De Alvervulde zei:
Tekst
1
Wat je me zegt, gezegende,
strookt met Mijn wens, en ook Brahmâ,
S'iv' en de wachters van 't heelal
willen dat Ik naar Huis terugkeer.
Vlak
vóór deze woorden van Krishna
heeft Uddhava erop gezinspeeld dat het uur
van Krishna's terugkeer naar Zijn Woning
nabij is.
Tekst
2
Wat Ik voor 't godenvolk moest doen
heb Ik ten einde toe volbracht
nadat Ik op Brahmâ's verzoek
op aarde hier was neergedaald.
Op
verzoek van Moeder Aarde, Brahmâ en de
goden was Krishna op aarde verschenen om Zijn
dienaars te beschermen, de demonische
krachten te verdelgen en de universele
religie in eer te herstellen.
Tekst
3
Vervloekt zal deze dynastie
door onderlinge strijd vergaan;
en over zeven dagen zal
de stad verzinken in de zee.
Krishna
was op aarde neergedaald als Telg van de
Yadu-dynastie, waarvan de leden
geïncarneerde hemelingen waren, die Hem
bij de uitvoering van Zijn goddelijke taak
dienden bij te staan. Nu Zijn taak volbracht
was en Hij op het punt stond terug te keren,
konden ook zij de aarde verlaten. Hun vertrek
voltrok zich in het kader van een ruzie als
gevolg van een schijnbare vervloeking. De
ruzie diende ertoe dat ze elkaar van hun
aardse lichaam konden afhelpen, zodat ze hun
hogere dimensie weer konden binnengaan. De
stad die ze met Krishna bewoond hadden,
Dvârakâ, voor de westkust van het
huidige India, kon vervolgens in zee
verzinken.
Tekst
4
Zodra Ik haar verlaten heb
zal de aarde, van geluk beroofd,
o zuivere, in korte tijd
door Kali worden overmand.
Door
de kosmos wentelt een tijdsspiraal waarin
vier kosmische tijdvakken elkaar steeds
opvolgen. Het vierde en ellendigste heet
Kali, een term geassocieerd met de
één-kant van een dobbelsteen:
de verlieskant. Kali is identiek aan verval
en ondergang. Wij leven nu in zo'n
Kali-tijdperk. Het is in het jaar 3102 v.
Chr. begonnen, vrijwel onmiddellijk na
Krishna's heengaan van de aarde, en zal in
totaal, zoals elke Kali-tijd, 432.000 jaar
duren. (Men hoort sommige bronnen wel over
ons huidige Kali spreken alsof het binnenkort
afgelopen zal zijn om door een stralend Satya
te worden opgevolgd. Deze tijdrekening stemt
echter niet met de Vedische overeen.)
Tekst
5
Wanneer Ik heengegaan zal zijn,
Mijn beste, blijf dan ook niet hier,
want in het Kali-tijdperk zal
ieder slechts neigen naar het kwaad.
Tekst
6
Bevrijd je van gehechtheid aan
familiekring en vriendenschaar
en ga dan, alom eenheid ziend,
op Mij gericht, de wereld rond.
Gehechtheid
aan materiële relaties houdt de ziel via
het lichaam vast in de stof. Gehechtheid aan
spirituele relaties verlost haar. Wie omgeven
is door een puur spirituele familiekring en
vriendenschaar heeft geen enkele reden om
zijn geestelijk heil elders te zoeken.
Tekst
7
Weet dat hetgeen op aarde door
geest, spraak en de vijf zintuigen
wordt onderscheiden vluchtig is,
begoocheling, verbeelding slechts.
Tekst
8
Een onvereende maakt verschil,
waant hier iets goed en dáár iets
kwaad
en denkt: 'Díe handelt zoals 't moet;
díe handelt niet; díe handelt
fout.'
Tekst
9
Beteugel geest en zinnen dus
en zie de wereld in het Zelf,
dat Zich alom ontvouwt, en zie
het Zelf in Mij, de Almachtige.
