De Alvervulde zei:
Tekst
1
Wie in 't vernomene volleerd,
volkomen zelfverwerkelijkt,
't heelal slechts als illusie kent,
is van de kennis vrij in Mij.
Met
andere woorden: Krishna gaat de kennis te
boven en is daarom de volmaakte
kennis.
Tekst
2
De wijze hunkert slechts naar Mij,
Ik ben zijn doel alsook zijn pad,
zijn hemel en verlossing ook,
niet één is hem zo lief als
Ik.
Tekst
3
In kennis weldoorleefd volmaakt,
kent hij Mijn allerhoogste staat.
De wijze is Mij daarom zeer lief:
door kennis draagt hij Me in zijn hart.
Tekst
4
Zelftucht, gebed en pelgrimsreis,
vrijgevigheid en deugdzaamheid
ontberen de volmaaktheid die
een vleugje kennis al verwekt.
Tekst
5
Begrijp daarom, o Uddhava,
door kennis wie je in wezen bent
en kom je tot verwerkelijking,
wees Mij dan liefdevol van dienst.
Tekst
6
Door kennis en verwerkelijking
aan de Offermeester te offeren,
't vereerde Zelf in 't eigen hart,
werd menige wijze alvolmaakt.
Tekst
7
't Drievoudig lichaam, dat jou, Uddhava, heeft
omgeven,
is schijn, een fáse, zonder aanvang en
zonder einde.
Hoe kunnen jou de transformaties ervan echt
raken?
aanvang en eind van iets onechts zijn slechts
overgangen.
Uddhava zei:
Tekst
8
Heer van 't heelal, dat slechts Uw eigen vorm
is,
verhaal me uitvoerig van die reine kennis,
de aloude, onthechtend voor wie haar
doorleven,
van 't bhakti-pad, dat grote zielen volgen.
Tekst
9
Voor wie door de drie gruwelen gegrepen
alom geteisterd wordt op 's werelds wegen
zie ik geen toevlucht dan Uw lotusvoeten
als parasol of als een stroom van nectar.
Tekst
10
Red hem die door de slang des tijds gebeten
diep neergevallen naar wat klein geluk
haakt,
verhef hem, Luisterrijke, door Uw goedheid,
besprenkel hem met woorden van verlossing.
De Alvervulde zei:
Tekst
11
Hetzelfde vroeg vorst Yudhishthhir'
aan de opperste beschermer van
de dharma, Bhîshma, terwijl wij
er allemaal naar luisterden.
Aan
het eind van de slag van Kurukshetra, voor de
aanvang waarvan Krishna de
Bhagavad-gîtâ uitsprak tot
Arjuna, de jongere broer van Koning
Yudhishthhira, stelde deze dezelfde vraag aan
Bhîshma, de 'stamvader' van beide slag
leverende broederfamilies.
Tekst
12
Diep rouwend om zijn dierbaren
aan 't einde van de Bhârat'-strijd
vroeg hij na menig ander ding
tot slot hoe men verlossing vindt.
De
slag leverende broederfamilies behoorden
beide tot het huis Bhârata.
Tekst
13
Zoals toen Bhîshma 't aan ons deed
spreek Ik jou nu van kennis en
onthechting en verwerkelijking,
geloof en toegewijde dienst.
Tekst
14
Dàt acht ik kennis waardoor men
in ieder wezen negen, elf,
vijf en drie elementen ziet
en daarbij 't Ene in allemaal.
Negen:
de stoffelijke natuur, het levend wezen, het
mahat-tattva, het ego en de vijf
zinsobjecten; elf: de vijf lichaamswerktuigen
- stem, armen, benen, anus en geslacht - en
de vijf zintuigen plus de geest; vijf: aarde,
water, vuur, lucht, ether; drie: de leibanden
tamas, rajas en sattva.
Tekst
15
Dàt is verwerkelijking waarin
men onverscheiden 't Ene ziet
en 't komen, zijn en gaan van al
als door de leibanden bewerkt.
Tekst
16
Wie in begin, midden en eind
verwijlt in al wat transformeert
en bij de ontbinding blijft bestaan &endash;
dat is voorwaar het Werkelijke.
Tekst
17
De flakkerende verschijnselen
verbleken bij het licht van Ved',
verstand, traditie, waarneming:
men wende zich er dus van af.
Tekst
18
Elk werk baart slechts vergankelijkheid.
De schrandere zie 't ongeziene
als even heilloos als hetgeen
hij ziet tot boven bij Brahmâ.
'Tot
boven bij Brahmâ' wil zeggen: van onder
tot boven in de kosmos.
Tekst
19
Van bhakti-yoga sprak Ik je al
wegens je liefde, o reine ziel.
Ik toon je opnieuw het hoogste pad,
dat leidt tot toewijding aan Mij.
