|
|
|
|

|
Hoofdstuk
19
|

|
DE
DRIE LEIBANDEN
|
De Alvervulde
zei:
Tekst
1
Allerbeste, begrijp van Mij
terwijl Ik je onderricht hierin,
hoe elk der leibanden apart
invloed op iemand uitoefent.
Tekst
2
Beteugeling van geest en zin,
verdraagzaamheid, juist onderscheid,
plichtbetrachting en eerlijkheid,
mededogen, aandachtigheid
Tekst
3
Tevredenheid, vrijgevigheid,
onthechtheid, schroom, barmhartigheid
en wat daar verder nog bij komt,
geloof, behagen in het Zelf
Tekst
4
Genotzucht en activiteit,
begeerte, hoogmoed, winstbejag,
vals onderscheid en vals geluk,
eerzucht, mannetjesputterij,
leedvermaak en heldhaftigheid
alsook felle ondernemingslust
Tekst
5
Woede, hebzucht, wreedheid, bedrog,
bedelzucht en schijnheiligheid,
moeheid, twistzucht, gejeremieer,
neerslachtigheid, ellendigheid,
somberheid, dronkenschap en slaap,
dwaze hoop en lamlendigheid
Tekst
6
Zo heb ik je globaal verklaard
wat successievelijk 't effect
van sattva, rajas, tamas is.
Hoor nu over hun samengaan.
Vers
2 en 3 beschrijven de effecten van sattva,
vers 4 die van rajas en vers 5 die van tamas.
Het is leerzaam deze gegevens te vergelijken
met Krishna's onderricht over de leibanden in
hoofdstuk veertien van de
Bhagavad-Gîtâ
Tekst
7
Hecht men gelijkelijk belang
aan plichtbetrachting, winstbejag
en zingenot, dan geeft dat aan
dat de drie leibanden tezaam
actief zijn door hun opwekking
tot vroomheid, geldvergaring, lust.
Religieuze
plichtbetrachting, streven naar materieel
voordeel en zich overgeven aan zingenot -
respectievelijk dharma, artha en kâma -
worden de drie purushârtha's genoemd,
oftewel de drie doeleinden van het
mensenleven. Wie ze nastreeft blijft gevangen
in de drie leibanden. De vierde
purushârtha, mukti, verlossing, wordt
pas nagestreefd wanneer men geheel op dharma,
artha en kâma is uitgekeken. Hoger
echter dan mukti is bhakti, waardoor men niet
alleen mukti ontvangt maar tevens wordt
opgenomen in het paradijs van de
Alvervulde.
Tekst
8
Denkt iemand slechts aan geld en goed
terwijl hij leeft in 't huisgezin
en komt zijn dharma pas daarna,
dan gaan bij hem de guna's saam.
Tekst
9
Men kent iemand in sattva aan
zijn zelfbeheersing enzovoort,
in rajas aan zijn vurigheid,
in tamas aan zijn boze geest.
Tekst
10
De man of vrouw die liefdevol
en zonder enig winstoogmerk
Me in elke handeling vereert
kent men als sattvisch van natuur.
Tekst
11
Wie in de hoop op voordeel slechts
Mij door zijn plichtbetrachting eert
zit vol met rajas; en wie naar
geweld dorst is een tamas-mens.
Tekst
12
Slechts het levend wezen en niet Ik
wordt door de leibanden beroerd,
doordat ze 't via zin en geest
hechten en binden aan de stof.
Tekst
13
Wint sattva - stralend, zegenrijk
en puur - het van de lagere twee,
dan blijkt dat uit begiftiging
met kennis, deugd, vreugde enzovoort.
Tekst
14
Wint rajas het van de andere,
hechtziek, vol dualisme, actief,
dan leidt dat voor de mens tot werk,
rijkdom en faam gepaard aan leed.
Tekst
15
Krijgt daarop tamas de overhand,
vol dwaasheid, traagheid, wazigheid,
dan leidt dat tot verwarring, slaap,
geweld, gejammer, valse hoop.
Tekst
16
Is het bewustzijn klaar en wijkt
de zinnelijke activiteit,
zijn lijf en geest vreesloos en vrij,
weet: dat is sattva, Mij nabij.
