De brahmaan zei:
Tekst
1
Helse ellende, hemels geluk
beroeren slechts de zinnen, vorst,
van 't lijf waarin de ziel verwijlt:
een wijze wendt zich daarvan af.
Tekst
2
Zoals de python ete men
slechts voedsel dat vanzelf verschijnt,
of het nu lekker is of niet,
of het nu veel of weinig is.
Onder
hemels geluk wordt verstaan de vreugde in de
hoogste materiële dimensie, van de
goden, waar alles evenzeer vergankelijk is
als op aarde en in de hel, zij het dat alles
er in veel trager tempo vergaat.
Onvergankelijk geluk kent de ziel slechts in
de zuiver geestelijke sfeer, die aan de
godenhemel ontstegen is.
Tekst
3
Men vaste desnoods dagenlang
in vrede, zonder hunkering,
zoals de python die slechts eet
wat de voorzienigheid hem schenkt.
Tekst
4
Hoe sterk van zinnen, lijf en geest
men ook mag zijn, houd alles slechts
in vrede en staat van helderheid
zonder veel inspanning in stand.
Tekst
5
Een wijze is helder klaar en diep,
onpeilbaar, onverstoorbaar, weids,
onoverwinnelijk en kalm
zoals het water van de zee.
Tekst
6
De wijze aan de Opperheer gewijd
wordt warm noch koud van weelde of van
gebrek aan zingenot, zoals de zee
niets merkt van wat haar binnenstroomt.
Tekst
7
Wie, onbeheerst, bij de aanblik van
een vrouw - Gods mâyâ - raakt
bekoord
valt in het donker van de hel
zoals een mugje een vlam in vliegt.
Zoals
de uiterlijke schoonheid van de vrouw
mâyâ is voor de man, is de
uiterlijke aantrekkelijkheid van de man
mâyâ voor de vrouw. Krishna geeft
zijn onderricht aan een man, Uddhava. Een
hedendaagse westerse vrouw, die dit
onderricht in zijn oorspronkelijke vorm
direct van deze bladzij in zich opneemt, is
'mans' genoeg om het zelf aan te
passen
Tekst
8
Het goudgeglinster en de siergewaden
van vrouwspersonen slaan een dwaas met
stomheid:
hij vat begeerte op, naar genot verlangend,
en raakt vernietigd als een warrig mugje.
Tekst
9
De huislieden geenszins tot last
neme de wijze in ieder huis
louter voor 't lichaamsonderhoud
een hapje slechts, zoals een bij.
Tekst
10
Zoals een bij de nectar puurt
uit alle bloemen groot en klein
puurt een wijs mens de essentie uit
alle geschriften in het rond.
Bedoeld
worden uiteraard de Veda's en de vele
Upanishads, die Uddhava ter beschikking
stonden. Uit de latere boeddhistische en
daaraan verwante geschriften, die de Vedische
leer van het bestaan en de onsterfelijkheid
der ziel en haar eenheid met het Opperwezen
verwerpen, is slechts de essentie van de
mâyâ-leer te puren, die overigens
aan de Vedische geschriften is
ontleend.
Tekst
11
Men bedele geen voedsel voor
de nacht noch voor de dag daarop:
alleen wat past in hand en maag
neme men aan gelijk een bij.
Tekst
12
Men bedele geen voedsel voor
de nacht noch voor de dag daarop:
want als een bij die al maar neemt
bezwijkt men aan zulke overdaad.
Tekst
13
Een wijze raakt zelfs met zijn voet
geen vrouw aan, zelfs geen vrouwenbeeld,
want hij verliest zijn vrijheid als
een olifant die 'n wijfje aanraakt.
Tekst
14
Een schrander man blijft uit de buurt
van vrouwen: voor hij 't weet wordt hij
door 'n andere man gedood zoals
een olifant door een rivaal.
Tekst
15
Wie zich vol inspanning verrijkt
maar alles oppot, raakt het kwijt
aan anderen zoals de bij
haar honing aan de sluwe dief.
Het
leraarschap van de honingdief ligt in zijn
vermogen om zich zelfs van de best bewaakte
nectar meester te maken zonder zich iets aan
te trekken van de aanspraken van een eigenaar
die de nectar niet laat vloeien.
Tekst
16
Het fel verlangd genot dat men
met inspanning naar huis toe sleept
wordt eerst genoten door de wijze
als honing door de honingdief.
De
wijze of heilige bedelaar die zich aan de
huisdeur van de materialistische
levensgenieter vervoegt behoort als eerste
een portie van de maaltijd te ontvangen opdat
het overige voedsel daardoor voor het
huisgezin geheiligd wordt.
Tekst
17
De asceet in 't bos schenkt geen gehoor
aan lied en zang van wereldse aard
want vangt de jager 't hert niet door
de hinde-lokroep na te doen?
Tekst
18
Zie Rishyas'ringa, 'n hinde-zoon,
die zo van zang, muziek en dans
van zinnelijke vrouwen hield:
een speelpop werd hij slechts voor hen.
Tekst
19
Wie in de ban van geur en smaak
zich door zijn tong regeren laat
vindt reddeloos de dood zoals
een vis die 't aas naar binnen schrokt.
Tekst
20
Schranderen, welbeheerst van geest,
beteugelen hun zinnen snel
maar niet de tong, die feller wordt
naarmate 't vasten langer duurt.