Tekst
20
Geloven in Mijn zoet verhaal,
alom Mijn roem verheerlijken,
Me in ieder opzicht toegedaan
vereren met gebed en zang
Tekst
21
De dienst aan Mij eerbiedigen,
zich languit voor Me neerleggen,
Mijn bhakt' als hoogsteerwaardig zien
en Me onderscheiden in elkeen
Tekst
22
Al wat men doet slechts doen voor Mij,
slechts spreken over hoe Ik ben,
de geest aan Mij slechts toewijden
en alle wellust uitbannen
Tekst
23
Bezit en lust verzaken en
geluk
En wat men graag verricht
aan offer, gift, gelofte, ascese
en japa louter doen voor Mij:
Het
te verzaken geluk is uiteraard het vluchtige,
materiële geluk.
Tekst
24
Als iemand zo zijn dharma volgt,
Mij toegedaan, o Uddhava,
komt hij tot toewijding aan Mij.
Wat rest hem verder nog te doen?
Tekst
25
Wie zijn bewustzijn richt op Mij,
door sattva sterk en vredevol,
vindt dharm', onthechting, kennis en
ook rijkdom op zijn levenspad.
Tekst
26
't Bewustzijn echter van wie door
zijn zinnen rondgeslingerd wordt,
uit hartstocht, op de schijn gericht
&endash;
ken dat als tegenovergesteld.
Tekst
27
Dharma noemt men: wat bhakti brengt;
kennis: Mij allerwegen zien;
onthecht zijn: vrij van leibanden;
rijkdom: 't bezit der siddhi-rij.
Uddhava zei:
Tekst
28
Vijandentemmer, zeg me hoeveel
regels en bijregels men kent,
wat evenwicht is, zelfbedwang,
verdraagzaamheid, standvastigheid
Tekst
29
Geschenk, ascese, heldhaftigheid,
werkelijkheid en waarheid ook,
verzaking, rijkdom, wenselijkheid,
wat offer is en geestelijk loon
Tekst
30
Wat kracht is in een mens, o Heer,
volheid, gewin, o Kes'ava,
kennis, deemoed en schoonheid ook
en wat geluk is en verdriet
Tekst
31
En wat verstandig is, wat dwaas,
wat toch het pad is en wat niet,
wat de hemel is, wat de hel,
wie onze vriend is, wat ons huis
Tekst
32
Wie rijk of arm is en ook wie
een laagstaand mens of hoogstaand is
O Heer der toegewijden, leg
me dit van alle kanten uit.
De Alvervulde zei:
Tekst
33
Geweldloosheid en eerlijkheid,
oprechtheid, nederigheid, geloof,
onthechting, kuisheid, zwijgzaamheid,
vrijheid van hebzucht, vreesloosheid,
bereidheid te vergeven en
standvastigheid, mijn beste vriend
Tekst
34
Ascese, offer, vertrouwen, jap',
rein leven en de bedevaart,
gastvrijheid, eredienst aan Mij,
niets anders doen en wensen dan
het hoogste, alsook tevredenheid
en aan de leraar dienstbaar zijn:
Tekst
35
Dat zijn regels en bijregels,
van beide twaalf, naar men verklaart:
wie zich er toegewijd aan houdt
krijgt alles wat hij maar begeert.
Tekst
36
Evenwicht is: denk slechts aan Mij;
zelfbedwang: zinsbeteugeling;
verdraagzaamheid: duld alle leed;
standvastigheid: tem tong, geslacht
Tekst
37
Hoogste geschenk: niet vechten meer;
ascese: zeg de lust vaarwel;
heldhaftigheid: versla jezelf;
werkelijkheid: zie 't ene in al.
Tekst
38
Waarheid, zeggen de wijzen ons,
bestaat in zuiverheid van spraak
terwijl verzaking reinheid en
onthechting van ons doen omvat.
Tekst
39
Te wensen rijkdom: dharma alleen;
't offer: Ikzelve, de Opperheer;
geestelijk loon: wijs onderricht;
hoogste mensenkracht: ademtucht
Tekst
40
Volheid: mijn goddelijke staat;
gewin: volle overgave aan Mij;
kennis: helende eenheid in 't Zelf;
deemoed: voor 't kwade terugdeinzen
Tekst
41
Schoonheid: vrijheid van alle schijn;
geluk: zege over lief en leed;
verdriet: verlangen naar genot;
verstand: weten wat vrijheid is
Tekst
42
Dwaasheid: blind opgaan in het lijf;
het goede pad: dat leidt tot Mij;
het slechte pad: verbijstering;
de hemel: wanneer sattva gloort
Tekst
43
De hel: als tamas overheerst;
de vriend: de leraar, met Mij
één;
ons huis: dit mensenlichaam hier;
rijkdom: een overvloed aan deugd
Tekst
44
En armoede: ontevredenheid;
laagstaand: de slaaf der zintuigen,
hoogstaand: degeen die er los van is,
dus niet aan zingenot gehecht.
Tekst
45
Zo heb ik duidelijk gemaakt
wat je verlangde, Uddhava.
Maar waarom zo lang stil gestaan
bij 't aanduiden van goed en kwaad?
Beide onderscheiden is al kwaad!
't Goede is aan beide transcendent.
(Bron: S.B.
11.19)