Tekst
17
Raakt van 't werk 't verstand van streek,
en zijn de zinnen rusteloos,
trilt het lichaam, wankelt de geest,
weet dan dat rajas bezig is.
Tekst
18
Als het bewustzijn, dof, verflauwt,
't verstand niets op kan nemen meer,
de geest tot duisternis vervalt,
weet dan dan tamas dat bewerkt.
Tekst
19
Bij 't oprijzen van sattva komt
het godenvolk het sterkst te staan,
bij rajas het titanenslag,
bij tamas het demonendom.
a. Wie
sattvisch leeft, kan in aanraking met de
goden komen, zoals de herdichter van deze
verzen beschrijft in zijn op waarheid
berustende 'roman' De verschijning van de
godin Sarasvati in Hellevoet (1995, De Bezige
Bij).
b. Onder titanen (asura's) worden o.a.
machtige persoonlijkheden in de mensenwereld
verstaan, zoals bij voorbeeld staatshoofden,
popsterren, toplieden van multinationals, die
geheel in de ban van rajas zijn.
c. Elke 'alternatieve' therapeut kan
bevestigen dat mensen die tamasisch leven,
met name drinkers en drugsgebruikers, een
makkelijke prooi voor demonische geesten
(râkshasa's) vormen.
Tekst
20
Weet dat uit sattva 't waken is
en dat van rajas 't dromen komt
en voorts van tamas diepe slaap.
De vierde staat doorstraalt die drie.
De
vierde staat (turîya) is het
aldoorvarende Zelf, ook wel s'uddha-sattva,
zuivere sattva, genoemd. Sattva als leiband
is altijd tot op zeker hoogte vermengd met
rajas en tamas. Svâmî B.R.
S'rîdhara, s'iksha-guru van de
herdichter, thans uit de wereld heengegaan,
placht te zeggen dat de leiband sattva
bestaat uit 65% pure sattva, 25% rajas en 10%
tamas.
Tekst
21
Zij die de Veda's volgen gaan
door sattva al maar hoger voort;
door tamas daalt men allerdiepst;
door rajas gaat men op noch neer.
Tekst
22
Wie sterft in sattva gaat naar Svar,
in rajas naar het mensenoord,
in tamas echter naar de hel.
Wie guna-vrij sterft komt tot Mij.
De
hel is het geheel van lagere existenties
waarin de ziel zwaar karma wegteert tot ze
weer geschikt is voor het hoopvolle
mensenleven.
Tekst
23
Werk tot Mijn eer, onthecht verricht,
is sattvisch; werk waarvan men loon
verwacht rajasisch; terwijl werk
vol woede en nijd tamasisch is.
Tekst
24
Sattvisch is kennis over 't Zelf;
rajasisch 't veelheidsonderscheid;
tamasisch 't blinde van de stof;
doch guna-loos: kennis van Mij.
Tekst
25
Sattvisch verblijfoord noemt men 't bos;
rajasisch noemt men dorp en stad;
tamasisch noemt men 't dobbelhol;
maar Mijn Verblijf is guna-loos.
Tekst
26
In sattva werkt men steeds onthecht,
in rajas van verlangen blind,
in tamas zonder nadenken
en guna-loos alleen voor Mij.
Tekst
27
Sattvisch is geloof in het Zelf,
rajasisch is geloof in werk,
tamasisch is geloof in 't lage
en guna-vrij is dienst aan Mij.
Tekst
28
Sattvisch is voedsel dat gezond,
zuiver en ruim verkrijgbaar is,
rajasisch wat de tong behaagt,
tamasisch 't vuile, dat verziekt.
Sattvisch
voedsel is altijd vegetarisch. Guna-vrij
voedsel, zo moge hieraan worden toegevoegd,
is eveneens vegetarisch en wordt liefdevol
aan de Alvervulde geofferd, waarna men de
overblijfselen als Zijn genade
(prasâda) dankbaar tot zich
neemt.
Tekst
29
Geluk in sattva komt van 't zelf,
rajas-geluk van zingenot,
tamas-geluk van domheid, kwaad,
doch guna-loos vindt men 't bij Mij.
