Uddhava zei:
Tekst
1
U sprak reeds van de plichten voor
de toegewijde dienst aan U
voor ieder naar zijn levensfase
en kaste alsook voor de anderen.
Tekst
2
Verklaar me nu, o Lotusoog
hoe iemand door vervulling van
zijn eigen dagelijkse plicht
tot toewijding tot U geraakt.
Tekst
3
De hoogste vreugdeplicht die Gij,
o sterkgearmde Mâdhava,
o Heer, als Hamsa neergedaald,
hebt uitgelegd aan Heer Brahmâ
Hamsa: de Zwaan.
Tekst
4
En die zeer lang is nageleefd
Gij die de vijanden bedwingt,
zal weldra haast niet meer bestaan,
al is ze ooit onderricht door U.
Tekst
5
OP aarde noch in Brahmâ's oord,
de woning van de Veda's zelf,
Acyuta, zijt slechts Gij 't alleen
die haar beschut, schraagt en verklaart.
Tekst
6
Wanneer Gij, Madhusûdana,
die haar verklaart, bewaart en hoedt,
van de aarde heen zult zijn gegaan,
wie houdt ons haar dan voor, o God?
Tekst
7
O Gij die alle plichten kent,
beschrijf me welke mens die plicht,
gekend door toewijding tot U,
vervullen mag, en hoe, o Heer.
S'ukadeva zei:
Tekst
8
Hari, tevreden over wat
zijn trouwste toegewijde vroeg,
beschreef ter wille van 't geluk
der stervelingen de eeuwige plicht.
De Alvervulde zei:
Tekst
9
Wat je Me vraagt betreft de plicht
en strekt binnen 't bestek van kaste
en levensfase ieder tot heil.
Hoor nu van Mij wat ze behelst.
Tekst
10
In krita-yuga was elkeen
van kaste hamsa, naar men zegt,
vanaf geboorte plichtgetrouw &endash;
vandaar de aanduiding krita: àf.
Krita-
of satya-yuga: het eerste yuga in een
kringloop van vier, waarvan duizend
kringlopen een dag van Brahmâ vormen.
Hamsa's zijn zwaangelijke mensen, die in
meditatie steeds in het Allerhoogste
opgaan.
Tekst
11
OM was de Veda in 't begin;
Ik was de stier van 't heilig pad;
vol zelftucht en van zonde vrij
eerde men mij als Hamsa toen.
De
stier, een Vedische metafoor voor de dharma,
rust op de vier poten van zelftucht,
reinheid, mededogen en
waarheidlievendheid.
Tekst
12
In het begin van tretâ-yug'
kwamen uit Mij, gezegende,
langs prâna-weg de Veda's drie
en Ik als 't offer drieërlei.
De
drie Veda's, Rg, Sâma en Yayur, werden
later aangevuld met de Atharva als vierde en
met het Mahâbhârata en de
Purâna's als vijfde. Het Vedisch offer
bestaat uit de activiteit van de adhvaryu,
die altaar en offerperk in gereedheid brengt,
de hotha, die plengingen doet in het
offervuur, en de udgâtâ, die de
offermantra's zingt.
Tekst
13
Uit hoofd en arm en dij en voet
van de alomzijnde Godspersoon
verschenen de vier kasten toen,
elk met haar eigen werkzaamheid
Tekst
14
Het huismansleven uit Mijn schoot,
de brahmacarya uit Mijn hart,
uit Mijn borst het kluizenaarschap
en de sannyâs' rust op Mijn hoofd.
Dit
vers beschrijft de 'ontstaansplekken' in Gods
gedaante van de vier âs'rama's of
geestelijke levensfasen:
1. brahmacarya, het leven als leerling ten
huize van de guru;
2. grihastha, het leven als huisman;
3. vanaprastha, het leven van de &endash;
oudere &endash; huisman die zijn familie
vaarwel zegt en zich terugtrekt in het bos;
en
4. sannyâsa, het leven van de
rondzwervende prediker.
Tekst
15
Het wezen van elkeen al naar
zijn kaste of levensfase kwam
met zijn ontstaansplek overeen:
voor lagen laag, voor hogen hoog.
Namelijk
zijn 'ontstaansplek' in de 'alomzijnde
Godspersoon' van vers 13.
Tekst
16
Vreedzaam, beheerst, ascetisch, rein,
voldaan, oprecht, vergevingsgezind,
genadig, eerlijk, Mij gewijd,
zo zijn brahmanen van natuur.
Tekst
17
Heldhaftig, vurig, sterk en ferm,
verdraagzaam, nobel, wakker, kloek
en de brahmanen toegewijd,
zo zijn de kshatriya's van aard.
Tekst
18
gelovig, nederig, royaal,
de priesters altijd graag van dienst,
altijd op méér verdienen uit,
van dien aard zijn de vais'ya's steeds.
Tekst
19
't Ondubbelzinnig dienen van
brahmanen, vee en godenvolk,
voldaan met wat men daarvoor krijgt,
is de aard van elke ware knecht.
Tekst
20
Onrein, oneerlijk, diefachtig,
ongelovig, vol loze praat,
boosaardig, vol begeerte en lust,
zo is het kasteloze slag.
Tekst
21
Geweldloos, eerlijk en oprecht,
van lust, begeerte en woede vrij
op ieders welzijn slechts bedacht,
zo moeten alle kasten zijn.
