
Wat zijn de wereldlingen blind,
Verdwaasd door Mâyâ als ze zijn,
Want iedereen in het heelal
Vergeet zichzelf door al die schijn!
Tekst
45
Zijn vriendjes zeiden: "O wat fijn,
Krishna, wat ben Je gauw weer t' rug!
Kom zitten en eet lekker mee!
We zijn niet eens begonnen nog!"
Tekst
46
De Meester aller zinnen lacht'
En at er flink met hen op los
Naar Gokul' onderweg liet Hij
Hun 't slangelijf nog zien in 't bos.
Tekst
47
Getooid met bloemenkrans, rivierklei en
pauweveren,
De kalv'ren meelokkend met fluit, hoorn en jolig
zingen,
Terwijl Zijn vriendjes Hem in koor louter eer
toezwaaiden,
Kwam Hij, een feest voor 't oog der gopi's,
Gokula binnen.
Tekst
48
"Vandaag heeft deze Zoon van Nand'
En Yashodâ ons allemaal
Behouden en een slang gedood!"
Riepen de jongens overal.
Parikshit zei:
Tekst
49
Ach heer, leg m' uit hoe Krishna toch -
Hij was niet eens hun eigen Kind! -
Nog warmer dan hun eigen kroost
Door Vraja's ouders werd bemind.
Shukadeva zei:
Tekst
50
O koning, ieder schepsel houdt
Gewoonlijk van zichzelf het meest
En ook wat van zijn kind en goed
Omdat het er een band mee heeft.
Tekst
51
't Gevoel voor kind of goed zit bij
'n Belichaamd' evenwel geenszins
Zo diep als zijn grof zelfgevoel:
Wat eigendom ziet hij 'r slechts in.
Tekst
52
Doorluchte vorst, voor mensen die
Zichzelf louter als lichaam zien
Is dat hun altijd liever dan
Allen die er verwant mee zijn.
Tekst
53
Maar ziet men 't lijf slechts als bezit
Dan is 't lang niet zo'n dierbaar ding,
Terwijl men al was 't nog zo oud,
Voordien aan 't leven ervan hing.
Tekst
54
De ziel die in het lichaam woont
Is elk uiteindelijk het liefst:
Daarom slechts heeft men wat zich rept
En roert in deze wereld lief.
Tekst
55
Ken nu Heer Krishna als de Ziel
Van alle zielen die er zijn,
Die door Zijn macht, iedeer tot heil,
Schijnbaar belichaamd hier verschijnt.
Krishna
is "schijnbaar belichaamd", want de gedaante die
hij laat zien is niets dan Ziel. Hij kent geen
omhullende vorm, want Hij ìs Zijn
Vorm.
Tekst
56
Wie Krishna waarlijk kent beseft
Dat alle dingen wijd en zijd
Louter uit d' Alvervulde zijn:
Er is geen and're werk'lijkheid.
Tekst
57
Het wezen immers van elk ding
Ligt in zijn oorzaak en zijn grond,
En d' Alvervulde, Krishna, is
De grondoorzaak van 't wereldrond.
Tekst
58
Wie zich aan Murâri's pril-tere voeten
hecht,
Die toevlucht der vromen, van onbevlekte faam -
Voor hem slinkt d' ellendezee tot een
kalfshoefprent:
Hij kent Krishna's Woning, zijn leed heeft
afgedaan.
Tekst
59
Dit was mijn antwoord op uw vraag
Hoe 't kwam dat wat in 't vijfde jaar
Van Krishna's leven was gebeurd
Pas in Zijn zesde werd verklaard.
Tekst
60
Wie hoort of verhaalt van de daden en 't
vermaak
Van Krishn' en Zijn vrienden, het doden van de
slang,
Het eten in 't groen en 't onwerelds Vormenspel
En 't loflied van Brahmâ, krijgt al wat hij
verlangt.
(bron: S.B.
10.14)
|