De Alvervulde zei:
Tekst
1
Wie flauw en wankel zingenot
verkiest boven de bhakti, jn'ân'
en karma door Mij onderricht
blijft in samsâra ronddraaien.
Tekst
2
Standvastigheid op 't eigen pad
wordt als verdienstelijk toegejuicht,
het tegendeel als schadelijk:
zo luidt het oordeel op dit punt.
Tekst
3
'k Heb deze dingen vastgesteld
opdat wie 'n plicht vervullen moet
bij eendere zaken nagaan kan
wat zuiver is of niet, Mijn vriend
Tekst
4
Opdat hij 't meest geschikte kiest
of deugdelijke of heilzame
voor 't geestelijke en 't wereldlijke
en 't dagelijks levensonderhoud.
Tekst
5
Aarde, water, vuur lucht, ether
zijn de vijf elementen van
elk lichaam hier &endash; van Brahmâ
tot
en met een boom &endash; waarin de ziel.
Tekst
6
Hoewel dus alle lichamen
elementair gelijk zijn, spreekt &endash;
voor ieders bestwil, Uddhava &endash;
de Veda van naam zus, vorm zo.
Tekst
7
Opdat het karma van elkeen
in goede banen wordt geleid
verklaar Ik welke plats of tijd
ergens geschikt voor is of niet.
Tekst
8
Onrein is 't oord waar 'n priester niet
geëerd wordt en geen damhert woont
of damhert wel doch heilige niet
of dat als Kîkat' vuil is, kaal.
Krishna
geeft hier een voorbeeld van een Vedische
verklaring aangaande de ongeschiktheid van
bepaalde plaatsen voor het wegwerken van
karma. Als men weet dat de huid van damherten
(krishna-sârah, gevlekte antilopen) als
bedekking van de meditatie-zitplaats van
brahmacârî's wordt gebruikt, doet
de uitspraak dat een damhertenloze omgeving
als onrein moet worden beschouwd geenszins
vreemd aan. De wetenschap voorts dat Krishna
met Zijn weemoedig fluitspel niet alleen de
gopî's van Vraja tot Zich aanlokt maar
ook de damherten, die daarom als toegewijden
van Zijn fluitspel mogen worden gezien,
draagt ertoe bij de aanwezigheid van zulke
dieren als zegenrijk en geestelijk
inspirerend op te vatten.
Tekst
9
Tijd rijk aan juiste middelen
of gunstig is voor 't handelen goed
maar tijd die 't handelen belet
of waarin het niet mag, is slecht.
Dit
vers is een pendant van vers 8 ten aanzien
van tijd.
Tekst
10
Rein- of onreinheid van een zaak
bepaalt men door een andere zaak,
een uitspraak, 't ritueel, de tijd,
de omvang ervan, de nietigheid
'Een
andere zaak', namelijk waarmee de te
beoordelen zaak in aanraking komt; 'een
uitspraak', namelijk van een terzake kundige,
zoals een brahmaan; 'de tijd', namelijk door
hoe de tijd erop inwerkt; enzovoort.
Tekst 11
De sterkte of zwakheid, kennis ook,
welstand van de betrokkene
Al naar omstandigheid en plaats
brengen ze goed of kwaad teweeg.
Tekst
12
De zuiverheid van graan, hout, bot,
textiel, vloeistof, metaal, huid, leem
ontstaat door tijd, lucht, vuur en grond
en water, samen of apart.
Graan
wordt zuiver door wassing met water en
bereiding op vuur; hout door groei onder
invloed van de tijd, wassing met water en
afschraping met metaal; textiel door wassing
met water en droging in lucht;
enzovoort.
Tekst
13
Wat van een ding de onreine staat
en kwade reuk verdrijft zodat
het zijn natuurlijke aard hervindt
wordt als zijn reiniger beschouwd.
Tekst
14
Men reinigt zich door bad en gave,
ascese al naar niveau, kracht, plicht
en rite en heugenis van Mij:
dan pas doet een brahmaan zijn werk.
Tekst
15
Goed begrip maakt een mantra rein,
werk wordt rein als men 't wijdt aan Mij
Deze zes brengen dharma voort,
hun tegendeel verwekt adharm'.