Het
alomtegenwoordige en aldoordringende Zelf
gaat uit van Krishna, die Zichzelf in de
Bhagavad-gîtâ purushottama noemt:
de Hoogste Persoon (15.17-19). (Zowel voor
het Zelf in de zin van de Alziel of Opperziel
als voor het zelf in de zin van de
individuele ziel gebruikt de grondtekst het
woord âtmâ. Aangezien het
Sanskriet geen hoofdletters en kleine letters
kent, dient de vertaler steeds uit het
tekstverband op te maken welke van beide
wordt bedoeld.)
Tekst
10
In staat van kennis weldoorleefd
voelt men zich met elk schepsel
één,
van innerlijk geluk vervuld
en van belemmeringen vrij.
Tekst
11
Wie van de tweeheid is verlost
vermijdt geen kwaad, denkend van 'fout'
noch doet hij goed, denkend van 'juist',
maar handelt als een spelend kind.
Tekst
12
Vreedzaam en ieder welgezind
in staat van zelfverwerkelijking,
ziet hij 't heelal van Mij vervuld
en keert niet tot de rampspoed weer.
S'uka zei:
Tekst
13
Toen de Alvervulde Heer aldus
gesproken had tot Uddhava,
o vorst, boog deze voor Hem neer
en zei, slechts op de waarheid uit:
Uddhava zei:
Tekst
14
O Gij, die de verbinding schraagt,
omvat, bezielt en openbaart,
slechts voor mijn bestwil wijst Gij mij
sannyâsa, het verzakingspad.
Het
woord 'verbinding' in dit vers vertaalt de
primaire betekenis van het grondwoord yoga,
dat volgens V.S. Apte's Sanskrit English
Dictionary pas op de 28ste plaats 'yoga'
betekent in de alhier meest gangbare zin van
meditatie in bepaalde zithouding.
Tekst
15
Maar die verzaking, Ziel van al,
lijkt mij voor 'n zinsbevrediger
haast onbegonnen werk, o Heer,
vooral wanneer hij U niet dient.
Tekst
16
Dwaas die ik ben, zie ik dit lichaam en zijn
verwanten,
niets dan Uw mâyâ, als 'mijzelf' en
'mijn eigen mensen'.
Laat mij, Uw dienaar, Alvervulde, van U
vernemen
hoe ik Uw onderricht het simpelst kan
praktizeren.
Tekst
17
Ú zie ik slechts &endash; en niet
één god &endash; die me heel de
waarheid
van 't stralend Zelf, dat uit Zichzelf is, kan
onderwijzen.
Want ieder wezen in de stof tot en met Heer
Brahmâ
gaat op in uiterlijke schijn, door Uw macht
begoocheld.
Tekst
18
Daarom, o Heer, o Alvolmaakte, o Eindeloze,
alwijs verwijlend in Uw Oord, waar geen hinder
doordringt,
Nârâyana, o Vriend der zielen,
schenk mij Uw toevlucht &endash;
'k ben uitgeput van deze wereld met haar
ellende!
Deze
woorden van Uddhava herinneren aan de woorden
gesproken door Arjuna aan het begin van de
Bhagavad-gîtâ (2.5-8). Ook hij
verklaart zich onwetend en ziet Krishna als
de enige die hem kan verlichten. Pas nadat de
leerling zich hulpeloos voor de leraar heeft
verootmoedigd, zal deze hem de heilige kennis
mogen onderwijzen.
De Alvervulde zei:
Tekst
19
Wie 't materieel bestaan doorziet
bevrijdt zich vaak door zijn verstànd
van het onzalig hunkeren
naar loze zinsbevrediging.
Tekst
20
Zo is een schrander mens zichzelf
tot leraar doordat hij op grond
van wat hij waarneemt en beschouwt
kan nagaan waar zijn voordeel ligt.
Tekst
21
Wie nu als mens tot kalmte komt
en weet wat onderscheiden is
die zal Mij rechtstreeks voor zich zien
in het bezit van al Mijn macht.
Tekst
22
Eénpotig of met twee, drie, vier
of nog meer poten of niet één
&endash;
veelvormig zijn de schepselen:
van hen is Mij de mens het liefst.
Tekst
23
Als mens zoekt de vereende Mij,
die onwaarneembaar ben voor 't oog,
geleid door 't navorsend verstand
dat afgaat op wat Mij typeert.
