|
Shukadeva zei:
Tekst
1
O vorst, bij 't horen van 't lawaai
Van 't omdonderend bomenpaar
Schoten de herders ijlings toe -
Was dat een blikseminslag daar?
Tekst
2
D' arjuna's lagen naast elkaar
In volle lengt' in Vraja's gras:
De herders snapten niet hoe 't kon
Hoewel d' Oorzaak vlak vóór hen
zat.
Tekst
3
Hij was 't - het Ventje met het touw
Gebonden aan het vijzelblok.
"Wat voor mirakel
?" "Wie heeft hier
?"
"Dreigt er gevaar?" vroeg men geschokt.
Tekst
4
Wat jongens zeiden: " 't Komt door Hem!
Krishna trok met dat zwaar blok hout
Die bomen in één ruk omver!
Toen kwamen er twee mannen uit!"
Tekst
5
Sommigen wilden daar niet aan:
"Dat kan niet dat een Joch als Hij
Bomen ontwortelt - kinderpraat!"
And'ren stonden er twijf'lend bij.
Tekst
6
Toen Nanda daar zijn kleine Zoon
Zo stevig vastgebonden zag
Aan 't grote stampblok uit zijn huis
Bevrijdde hij Hem met een lach.
Shukadeva vervolgde:
Tekst
7
't Gevlei der gopi's dreef Hem aan -
Hij leek hun marionet, de Heer -
Zo hard te zingen als Hij kon
Of lief te dansen op en neer.
Tekst
8
Als men 't 'M vroeg bracht Hij een krukj'
Of maatkom of een klepperpaar;
Soms maaide Hij - 't vrouwvolk genoot -
Met d' armpjes als een worstelaar.
Tekst
9
Terwijl Hij zo bekend' en vriend
Laat zien hoe Hij Zijn dienaars dient
Bracht d' Alvervulde Vraja in
Verrukking met Zijn Spel als Kind.
Tekst
10
"Fruit! Fruit!" klonk het een keer - en met
Een handje rijst ging op een draf
D ' Onfeilbare, bij wie al 'fruit
Vandaan komt, op de koopvrouw af.
Tekst
11
Ze vulde Zijn twee handjes klein,
Waarin geen rijstkorrel meer lag,
Met mooie vruchten, waarop zij
Haar fruitmand vol juwelen zag.
Tekst
12
Eens na 't geval met de arjun's
Liep Rohini naar de rivier
Waar Krishn' en Râm' en d' anderen
Dansten en lachten van plezier.
Tekst
13
De Twee wilden niet mee naar huis,
Zo waren Ze door 't spel bezield.
Toen zond Rohini Yashodâ,
Die innig van de Jongens hield.
Tekst
14
Ze riep haar Zoontje, dat zo laat
Met alle jongens op een hoop
Aan 't spelen was, terwijl de melk
Van liefde uit haar borsten droop.
Yashodâ
zei:
Tekst
15
Krishna, Krishna, mijn Lotusoog,
Je krijgt de borst, kom, mijn Juweel!
Je bent nu uitgehongerd - stop!
Je bent doodmoe van dat gespeel!
Tekst
16
Ach lieve Râm', Bloem van ons huis,
Kom gauw en neem Je Broertje mee.
Toe dan, want J' at vanochtend vroeg
Voor 't laatst - dat is te lang gelee!
Tekst
17
De heer van Vraja wacht op Jou,
O Dâshârha, klaar voor zijn maal.
Gauw, doe ons een plezier en laat
De jongens huisgaan allemaal!
Tekst
18
Vandaag schijnt Je geboortester:
Geef de brahmanen koeien, Zoon.
Maar Je zit onder 't stof, dus eerst
In 't water, maak Je netjes schoon.
Tekst
19
Kijk eens hoe jullie vriendjes daar
Gebaad zijn en fris aangekleed.
Dus eerst in bad en eerst Je maal,
Dan speel Je weer mooi met ze mee.
Shukadeva
zei:
Tekst
20
Door liefd' overstelpt zag ze Hem die 't Al
bekroont,
Sri Krishna, d' Onfeilbare, als haar eigen Uk.
Ze nam Hem met Râma bij 't handje mee naar
huis
En deed wat ze 't beste kon doen voor Hun
geluk.
Yashodâ
wil de Schenker van het geluk geluk schenken.