Een
mantra is rein noch onrein. Het hangt af van
de geestesgesteldheid van degeen die hem
reciteert of hij al dan niet als rein wordt
ervaren. 'Goed begrip' (parijn'âna:
kennis omtrent elk aspect) van de mantra
houdt in dat men niet alleen de volledige
betekenis ervan kent, maar tevens beseft in
welke gemoedsgesteldheid men hem reciteren
moet en welke overtredingen ertegen beslist
niet mogen worden begaan, wil men kans maken
op de genade van de Heer of Vrouwe van de
mantra. Zo is bij voorbeeld de mantra hare
krishna hare krishna krishna krishna hare
hare / hare râma hare râma
râma râma hare hare alleen rein
wanneer men hem reciteert in het besef dat
men Râdhâ en Krishna erin
aanroept als de allergenadigste en -
liefdevolste Vrouwe en Heer van al wat is en
daarbij op aanwijzing van de geestelijk
leraar, die een zuivere toegewijde van Hen
moet zijn, een leven leidt dat Hun in alle
opzichten welgevallig is. Mede als gevolg
hiervan wordt deze mantra dan de
klankbelichaming van Hun prema of zuivere
geestelijke liefde, die de reciteerder met
bhâva's, golven van bovenzinnelijke
verrukking, doorvaart. 'Deze zes', waarvan
het vers verder spreekt, zijn de zes zaken
die zuiver dienen te zijn, zoals vermeld
vanaf vers 8: zuiverheid van plaats, tijd,
zaak, handelende persoon, mantra's en
werk.
Tekst
16
Deugd is soms ondeugd en soms ook,
in 't licht der Schrift, is ondeugd deugd.
Wat de Veda hierin bepaalt
doet zo elk onderscheid te niet.
Het
is een ondeugd te doden, maar doodt de beul
een volgens de regels veroordeelde
moordenaar, dan is dat deugd. Het is een
deugd een gift te doen aan een
sannyâsî, maar doet men een gift
aan een dronkelap, dan is dat een
ondeugd.
Tekst
17
Een daad naar eigen peil &endash; als seks
voor een brave echtgenoot &endash; is voor
wie laag gevallen is niet slecht:
wie eenmaal ligt, valt verder niet.
Seks
is laag voor een brahmacârî of
sannyâsî. Voor een grihastha
echter is seks, mits bedreven ter verwekking
van kinderen, die geestelijk dienen te worden
grootgebracht, een daad waar niets op aan te
merken valt. Zo is voor een vleeseter, die,
anders dan een oppassende grihastha, tot de
laagste categorie van mensen behoort, een
activiteit die binnen deze categorie bedreven
wordt evenmin verfoeilijk.
Tekst
18
Van wat men afwijst, komt men los:
dat is de dharma die de mens
tot welzijn leidt en hem bevrijdt
van leed, begoocheling en angst.
Tekst
19
Waardering voor een zinsobject
maakt dat men er gehecht aan raakt;
uit deze binding ontstaat lust;
die leidt tot onderlinge twist.
Tekst
20
Uit twist rijst woede, ondragelijk,
die iedereen met blindheid slaat,
waardoor 't bewustzijn, eens zo breed,
vernauwd en snel verduisterd raakt.
Tekst
21
Daarvan beroofd raakt men zichzelf
volkomen kwijt en heeft zoals
een dwaas of een gestorvene
geen idee waartoe 't leven dient.
Vers
19-21 vormen een luide echo van de
Bhagavad--verzen 2.62-63:'Beschouwing van de
objecten leidt voor iedereen tot aantrekking;
aantrekking tot begeerte en lust; terwijl
daaraan weer woede ontspringt. Uit woede komt
verdwazing voort; verdwazing verdrijft
heugenis; zonder heugenis geen verstand;
verstand verloren &endash; alles mis.'
Tekst
22
Verslaafd aan zingenot kent men
zichzelf niet meer noch 't Hogere
en leeft voor niets zoals een boom
en haalt slechts adem als een balg.
Tekst
23
De Schrift die ons genot voorhoudt
biedt niet het hoogste, doch zet aan
&endash;
vergulding van de bittere pil &endash;
tot streven naar het hoogste goed.
Het
karma-yoga-gedeelte van de Veda's, dat de
geluk zoekende mens de weg wijst naar een
genotrijk leven in de godenhemel, heeft in
feite tot bedoeling hem tot een verder
gedeelte van de Veda's te leiden, de
upâsana-kânda, dat hem naar het
hoogste geluk brengt, gelegen in liefdevolle
toewijding aan de Alvervulde.
Tekst
24
Nauwelijks is men geboren of
men raakt gehecht aan zingenot,
genoegens en het huisgezin,
waardoor 't bestaan zijn nut verliest.
Tekst
25
Onbekend met hun waar belang
dwalen de mensen steeds maar weer
bedrijvig over 't hachelijk pad
dat hen de duisternis in voert.
Hoe zou de wijsheid hen daarin
tot ondersteuning willen zijn?