Onder
de honderdduizenden levensvormen leent de
menselijke zich het best voor het bereiken
van zelfverwerkelijking. In de lagere vormen
ontbeert de inwonende ziel het nodige
verstand om de heilige kennis te begrijpen;
terwijl in de hogere levensvormen, zoals van
'goden' en 'lichtwezens', die over een ruime
mate van verstand beschikken, een zekere mate
van zelftevredenheid het nederig geestelijk
voortgaan van de ziel bemoeilijkt.
Tekst
24
men haalt hier graag het voorbeeld aan
van 't oud verhaal van het gesprek
dat Koning Yadu &endash; geen zo sterk!
&endash;
eens met een avadhûta had.
Tekst
25
Religiekenner Yadu zag
hoe een brahmaan, geleerd en jong,
als avadhûta vrij van angst
overal rondzwierf en hij vroeg:
Met
de term avadhûta betitelt men een
heilige zwerver, die van alle zowel profane
als religieuze conventies vrij is en
ongewassen, in lompen, met al maar
doorgroeiend haar en soms spiernaakt en
daarom door onwetenden nu en dan beschimpt en
gemolesteerd, over de aarde gaat,
zelfvergeten, van goddelijke extase
vervuld.
Yadu zei:
Tekst
26
Hoe komt u aan zulk diep begrip,
brahmaan, dat u van taken vrij
verlicht langs alle wegen dwaalt
als was u een rondspelend kind?
Met
brahmaan wordt hier bedoeld: iemand die
eenheid met Brahman ervaart.
Tekst
27
De mens is doorgaans bezig met
vroom werk, verdienen, zingenot
en kennis opdat hij maar lang
in eer en welstand leven mag.
Tekst
28
Terwijl u schrander, zoetgevooisd,
geleerd, wijs, welgeschapen bent
voert u niets uit en streeft niets na
als een onnozele of een geest.
Tekst
29
Elk mens vergaat in 't brandend bos
van zijn begeerte en lust; maar u
blijft ongedeerd en vrij zoals
een olifant in 't Gangesnat.
Tekst
30
Ik vraag u nu, brahmaan, zeg mij:
waaruit komt die vervoering voort
waardoor u vrij van zingenot
geheel alleen door 't leven dwaalt?
De Alvervulde zei:
Tekst
31
Op dit eerbiedige verzoek
van Yadu, vriendelijk en wijs,
zei de gelukkige brahmaan
met nederig gebogen hoofd:
De brahmaan zei:
Tekst
32
Ik heb mijn heil gezocht, o vorst,
bij vele leraren, van wie
ik 't licht ontving dat me verlost
doet ronddwalen
Hoor wie het zijn.
Tekst
33
De grond, de berg, de wind, de lucht,
water en vuur en maan en zon,
de duif, de python, de oceaan,
de mug, de bij en de olifant
Tekst
34
De honingdief, het hert, de vis
en Pingalâ en de adelaar,
de maagd, de pijlsmid en de slang,
de spin en tot besluit de wesp.
Tekst
35
Dat zijn mijn leraren, o vorst,
de vierentwintig bij wie ik
mijn heil mocht zoeken en door wie
ik nu het Zelf volkomen ken.
Tekst
36
O zoon van Koning Nâhusha,
o mensentijger, hoor nu toe
terwijl ik u vertel wat ik
van ieder van hen heb geleerd.
Tekst
37
Bedaardheid, ook indien getergd,
omdat ik weet dat al wat leeft
door lotsbestemming wordt geleid,
dat heb ik van de grond geleerd.
Tekst
38
Voor anderen steeds klaar te staan,
dat leert een heilige van de berg;
en van de boom leert hij hoe hij
zijn gaven aan een ander wijdt.
Tekst
39
De wijze zij voldaan slechts met
het naakt bestaan, zonder genot,
opdat zijn kennis helder blijft
en niets zijn geest en spraak verwart.
Tekst
40
Hoewel omgeven links en rechts
door zinsobjecten goed en kwaad,
hechte de spiritualist
zich aan niet één, zoals de
wind.
Tekst
41
In lijf na lijf van stof gemaakt,
waarvan hij de invloed ondergaat,
blijve de wijze daarvan vrij
als lucht waarin geen geur beklijft.