Tekst
30
Zo worden dingen, plaats en tijd,
loon, kennis, werkverrichter, werk,
geloof, bewustzijn, levenslot
door de drie leibanden bepaald.
Tekst
31
Mijn beste, zo wordt ieder ding,
gezien, gehoord of overdacht,
beheerst door purush' en de stof,
door de drie leibanden geleid.
Tekst
32
't Is niets dan 't leiband-handelen
waardoor de ziel al maar verhuist.
Wie nu die banden, door de geest
heen werkend, overwint, Mijn vriend,
door bhakti-yog' aan Mij gewijd,
bereikt Mijn zuivere liefdesstaat.
De
laatste regel wordt door drie van de
geraadpleegde vertalers als volgt
vertaald:
1. 'Is ervoor geschikt om in Mij op te
gaan.'
2. 'Wordt ervoor geschikt om met Mij
één te worden.'
3. 'Wordt geschikt voor Mijn toestand.'
Alle drie suggereren algehele eenwording van
de ziel met de Alvervulde. Dat is echter in
strijd met het doel van zuivere bhakti, dat
bestaat in eeuwige liefdevolle omgang. Omgang
vereist relatie, terwijl eenwording zowel de
relatie als de opperste gelukzaligheid die
ervan uitgaat tenietdoet. Het Sanskriet van
de laatste regel luidt:
mad-bhâvâya prapadyate. Dat
betekent letterlijk: 'Hij gaat voort'
(prapadyate) 'tot Mijn bhâva.' Of ook:
'Hij gaat voort naar bhâva tot Mij.'
Het woord bhâva heeft diverse
betekenissen, zoals ding, wezen, staat,
toestand, emotie, zuivere liefde, extase. Het
ligt gezien het doel van bhakti-yoga voor de
hand bhâva hier met liefde te vertalen.
Vandaar de keuze voor: 'Bereikt Mijn zuivere
liefdesstaat.' Ziel en Alvervulde worden zo
niet één in wezen, maar in
liefde. Een ziel kan nooit God zijn of
worden, doch wel volledig deel hebben aan
Zijn liefde. De drie vertalers, allen
Indiër, accepteren zowel hier als elders
kennelijk de monistische zienswijze van
S'ankarâcârya, voor wie God
onpersoonlijk is, zonder eigenschappen,
nirguna-brahman, waarmee een ziel heet te
kunnen versmelten. Het Bhâgavata
Purâna verkondigt echter evenals de
Bhagavad-gîtâ de
monotheïstische saguna-brahman, de
persoonlijke God met niets dan eigenschappen,
van wie nirguna-brahman de
kwasi-onpersoonlijke uitstraling is. Een
vierde vertaler, in de zuivere bhakti-lijn
van S'rî Caitanya, vertaalt terecht:
'Komt tot zuivere liefde tot Mij.'
Tekst
33
Laat een wijs mens dus in dit lijf,
dat kennis alsook inzicht schenkt,
zich van de guna's losmaken
en zich slechts toewijden aan Mij.
Het
mensenlichaam is een zeldzaam kostbaar goed.
Alleen in menselijke conditie kan de ziel,
via de taal, aan geestelijke kennis komen en
volgens die kennis handelend tot inzicht
geraken. Dat kan met geen mogelijkheid in een
der miljoenen overige levensomstandigheden in
het dieren- en plantenrijk. Wie het bestaan
als mens niet voor Godsrealisatie benut en
slechts voor wereldse zaken leeft, kan tot
tamas vervallen en daarmee in sub-menselijke
regionen wegzakken, waaruit een ziel niet
makkelijk opstijgt.
Tekst
34
'n Wijs mens verere Mij onthecht,
helder van geest en welbeheerst.
Door sattvisch leven late hij
rajas en tamas achter zich.
Tekst
35
Vrij van verlangen en bedaard
worde hij sattva óók de baas.
Zo, van de guna's los, bereikt
hij los van 't stoflijk ego Mij.
Tekst
36
Verlost van 't guna-woelen in
Zijn geest, vervuld van Brahman, Mij,
Laat hij het zinnelijk bestaan,
Buiten en binnen, achter zich.
(Bron: S.B.
11.25)
|
|