Tekst
26
Met hun bedoeling onbekend
loven dwazen het bloemrijk deel
der Veda's over 't vruchtgenot:
zo spreken Veda-kenners níet.
Tekst
27
Kleingeestige genotzoekers
die 'n bloem al aanzien voor een vrucht,
door vuur gelokt, stikken in rook,
waarbij ze 't eigen zelf niet zien.
Tekst
28
Genietend van de lofzangen,
Mijn vriend, zijn ze onbekend met Mij,
in ieders hart, Schepper van al,
doordat hun blik vertroebeld is.
Tekst
29
Wie doden wil kan dat alleen
bij 't dierenoffer: dat is geen
bevel maar 'n aanwijzing van Mij,
nogal vertrouwelijk van aard.
Bij
Vedische dierenoffers, in dienst van het
welzijn van de samenleving, wordt het
offerdier geacht verjongd uit de dood te
herrijzen ten teken van het welslagen van het
offer. Alle andere vormen van doden leveren
de slachter karma op.
Tekst
30
Onwetende geweldzoekers
vermoorden echter uit zichzelf
in schijnoffers aan ouder, god
en geestenmeester dier na dier.
Tekst
31
Ze dromen van een wereld die
zo fraai is als men haar beschrijft
maar die zo loos is als een droom
en steken daarin hun bezit.
Tekst
32
Gevangen in de leibanden
vereren ze Indra's godenvolk
dat met die leibanden omgaat &endash;
en dat nog fout ook &endash; en niet Mij.
Tekst
33
'Door offers aan de goden hier
genieten we in de hemel straks
en daarna komen we fijn terug
als rijkaard of als edelman.'
Tekst
34
Aldus rijst door de fraaie taal
der Veda's in 't verbijsterd hart
gezwollen van begeerte en trots
geen honger naar wat Mij aangaat.
Tekst
35
De Veda, die drie delen telt,
behandelt Brahman en het Zelf
en doet dat in verholen taal:
die verholenheid is Me lief.
Tekst
36
Brahman-in-klank, grenzeloos diep,
even onpeilbaar als de zee,
werkend door prâna, zinnen, geest,
is uiterst moeilijk te verstaan.
De
Veda wordt ook wel s'abda-brahman,
Brahman-in-klank, genoemd. De ziel in zuivere
staat vat s'abda-brahman onmiddellijk. Maar
ze wordt omgeven door de filters van
prâna of levensadem, de zinnen en de
geest. Pas als die gezuiverd zijn, hetgeen
een zuiverende levenswijze vereist, kan de
Veda onverkort en onverzwakt tot de ziel
doordringen, waarop ze verlost raakt.
Tekst
37
Gesterkt door Mij, die Brahman ben,
dat zonder eind is, ook van kracht,
doorvaart Het elk als 't OM zoals
een nerf een lotussteel doorvaart.
De
lezer merke op dat Brahman hier beschreven
wordt als zijnde in het bezit van eindeloze
kracht, dus niet als eigenschaploos, zoals
veel hindoes Het wensen te zien. Brahman is
in hoogste instantie dan ook geen abstracte,
neutrale entiteit, maar de uitstraling van de
Alvervulde, het persoonlijke Opperwezen, dat
Zich hier als Krishna met Brahman
één verklaart.
Tekst
38
Zoals een spin vanuit haar hart
haar web spreidt door haar opening
ontvouwt de Levensheer in klank
door de ether met Zijn geesteskracht
Tekst
39
Gezangenrijk en nectarrijk
uit OM in duizend richtingen
met klinkers, medeklinkers en
hun tussenklanken welverlucht
Tekst
40
Voorzien van tal van uitspraken
in ingenieuze versmaten
de Veda, die geen einde kent,
en windt hem dan weer in Zich terug:
Tekst
41
Gâyatrî, ushnik, anushthup,
brihatî, pankti en daarbij
trishthup, jagatî, aticchand',
atijagatî, ativirât.
Elk
van deze Vedische versmaten heeft vier
lettergrepen meer dan de voorgaande: zo heeft
de gâyatrî er 24 en de
atijagatî 52.
Tekst
42
Wat hij aanbeveelt, openbaart,
met redenen omkleed bepleit,
daarvan weet buiten Mij niet
één
wat er de diepste kern van is.
Tekst
43
De Veda openbaart slechts Mij,
beveelt Mij aan, bepleit slechts Mij,
slechts dàt is zijn betekenis,
terwijl hij de dualiteit
slechts als illusie ziet en zo
verwerpt - aldus is hij voldaan.
(Bron: S.B.
11.21)