Tekst
42
De zelfverwerkelijkte wijze denke
aan 't Zelf in alles wat zich roert en niet
roert,
er even eindeloos als vrij doorheen gaand,
als aan de lucht die zich ook alom
uitbreidt.
Tekst
43
Zoals de lucht niet wordt beroerd
door wolken waar de wind op jaagt
raakt ook de ziel niet aangetast
door lijven waar de tijd mee solt.
Tekst
44
Zuiver van hart, mild, liefdevol,
een rondgaand oord van heiligheid,
loutert de wijze als water wie
hem aanziet, aanraakt en vereert.
Tekst
45
Door zijn ascese schitterend
en fier, met slechts zijn maag als nap,
verliest hij als het laaiend vuur,
wàt hij ook eet, nimmer zijn gloed.
Een
beginneling op het geestelijk pad dient
vegetarisch voedsel te eten dat aan het
Opperwezen geofferd is. Dat loutert hem,
terwijl ongewijd voedsel hem ernstig karma
bezorgt ( 3.13). Maar een zelfverwerkelijkte
ziel kan zich zonder gevaar voeden met alles
wat als vanzelf tot haar komt omdat ze iedere
vorm van voedsel als hogere genade aanvaardt
en niet slechts de specifieke verlangens van
haar tong probeert te bevredigen.
Tekst
46
Nu zie je 'm niet en dan weer wel,
door heilzoekers alom vereerd;
hun offers etend brandt hij heel
hun oude en nieuwe karma weg.
Òf
de zelfverwerkelijkte valt niet op, simpel en
nederig als hij is, òf hij wordt als
zelfverwerkelijkte 'ontdekt' door een
aspirant die naar een leraar op zoek is. Deze
aspirant is dan in feite door het Zelf, dat
zijn geestelijk verlangen zag, naar de
zelfverwerkelijkte toe geleid. Aanvaardt deze
het leraarschap, dan moet hij toestaan dat
zijn discipelen via hem het Zelf vereren,
omdat zijn individuele zelf daarmee geheel
tot verbinding is gekomen en daardoor als
geen ander derden kan helpen de aansluiting
te realiseren. In dienst van het Zelf neemt
hij alles aan wat zijn leerlingen hem
schenken. Hoe waarachtiger de discipel geeft,
hoe meer zijn karma slinkt. Door te ontvangen
wat hij kan en alles in dienst van het Zelf
te besteden, zelfs door namens het Zelf te
éten en daardoor zijn lichaam ten
behoeve van de dienst aan het Zelf te
sterken, brandt de zelfverwerkelijkte als een
vuur ieders karma weg.
Tekst
47
Het Zelf verschijnt in vormen die
het Zelf gemaakt heeft, hoog en laag,
en lijkt daarmee dan één zoals
het vuur één met het brandhout
lijkt.
Tekst
48
Geboorte, groei, verval en dood
betreffen 't lichaam, niet de ziel,
zoals de fasen van de maan
niet háár betreffen maar de
tijd.
Tekst
49
't Is door het vlieten van de tijd
dat het gedwarrel af en aan
der schepselen de ziel ontgaat
als 't vlamgeflakker van een vuur.
Tekst
50
De wijze blijft onthecht van wat
hij opneemt en weer varen laat
al naar de situatie 't vraagt,
zoals de zon van waterdamp.
Tekst
51
De onwijze ziet het leven in
elk wezen als van andere aard
terwijl het eender is zoals
in ieder druppeltje de zon.
Tekst
52
Hecht nooit te sterk aan wie dan ook,
ga nooit te nauw met iemand om,
want dat leidt slechts tot smart zoals
de domme doffer ondervond.
Tekst
53
Er woonde eens ergens in een bos
een doffer, die daar in een boom
tezamen met zijn gezellin
een onderkomen had gebouwd.
Tekst
54
In liefde met elkaar vereend
leidden ze 't huisliedenbestaan,
zich door hun blikken, lijf en hart
steeds sterker bindend aan elkaar.
Tekst
55
Zich van geen risico bewust
aten, zaten, koerden ze daar,
rustten, speelden en trippelden
en vreeën in het lovergroen.
Tekst
56
Wat het aanbeden wijfje ook maar
de doffer vleiend vroeg, o vorst,
deed hij voor haar, hoe moeilijk ook,
daar hij 't gewoon niet laten kon.
