4
|
|
|
|

|
Vishnu
daalt neer
|

|
|
Toen de boosaardige Kamsa
de macht had gegrepen, vluchtten de mensen alle kanten op. De wreedaard
sloot vriendschap met andere boosaardige koningen. Zo vergrootte hij
zijn macht nog meer. Alleen een paar familieleden durfden bij hem te
blijven. Ze hoopten dat ze hem voor nog meer kwaad zouden kunnen
behoeden.
Nadat Kamsa het zesde zoontje van
Devakî had vermoord schoot er een lichtstraal in haar hart. Het
was Heer Ananta, de Slang van Vishnu uit de Melkzee. In Devakî's
lichaam nam Ananta de vorm van een baby aan. Devakî's verdriet om
de dood van haar jongens sloeg om in hoop. Ze was weer in verwachting!
Zou dit kind in leven mogen blijven?
Toen Vishnu merkte hoe iedereen Kamsa
vreesde, riep hij zijn wonderkracht te hulp. Deze wonderkracht heeft de
vorm van een stralend mooie vrouw: Yoga-mâyâ. Die naam
betekent: Goddelijke Betovering. 'Yogamâyâ', zei hij. 'Daal
af naar de wereld. Ga naar Devakî en haal Ananta uit haar buik.
Neem hem mee naar het dorp van Nanda de koeherder. En stop hem daar in
de buik van Rohinî.'
Nu moet je weten dat een prins of koning
in die tijd vaak meer dan één vrouw had. Vasudeva was
niet alleen getrouwd met Devakî maar ook met Rohinî. En
later kreeg hij nog meer vrouwen. Denk niet dat die vrouwen ruzie met
elkaar maakten om Vasudeva. Juist niet. Ze waren de beste vriendinnen.
Je zult wel begrijpen waarom Rohinî in het dorp van Nanda woonde.
Omdat ze bang was dat Kamsa haar bij Vasudeva en Devakî in de
gevangenis zou stoppen. Ze was uit de stad gevlucht, de rivier de
Yamunâ over, en woonde nu bij Nanda en zijn jonge vrouw
Yas'odâ.
Vishnu zei verder tegen
Yogamâyâ: 'Wanneer je Ananta uit Devaki's buik hebt
gehaald, ga ìk erìn. Dan denkt Kamsa dat ik
Devakî's zevende zoon ben. Maar in werkelijkheid ben ik de
achtste, die hem doden zal … En jij, Yogamâyâ, ga jij in de
buik van Yas'odâ, de vrouw van Nanda de koeherder … Zo komen
Ananta, jij en ik tegelijk op aarde.'
Vishnu zei ook nog: 'Wanneer jij eenmaal
in de wereld bent verschenen, zullen de mensen je overal eren. Ze
zullen je aanbidden als Durgâ en als Mâyâ en als
Ambikâ. En nog veel meer namen zullen ze je geven.' En het is
waar. Sinds Yogamâyâ op aarde kwam, eren miljoenen mensen
haar met die namen. Ze vragen haar allemaal om haar gunst. En die geeft
ze.
Toen Vishnu was uitgesproken, boog
Yogamâyâ met gevouwen handen voor hem neer. 'Ik zal doen
wat u me hebt opgedragen', beloofde ze. En ze daalde af naar de aarde.
Daar bracht ze onmiddellijk de ongeboren Ananta uit Devakî's buik
over in de buik van Rohinî. In Kamsa's paleis dacht iedereen dat
Devakî een miskraam gekregen had. Dus dat haar kindje veel te
vroeg geboren en daardoor gestorven was. De goede mensen onder de
paleisbewoners hadden daarom verdriet …
Toen daalde Vishnu persoonlijk in de
wereld neer. Hij ging binnen in het hart van Vasudeva. Die straalde
plots als de zon. Zo licht was Vasudeva dat niemand hem kon aankijken.
Daarop ging Vishnu uit Vasudeva's hart over in Devakî's hart. En
ook Devakî straalde. Doordat ze in de gevangenis zat, bleef het
licht daarbinnen verborgen.
Maar Kamsa zag het. In paniek dacht hij:
'Die Vishnu die me komt doden zit nu in haar buik! Kijk haar daar eens
stralen en lachen! Zo heeft ze er nog nooit uitgezien! Oef! Wat moet ik
bedenken? De tijd dringt. Zal ik haar doden? Nee! Een vrouw in
verwachting dood je niet. Dat zou me mijn eer kosten. En mijn bezit. En
ook mijn hoofd …'
Hoe wreed Kamsa ook was, hij liet
Devakî in leven. Vol haat tegen het kind in haar buik, wachtte
hij vol spanning op de geboorte. Of hij nu zat of lag of stond of
ongeduldig heen en weer beende, onophoudelijk dacht de schurk aan
Vishnu. Zo vol was hij van de Allerhoogste dat hij hem overal zag.
Eigenlijk is dat het mooiste wat iemand
kan overkomen: dat hij God overal ziet. En dat hij daardoor overal door
God beschermd wordt. Maar Kamsa was zo dom dat hij dat niet begreep. In
plaats van blij te zijn dat hij Vishnu overal zag, was hij woedend en
bang tegelijk. Intussen eerden alle goden God. Brahmâ, S'iva,
Nârada en de anderen stroomden samen en prezen Vishnu, die alle
wensen vervult. 'O Vishnu', zeiden ze. 'U bent niets dan zuiverheid.
Het leven in de wereld is als een holle grauwe zee. Maar wie aan uw
zuiverheid denkt, ziet die hele holle zee veranderen in een plasje. Een
plasje zo klein dat het hoefje van een pasgeboren kalfje er net nog in
past.
'Maar wie zegt dat hij die holle zee kan
oversteken zonder uw hulp, komt nooit aan de overkant. Trotse mensen,
die u niet eren, zullen in de wereld ten ondergaan. 'Nu daalt u zelf in
de wereld neer. Zo laat u iedereen zien wie u bent. Zo leren de mensen
u kennen en van u houden. En zo zullen ze u uit liefde gaan dienen. Wie
eenmaal gezien heeft hoe mooi u bent, denkt nergens anders meer aan.
Die gaat na zijn dood vanzelf naar uw Eeuwige Woning. Die wordt hier op
aarde nooit wedergeboren.'
Lang leve Moeder Devakî!
Wie zit er in haar moederschoot?
Heer Vishnu, Meester van 't heelal!
Kamsa, pas op, daar komt je Dood!
(bron: S.B. 10.2)