|
Shukadeva zei:
Tekst
1
De herders stonden stomverbaasd
Om wat hun Krishna had gedaan:
Zijn grootheid was hun onbekend
Druk in gesprek dromden ze saam.
De herders zeiden:
Tekst
2
De daden die Govinda doet
Zijn voor een Knaap wel heel geducht!
Hoe kan Hij hier geboren zijn,
Bij ons, in zo'n gewoon gehucht?
Tekst
3
Hoe houdt een Joch van zeven jaar
Met één hand - 't leek wel
kinderspel! -
Een heuvel in de lucht zoals
Een olifant een lotuskelk?
Tekst
4
Uit Putanâ, die reuzenheks,
Zoog Hij met beide oogjes dicht
Zowel de melk als 't leven weg
Zoals de tijd ons leven leegt.
Tekst
5
Nog maar 'n paar maanden was Het oud
Toen 't Kind, dat huilen moest, ineens
De handkar waar Het onder lag
Omkiepte met Zijn grote teen.
Tekst
6
Amper een jaar, van waar Hij zat
Door Trinâvarta meegesleurd,
De lucht in, bracht Hij het gedrocht
Ter dood - het stortte neer, gewurgd
Tekst
7
Als Boterdief door Moederlief
Eens aan een stampblok vastgesnoerd
Kroop Hij tussen twee bomen door,
Die door dat blok werden gevloerd.
Tekst
8
Toen Hij met Râm' en vrienden eens
In 't bos ronddoolde met het vee
Reet Hij een wrede kraanvogel
Vanaf zijn snavel zo in twee.
Tekst
9
Nadat Hij een demonisch kalf
Dat bij Zijn vee kroop had vermoord
Omdat het Hem wou doden, smeet
Hij 't lijk een boom in voor de sport.
Tekst
10
Toen maakte Hij met Bal', Zijn Broer,
Dat duivels' ezelmonster koud:
Sindsdien is 't veilig toeven weer
In 't vruchtenrijke palmenwoud.
Tekst
11
Nadat de sterke Balarâm'
't Gedrocht Pralamba had geveld
Behoedde Krishna vriend en kalf
Voor 'n bosbrand die kwam aangesneld.
Tekst
12
De slangenkoning, tjokvol gif,
Beroofde Hij van al zijn trots
En joeg hem weg uit de rivier,
Die van het gif zo werd verlost.
Tekst
13
O Nand', geen dorpeling of hij
Is vol van liefde voor je Zoon,
Terwijl ook Hij van liefde blaakt
Voor ons - dat kan toch niet gewoon?
Tekst
14
Hoe tilt zo'n zevenjarige
Zo maar een grote heuvel op?
O heer van Vraj', we weten niet
Of't met die Zoon van jou wel klopt.
Nanda zei:
Tekst
15
Kom, beste herders, hoor eens hier,
Die angst en twijfel neem ik weg,
Want 'k zal jullie vertellen wat
Garg' van Govinda heeft gezegd.
Garga,
de priester van de Yadu's, door Vasudeva naar
Vraja gestuurd om zijn Zoons Hun Naam te geven,
zei het zijne over Krishna in de verzen
8.13-19
Garga zei:
Tekst
16
"Drie yuga's achtereen verscheen
De Jongen met een and're kleur,
Eerst wit, toen rood en daarna geel:
Zwart is in dìt yug' aan de beurt.
Tekst
17
"Kort voor Zijn komst bij jou kwam Hij
Als Kind in 't huis van Vasudev'
Vandaar dat elk die weet hoe 't zit
Hem sindsdien kent als Vâsudev'.
Tekst
18
"Je Zoon heeft Namen zonder tal
En ook gedaanten: ik slechts weet
Hoe zij eruitzien, wat ze doen
Gewone mensen weten 't niet.
Het
aantal Godsdelen en Avatâra's van Krishna
wordt even groot genoemd als dat van de golven
van de oceaan. Ieder van Hen heeft vele Namen.
Dat Garga hiervan weet heeft geeft aan dat hij
een buitengewoon vertrouwelijke dienaar van
Krishna is.
Tekst
19
"Krishna, de Lieveling van Vraj',
Brengt jullie, herders, groot geluk:
Hij helpt jullie uit elk gevaar,
Die Jongen, met het grootst gemak.
Tekst
20
"Toen ooit in tijd van wanbestuur
De vromen steeds werden belaagd
(bron: S.B.
10.26)
|