|
Shukadeva zei:
Tekst
1
De meisjes aten offerspijs
In d' eerste weken van Hemant'
Ter ere van Kâtyâyani,
Rein levend in het dorp van Nand'.
Kâtyâyani
is Durgâ, Mâyâ, de stoffelijke
natuur in eigen persoon. In de Vedische cultuur
bidden jonge meisjes Durgâ om een goede
echtgenoot. Bhakta's en bhaktins respecteren
Durgâ weliswaar, maar vragen haar niet om
gunsten. Dat grote bhaktins als de gopi's
desondanks tot Durgâ bidden is hun bij
voorbaat vergeven, omdat ze de godin om Krishna
vragen.
Tekst
2
Nadat ze zich bij 't ochtendrood
In de rivier hadden gebaad
Maakten z' een beeld van de godin
Van vochtig zand en eerden dat
Tekst
3
Met sandelpulp en bloemenkrans,
Plengingen, wierook, lampjeslicht,
Geschenken groot en klein, vers groen,
Rijstkorrels en vrucht naast vrucht.
Deze
zaken worden ook vandaag nog in Vedische tempels
geofferd volgens een ritueel dat
ârâtri wordt genoemd. De sandelpulp,
welriekend en verkoelend, wordt met een bloem op
de voeten van de Altaarbeelden gedept, waarna de
ârâtri-gangers de sandelresten aan
de bloem op elkaars voorhoofd aanbrengen. De
plengingen bestaan in het herhaaldelijk
leeggieten - onder het uitspreken van mantra's -
van lepels graan met boterolie in het heilig
vuur.
Tekst
4
"Kâtyâyani, Wereldgodin,
Vol yoga-kracht, aan U all' eer
O Mâyâ, maak toch Nanda's Zoon,
Krishna, mijn Echtgenoot en Heer."
Zo loofd' elk meisje van het dorp
De grote godheid keer op keer.
Tekst
5
Een maand deden de meisjes zo,
Hun hart gericht op Krishn' alleen.
En smeekten Bhadrakâli steeds:
"Laat Nanda's Zoon mijn Meester zijn."
Tekst
6
Elk' ochtend, door elkaar gewekt,
Namen de dorpsmeisjes hun bad
In de Yamunâ hand in hand -
't Was Krishna waar elk 't over had.
Tekst
7
Krishna bezingend in hun lied
Maakten z' een keer zoals altijd -
Hun kleren lagen op de kant -
In het Yamunâ-water pret.
Tekst
8
Toen Krishna, d' Alvervulde Heer
Der grootste yogi's, dat zo zag
Kwam Hij, hun inspanning tot loon,
Er met Zijn vriendenstoet op af.
Het
is in West-Europa tamelijk normaal dat mannen en
vrouwen die niets met elkaar te maken hebben aan
zee of in sauna's naakt gezelschap bieden. Niets
is verder van de Vedische manier van omgaan
verwijderd dan dit. Het is dus ongehoord dat
Krishna niet alleen geen afstand van de badende
meisjes houdt, maar er zelfs met Zijn
vriendenstoet op afgaat. Krishna is echter boven
de Vedische omgangsvormen verheven. Hij is
Degeen die ze heeft ingesteld. Dus als Hij ervan
afwijkt begaat Hij geen zonde. Maar omdat Hij er
hier van afwijkt zonder Zich als de Allerhoogste
te manifesteren geldt dit optreden onder
onwetende mensen als infaam. Dat Hij Zijn
vrienden in deze escapade betrekt is voor de
oningewijde van een onbeschrijflijke
verdorvenheid.

Tekst
9
Hij roofde, volgens het verhaal,
Hun kleren weg en schoot ermee -
De jongens lachten - in een boom,
Waarna Hij vrolijk tot hen zei:
Tekst
10
"Kom hier dan, meisjes, als je wilt,
Pak allemaal je kleren aan,
Ik meen het heus - na alles wat
Jullie om Mij hebben doorstaan.
Tekst
11
"De jongens hier weten dat Ik
Nooit lieg, dus, mooie meisjes slank,
Kom één voor één of
tegelijk
En neem je kleren in ontvangst."
Een
meisje mag alleen voor haar echtgenoot naakt
verschijnen. De gopi's willen allen Krishna tot
man, en Hij nodigt hen nu uit zich met Hem in de
echt te verbinden door Hem hun naaktheid te
tonen. Dat Zijn vrienden, "de jongens hier",
daarbij aanwezig zijn stempelt hen tot hoogst
uitzonderlijke huwelijksgetuigen.
Tekst
12
De gopi's raakten overstelpt
Door pure liefde voor de Guit,
Lachten elkaar verlegen toe,
Maar kwamen 't water toch niet uit.
Tekst
13
De meisjes stonden zielsverrukt
Van Krishna's grappenmakerij
Tot aan hun hals in 't koele nat
Te huiveren. Toen zeiden zij:
Tekst
14
O Krishna, doe ons dit niet aan!
O Nanda's Zoon, we kennen Jou
Als Vraja's Roem en onze Schat.
We rillen - geef die kleren gauw!
Tekst
15
Mooie Zwarte, Jij kent de Wet,
Jou dienen willen wij altijd
Maar krijgen w' onze kleren niet
Dan komt de koning 't aan de weet!