Tekst
57
De trouwe duif raakte bevrucht
en te bestemder tijd lei zij
onder des doffers toeziend oog
haar eitjes in hun beider nest.
Tekst
58
Toen 't zo ver was kwamen daaruit
door 's Heren ongekende macht
hun spruiten met hun lijfjes teer
en met hun veertjes wonderfijn.
Tekst
59
Dol op de kleintjes, o zo blij,
droeg 't paartje dapper voedsel aan
en luisterde in vervoering naar
hun onbeholpen pril geluid.
Tekst
60
Dankzij 't gepiep van 't wakker grut,
zijn donzen wiekjes, lief gedoe
en zijn vliegpoginkjes kwam er
geen eind aan 't ouderlijk geluk.
Tekst
61
Hun hart door liefde saamgesnoerd
voedden de onnozele ouders zo
hun jonge kroost, begoocheld door
Gods stoffelijke wonderkracht.
Tekst
62
Toen op een dag het ouderpaar
het nest verliet op voedsel uit
vloog 't overal door 't grote bos
en raakte al zoekend ver van huis.
Tekst
63
Nu wilde 't dat een jagerman
de jonkies midden op zijn pad
zag rondscharrelen nabij het nest.
Hij greep zijn net en wierp het uit.
Tekst
64
De doffer en de duif tezaam,
aldoor maar bezig voor hun kroost,
kwamen van 't eten halen terug
en arriveerden bij het nest.
Tekst
65
Toen daar de duif haar kinderen
verstrikt zag in het jagersnet
en hun gepiep vernam stoof zij
smartelijk krijtend op ze toe.
Tekst
66
Door ouderliefde aan ze gehecht
vergat door Gods begoocheling
de duif, die ze zo zag, zichzelf
en raakte ook in de mazen vast.
Tekst
67
Toen hij zijn jongen zag gestrikt,
die hij meer liefhad dan zichzelf,
mèt zijn beminde wederhelft,
jammerde de arme doffer 't uit.
Tekst
68
'Ach wat een wrede ramp treft mij,
laag als ik ben, van deugd ontbloot!
Onvoldaan wilde ik nog veel meer!
Daar gaat de bron van mijn geluk!
Tekst
69
'Mijn ideale lieve vrouw,
die mij, haar man, eerde als haar god,
gaat hemelwaarts met de engeltjes
en laat me in 't lege huis alleen!
Tekst
70
'Mijn vrouw dood en mijn kinderen dood!
Wat moet ik, stakker, zonder hen?
Wat heb ik aan mijn lege huis!
Zo is mijn leven niets dan leed!'
Tekst
71
Terwijl hij ze verstrikt aldus
vergeefs zag strijden met de dood
viel het onnozel dofferbeest,
wee van ellende, zelf in 't net.
Tekst
72
Nadat de wrede jagerman
het aangenaam gezinsbestaan
van duif en doffer had verwoest
ging hij tevreden weg van daar.
Tekst
73
'n Wankele ziel die opgaat in
het wel en wee van 't huisgezin,
dat ze als de doffer onderhoudt,
gaat er rampzalig mee teloor.
Tekst
74
Als men geboren wordt als mens
ontsluit zich de verlossingspoort;
kleeft men dan vast aan huis en haard
dan komt men bodemloos ten val.
Doorgaans
ziet iemand die door het geestelijke gegrepen
wordt en dat heuglijke feit in familie- en
vriendenkring niet kan verhullen, dat vrijwel
iedereen hem voor gek verslijt en hem de rug
toekeert. In plaats van als een vreemde in
zo'n negatieve sfeer te blijven leven kan de
aspirant beter zijns weegs gaan om zijn
spiritualiteit de volle kans te geven. Er
bestaat nu eenmaal niets hogers dan het pad
der zelfverwerkelijking. Aldus tot bloei
gerakend trekt hij geleidelijk als vanzelf
gelijkgezinden tot zich aan. Zij worden zijn
ware vrienden en familie. Intussen blijft hij
altijd van harte open staan voor een
vruchtbare relatie met diegenen uit zijn
vroegere kring die van hun aanvankelijke
afwijzing terugkomen.
(Bron: S.B.
11.7)