Tekst
21
Wie de andere zinnen onderwerpt
is nog geen zelfbeteugeld mens
zolang hij niet zijn tong bedwingt:
de tòng beheerst, is àl
beheerst.
Tekst
22
Er woonde eens in Videha, vorst,
een hoer: haar naam was Pingalâ.
Luistert u alstublieft naar wat
ik van die dame heb geleerd.
Tekst
23
Wel, op een avond stond de vrouw
buiten haar deur te pronken met
haar mooie lichaam opdat zij
een minnaar in haar armen kreeg.
Tekst
24
Bij 't zien van 't manvolk op de weg,
o koning, dacht ze op geld belust:
'Die kan betalen, die heeft zat,
die zou een goede minnaar zijn.'
Tekst
25
Terwijl de één ging en de ander
kwam
dacht zij, afhankelijk van haar lijf:
'Waarom komt er geen miljonair,
die me met rijkdom overlaadt!'
Tekst
26
Nu eens op straat, dan weer in huis,
hing ze maar rond daar bij haar deur
in 't late nachtuur terwijl zij
van valse hoop niet slapen kon.
Tekst
27
Haar lippen droog, haar ogen hol
van gelddorst, stond ze daar totdat
opeens haar drang haar walgen deed
en haar benauwenis verdween.
Tekst
28
Hoor nu wat Pingalâ toen zong
over haar ingekeerde staat,
die 't zwaard is waarmee men het web
van valse hoop aan rafels snijdt.
Tekst
29
Wie geen onthechting kent, o vorst,
raakt nimmer van zijn lichaam los
zoals een onverlicht persoon
het hèbben maar niet laten kan.
Pingalâ zei:
Tekst
30
Ach kijk toch hoe verward ik ben,
ach hoe begoocheld en doe dom,
dat ik van valse minnaars dacht:
'Die schenken me al wat ik begeer!'
Tekst
31
Mijn trouwe Minnaar, die me 't meest nabij
is,
de liefste en rijkste heb ik dwaas verlaten
voor onbetekenende mannen die me
slechts pijn, vrees, droefheid en verwarring
gaven.
Pingalâ's
Minnaar is het Zelf, dat als Opperziel,
vervuld van bovenzinnelijke liefde, elke
gebonden ziel door al haar reïncarnaties
in de stoffelijke dimensie heen onafgebroken
innerlijk vergezelt.
Tekst
32
Hoe zinloos, ach, heb ik mijn ziel gefolterd
door 't lage leven van een hoer te leiden,
op rijkdom hopend door mijn lijf te slijten
aan rokkenjagers even fel als zielig.
Tekst
33
Welke andere vrouw wijdt zich zo aan een
woning
die slechts door bot wordt overeind
gehouden,
bedekt met harigheid en vel en nagels,
met negen deuren waaruit drab en vocht lekt?
Tekst
34
In deze stad ben alleen ik
zo laag en dwaas dat ik genot
verlang van anderen dan Hij
die eeuwig slechts Zichzelf wegschenkt.
Tekst
35
Hij is de Vriend en liefste Heer
en Ziel van al wat lichaam heeft:
Hem koop ìk, met mijn ziel, en 'k zal
met Hem genieten als Ramâ.
Ramâ
- ook genaamd S'rî en Lakshmî -
is het s'akti-aspect van Vishnu de Opperheer.
Ze is de goddelijke liefdeskracht in de
onvergankelijke gedaante van de volmaakt
mooie en zegenrijke Vrouw.
Tekst
36
Hoeveel plezier heeft mens of god,
Almaar geteisterd door de tijd,
Beklemd tussen geboorte en dood,
Te bieden aan zijn wederhelft?
Tekst
37
Misschien heb ik iets goeds gedaan,
Hoe 'k ook mijn valse hoop najoeg,
Waardoor ik Vishnu heb behaagd
En Hij me zalig heeft onthecht.
Tekst
38
Als ik echt ongelukkig was
Vanwaar dan dit verlossend leed
Waardoor een mens zijn banden slaakt
En innerlijke vrede vindt?
Tekst
39
Ik buig me voor Zijn zegen neer,
Laat varen nu mijn valse hoop
Op laag genot en zoek mijn heil
Bij Hem, de Heer van al wat.
Tekst
40
Tevreden met wat ik ontvang
En blij geloof 'k alleen in God.
Met Hem geniet ik slechts, het Zelf,
Dat mijn volkomen Minnaar is.
Tekst
41
Slechts Hij, de Heer, verlost mij uit
Samsâra's val, waarin ik lig,
Verblind door de uiterlijke schijn,
Gegrepen door de slang des tijds.
Tekst
42
Zodra ze onthecht en onverward
Kan schouwen dat de slang des tijds
Heel het heelal gevangen houdt
Verlost het Zelf voorwaar de ziel.
De brahmaan zei:
Tekst
43
Vastberaden dreef Pingalâ
De lage hoop op vals genot
In alle vrede uit haar gemoed
En legde zich toen op bed.
Tekst
44
'Geen erger pijn dan ijdele hoop,
vrijheid daarvan het hoogst geluk!'
Zo zei ze 't hunkeren vaarwel
En sliep gelukkig en tevree.
(Bron: S.B.
11.8)