Zou ze weten dat Krishna God is, dan zou ze
slechts in aanbidding voor Hem neer kunnen
vallen. Door Zijn Yogamâyâ houdt Hij
Zijn goddelijkheid verborgen, zodat ze Hem als
haar eigen Kind kan vertroetelen.
Yashodâ's moederliefde doet Krishna meer
dan de aanbidding van tempels en kerken en
moskeeën vol gelovigen.
Tekst
21
Na d' ongevallen in het bos
Kwamen d' oudere herders saam
Met Nand' om t' overleggen hoe
Het verder met Gokul' moest gaan.
Tekst
22
Als eerste sprak Oom Upânand' -
Geen was zo oud en wijs als hij -
Met al zijn kennis slechts bedacht
op Krishn' en Râma's veiligheid.
Hoewel
Upânanda en de herders door Krishna werden
beschermd, wilden zij Krishna beschermen.
Upânanda
zei:
Tekst
23
Als wij 't goed menen met Gokul'
Moeten we weg van deze plek:
De Jongens worden steeds bedreigd
Door 't onheil dat zich hier voltrekt.
Tekst
24
Een wonder was het dat dit Kind
Ontkwam aan dat moordlustige wijf!
En Hari's gunst was 't dat die kar
Niet neerkwam op Zijn kleine lijf!
Tekst
25
En in de lucht geslingerd door
Die duivel van een wervelwolk
Had Hij geluk: het monster werd
Vernietigd door het godenvolk.
Tekst
26
En dat die bomen in hun val
Hem niet verpletterden tot pulp
En dat geen ander kind verging
Komt louter door Achyuta's hulp.
Tekst
27
Kom, voordat er een ramp geschiedt,
Waarop zo menig teken wijst,
Ter wille van de Jongetjes
Snel allemaal van hier gereisd!
Tekst
28
Er is een bos, 't heet Vrindavân',
Vol mooie plekjes, puik voor 't vee
En prachtig voor het herdersvolk,
Met heuvelland en groene wei.
Tekst
29
Kom laten we vandaag nog gaan,
Maak dadelijk de karren klaar
En stuur de koeien voor ons uit -
Of hebben jullie soms bezwaar?
Shukadeva zei:
Tekst
30
De herdersraad riep eensgezind:
"Mooi opgelost! Mooi opgelost!"
Elk dreef zijn vee bijeen en had
Zijn kar al spoedig volgetast.
Tekst
31
Met vrouw, kind, grijsaards, haav' en goed
Geladen op de karrenrij
Trokken de herders weg, o vorst -
Ze liepen er gewapend bij.
Tekst
32
Ze bliezen krachtig op hun hoorns
Achter de lange koeienstoet.
Door de brahmanen begeleid
Gingen z' in dichte drom te voet.
Tekst
33
Hun borsten vers bepoederd, rood,
Zongen de herderinnen blij,
Met goud omhangen, fraai gekleed,
Van Krishna's Spel in bos en wei.
Tekst
34
De moeders, jong en hemelschoon,
Zaten met Krishn' en Balarâm'
Tezamen op één ossekar
En lieten zich geen woord ontgaan.
Tekst
35
Bij aankomst in mooi Vrindâvan',
Waar 't zalig is in elk seizoen,
Plaatsten de herders van Gokul'
De karren in een halve maan.
Tekst
36
Toen nu de blik van Krishn' en Râm'
Viel op de heuvel Govardhan'
En de Yamunâa, kregen Ze
Er tranen in Hun ogen van.
Tekst
37
Terwijl het volk van Vraj' genoot
Van Hun gebrabbel en gedoe
Kwamen de Jongens als vanzelf
Aan 't hoeden van de kalfjes toe.
Tekst
38
Op korte afstand van het dorp
Met and're jongens net als Zij
Aan 't spelen, lieten Z' onderwijl
De kalfjes grazen in de wei.
Tekst
39
Ze bliezen wijsjes op Hun fluit
Of schoten met een katapult.
Met rink'lend' enkelbelletjes
Voetbalde 't Tweetal Zich een bult.
Tekst
40
Ze speelden koetj' en met geloei
Bestookten Z' iedereen als stier.
Net mensenkind'ren, deden Ze
't Geluid na van haast ieder dier.
Tekst
41
Toen weer zo eens langs de rivier
De kalverkudde werd gehoed
Sloop Krishnaatj' en Zijn vriendenschaar
Een moordziek monster tegemoet.
Tekst
42
Toen 't Kereltje 't als kalf vermomd
Onder de kalveren zag gaan
Liet 'T met een wenk aan Râm' alsof
Het niets vermoedd' op 't ondier aan.