De
koning is Nanda Mahârâja, Krishna's
vader, de herdersvorst van Vraja.
De Alvervulde
zei:
Tekst
16
Als jullie alles willen doen
Wat Mij als jullie Heer belieft
Neem dan je kleren van Me aan
En lach Me daarbij toe - heel lief.
Shukadeva zei:
Tekst
17
Toen kwamen alle meisjes daar
Van koude rillend en gebukt
Uit de rivier naar Krishna toe,
Hun schaamte met een hand bedekt.
Tekst
18
Over hun zuiverheid voldaan
Toen Hij hen zo verlegen zag
Nam Krishna 't goed over Zijn arm
En zei met een verliefde lach:
Tekst
19
"Dat jullie zo naakt in het water bent gegaan
Wordt nergens gedoogd bij het hele godendom:
Hef biddend je handen omhoog dus, breng hun
eer,
Dan krijg je die kleren vanzelf van Mij
weerom."
Tekst
20
Elk meisje begreep dat haar zelftucht had
gefaald,
Maar om toch haar wens in vervulling te zien
gaan
Boog ieder voor Hem die de riten mild beloont
En door wiens genade geen zonde blijft bestaan.
Het
is uiteindelijk niet zelftucht die de ziel tot
Krishna brengt, maar Krishna's genade.
Tekst
21
Toen d' Alvervulde, Dev'ki's Zoon,
Hen zo gedwee gebogen zag
Gaf Hij hun kleren aan hen t'rug,
Voldaan en blij om hun gedrag.
Tekst
22
Hoewel flink bedrogen en van hun eer beroofd,
Bespot en als speelgoed gebruikt en ook nog
naakt,
Werd geen van hen woedend - ze waren juist dolblij
Zijn zalig gezelschap maakt' alles hoogst
volmaakt.
Tekst
23
Weer aangekleed stonden ze star
Betoverd door d' aanschouwing van
Hun Lieveling nu zo nabij
Ze blikten Hem verlegen aan.
Tekst
24
Toen Krishna hun verlangen ried -
Hoeveel hadden ze niet geboet
Uit liefde voor Zijn voetenpaar! -
Sprak Hij de herdersmeisjes toe:
De Alvervulde zei:
Tekst
25
Ja, jullie willen - 'K wist het wel -
Mij eer bewijzen allemaal:
Het zij zo, meisjes rein van hart,
'K beloof dat het gebeuren zal.
De
echtgenote is weliswaar de betere helft van de
man, maar toont zich daarom niet trots.
Integendeel: ze gedraagt zich altijd als zijn
nederige dienares, steeds bereid hem eer te
bewijzen. Dat verplicht de man er uiteraard toe
zijn vrouw in alle opzichten te beschermen en
ter wille te zijn.
Tekst
26
Wie enkel nog naar Mij verlangt
Wordt nooit door aardse lust bestookt,
Zoals geen korrel meer ontkiemt
Van rijst die eenmaal is gekookt.
Tekst
27
Ga t'rug naar Vraja, jullie wens
Wordt nu door de godin vervuld.
Geen boete meer! Gauw komt de nacht
Waarin je met Mij spelen zult.
Shukadeva zei:
Tekst
28
Aldus bevolen door de Heer,
Die aan hun wensen had voldaan,
Slechts denkend aan Zijn voetenpaar,
Schoorvoetten z' op Gokula aan.
Tekst
29
Eens ging de Zoon van Devaki
Met heel de koeienkudd' op weg
Met alle herders en Zijn Broer
En liet het dorp ver achter Zich.
Tekst
30
Toen Hij de bomen zag die hen
Beschermden tegen 't heet geweld
Der zon, als reuzenparasols,
Zei Vraja's alvervulde Held:
De Alvervulde zei:
Tekst
31
O Stokakrishna, o Subal',
Sridhâmâ, Amshu, o Arjun',
O Devaprasth', Varuthapa,
Vishâla, Rishab', Tejasvin!
Tekst
32
Gezegend zijn die bomen hier,
Op andermans geluk bedacht:
Louter voor òns dulden ze storm,
Sneeuw, regen en de zonnekracht.
Tekst
33
Ze geven ieder 't nodige -
Hoe zegenrijk is hun bestaan!
Als aartsweldoeners laten zij
Niemand met lege handen gaan.
Tekst
34
Met lommer, blad, bloem, vrucht en bast,
Met wortel, houtskool, hars en hout
En zoet aroma komen zij
Aan onze wensen tegemoet.
Tekst
35
Mag iedereen zo nuttig zijn
Voor ieder ander hier op aard'
Met heel zijn leven, elke daad,
Heel zijn verstand en ieder woord.
Shukadeva zei:
Tekst
36
Zo sprekend tussen bloem en vrucht
En bladervracht van boom na boom -
De takken bogen voor Hem neer -
Kwam Hij bij de Yamunâ-stroom.
Tekst
37
De herders lieten daar het vee
Van 't water drinken, koel en zoet,
En dronken toen naar hartelust
Ook zelf van het Yamunâ-nat.
Tekst
38
Terwijl het vee aan de rivier
Rondgraasde tussen boom en haag
Kwamen de herders naar de Broers
Met danig rammelende maag.
(bron: S.B.
10.22)
|