Het
kalf vertegenwoordigt het vierde struikelblok op
het geestelijk pad, namelijk dat van de
onbezonnenheid waarmee een jeugdige of prille
leerling de aanwijzingen van de geestelijk
leraar in de wind kan slaan.
Tekst
43
Daar greep d' Onfeilb're 't monsterbeest
Ineens bij staart en achterpoot
En wierp 't in een wild' appelboom,
Waardoor de ziel het lijf ontvlood,
En met de vruchten viel het neer,
Niet meer als kalf maar reuzengroot.
Tekst
44
Het jongensvolkje stond verbaasd
En riep toen lovend: "Goed gedaan!"
De goden strooiden bloesems neer,
Een hele wolk, innig voldaan.
Tekst
45
Deze twee Herders van 't heelal
Zwierven als Herdersjochies rond,
De kalv'ren hoedend van het dorp,
Met in een korfj' Hun proviand.
Tekst
46
Toen alle jongens op een dag
Bij 'n meertje kwamen in het bos
Drenkt' elk zijn eigen kalverstoet
En leste daarna zelf zijn dorst.
Tekst
47
Daar zagen ze 'n reusachtig ding,
Een rotspiek haast, die was geveld
Door 'n bliksemschicht en omgesort.
Het jongensvolkje schrok zich wild.
Tekst
48
't Was Baka, 'n reuzenkraanvogel,
'n Enorme demon, die daar stond,
En met zijn felle sneb ineens
Krishna van top tot teen verslond.
Baka
vertegenwoordigt het vijfde struikelblok op het
bhakti-pad, namelijk dat van de schijnheiligheid
van iemand die weet dat hij nog niets bereikt
heeft maar die toch zijn hoofd in de lucht
steekt alsof hij al lang boven zijn
medeleerlingen uit is gegroeid. (Een kraanvogel
staat eindeloos op één been als
een yogi, maar is in tegenstelling tot de asceet
voortdurend op zingenot gespitst.)
Tekst
49
Toen alle herdertjes en Râm'
Krishna zo zagen opgeslokt
Raakten ze zwaar van streek zoals
De zinnen wanneer d' adem stokt.
Tekst
50
Het Herdertje, Heer van de heer van 't gans'
heelal,
Verzengde de râkshas' als laaiend vuur de
strot:
Meteen braakte 't ondier Het ongeschonden uit,
Maar woest kwam het weer op het Kereltj'
aangestormt.
Tekst 51
De Meester der vromen greep d' open vogelsneb
Van boven en onder en reet het beest in twee
Alsof het een strootje was
Heel de
jongensschaar
Stond paf en het godenvolk was volmaakt tevree.
Tekst
52
De Vijand van Baka werd nu door 't hemelvolk
Bestrooid met jasmijn en met hoorn en pauk en
trom
En lofzangen heerlijk geprezen en geëerd -
De koeherdersjongens die 't zagen stonden stom.
Tekst
53
Toen Hij bij Zijn vriendjes kwam, uit de muil
verlost,
Leek 't of een gestorven' opeens weer adem
haald':
Als één man omhelsden ze Krishna,
vrij van angst,
En brachten het vee thuis en deden hun verhaal.
Tekst
54
Verbluft en vol gengenheid
Dronken herder en herderin
Alsof Hij t'rugkwam uit de dood
Govinda met hun ogen in.
De herders zeiden:
Tekst
55
O wee, wat deze Jongen niet
Door doodsvijanden is belaagd!
Maar zij draaien nu zelf mooi op
Voor d' angst aan and'ren aangejaagd.
Tekst
56
Als zien z' er nog zo grimmig uit,
Geen is er die Hem doden kan:
Ze stormen aan, maar komen om
Als kleine muggen in een vlam.
Tekst
57
Ach, wat een Brahman-kenner zegt
Is t' allen tijde waar en juist:
Wat d' alvervulde Garga zei
Komt allemaal precies zo uit.
Shukadeva zei:
Tekst
58
Terwijl het herdersvolk met Nand'
Maar doorsprak over Krishn' en Râm'
Ervoer 't in zijn geluk geen zier
Van 't leed van 't stoffelijk bestaan.
Tekst
59
Zo ging Hun kindertijd in Vraj'
Voorbij met allerlei vermaak:
Dammen bouwen, verstoppertje
En lekker dollen als een aap.
(bron: S.B. 10.11)
|