Tekst
22
Opnieuw geboren want voorzien
van heilige draad woont een brahmaan
deemoedig bij zijn leraar thuis
en leert de Ved' op diens gezag
Tekst
23
Gehuld in hertevel, met staf,
nap, gordel, bidsnoer, kus'a-gras,
gebit en haren onverzorgd,
nooit zittend op een fraaie stoel
Tekst
24
Bij 't eten, 't bad en 't offeren,
japa en stoelgang altijd stil,
terwijl hij haar noch nagels knipt,
zelfs schaam- en okselhaar niet scheert.
Japa:
mantra-prevelen.
Tekst
25
De brahmacârî laat zijn zaad
nooit weglopen; gebeurt het toch
dan neemt hij 'n bad en prevelt stil,
adem beheerst, de gâyatrî.
De
gâyatrî-mantra ontvangt de
discipel in de ure van zijn inwijding van
zijn geestelijk leraar. Ze bevat in zaadvorm
de kennis en de realisatie van de hele Veda,
tot en met de hoogste liefde tot Krishna.
Omdat de gâyatrî geheim is, ook
al kan men haar in een cirkel van syllaben om
de wijzerplaat heen te lezen geven, wordt ze
in deze aantekeningen niet aangeboden en
beschreven.
Tekst
26
's Ochtends en 's avonds eert hij rein
en stil met mantra-preveling
het vuur, de zon, de leraar, 't vee,
goden, priesters en ouderen.
Tekst
27
Hij zie de leraar als Mijzelf
en acht hem nooit jaloers gering
als was hij maar een sterveling,
want alle goden zijn in hem.
Tekst
28
's Ochtends en 's avonds brengt hij hem
't voedsel en wat hij verder kreeg
als aalmoes en neemt welbeheerst
wat hem vergund wordt van hem aan.
Tekst
29
Hij blijft de leraar steeds als knecht
van dienst, waar deze ook gaat of staat
of zit of ligt, en staat nooit ver
van hem, handen gevouwen, klaar.
Tekst
30
Zo bezig in des leraars huis
leeft hij onthecht van zingenot
altijd aan zijn gelofte trouw
totdat het leren is gedaan.
Tekst
31
Wil hij naar 't Veda-oord, alwaar
Brahmâ verblijft, dan offert hij,
geloftevast, Zijn lichaam aan
de leraar als diens leraarsloon.
Zijn
leraar kan volledig over hem beschikken, doch
zal daar uitsluitend gebruik van maken om hem
omhoog te leiden.
Tekst
32
Van zonde vrij, in eenheid steeds
verwijlend, eert hij welverlicht
in vuur en leraar en zichzelf
en iedereen de Hoogste, Mij.
Tekst
33
Wie geen huisman is zal geen vrouw
aanzien of aanraken of met
haar praten, schertsen enzovoort
en mijdt ieder die seks bedrijft.
Tekst
34
Rein leven, âcaman' en bad,
Mij dagelijks driemaal eer brengen,
mantra-gebed en pelgrimsreis,
al 't kwalijke vermijden steeds
Âcamana
is een rituele reiniging, voorafgaand aan
offerhandeling of meditatie, waarbij men
onder het uitspreken van heilige namen
druppels heilig water slurpt of op bepaalde
plekken van het lichaam sprenkelt.
Tekst
35
O Uddhava, zijn regel voor
elk mens op ieder levensplan,
terwijl hij lijf en geest beheerst
en Mij in ieder schepsel ziet.
Tekst
36
Wie brahmacârya zo betracht
wordt helder als een laaiend vuur:
door straffe tucht van karma-vuil
ontdaan, raakt hij Mij toegewijd.
Tekst
37
Wie in de Veda welgeleerd
het huismansleven aan wil gaan
geeft aan de leraar een geschenk
en baadt zich met diens toestemming.
Tekst
38
Een waar brahmaan wordt huisman of
verblijft in 't woud of neemt
sannyâs':
Mij toegewijd, gaat hij steeds naar
het hogere voort, niet andersom.
Tekst
39
De huisman trouwt een jongere vrouw
dan hij en onberispelijk,
de eerste uit zijn eigen kaste en elk
die volgt een trede naar benee.
Een
huisman kan meerdere vrouwen trouwen, doch
alleen indien hij ze alle tot
zelfverwerkelijking kan leiden.
Tekst
40
'n Tweemaal-geborene offert steeds
en leert de Ved' en geeft vrijuit;
'n brahmaan offert voor anderen,
geeft onderricht, neemt gaven aan.
Tekst
41
Ziet hij dat aannemen als 't eind
van zijn verworven tucht, kracht, faam,
Dan leeft hij van het andere of,
dunkt hem dat kwaad, leest aren slechts.
Tekst
42
Het lijf van een brahmaan is niet
bedoeld voor schamel zingenot
maar voor ascese hier op aard,
die leidt tot grenzeloos geluk.
Tekst
43
Voldaan en tevree met het aren lezen,
op stralende wijze zijn plicht vervullend,
aan Mij toegewijd, zo vindt zelfs de huisman
die niet te gehecht raakt volkomen vrede.
Tekst
44
Wie 'n aan Mij toegewijd brahmaan
verlost van leed, zal Ik weldra
opheffen uit zijn eigen leed
zoals een bootje uit volle zee.
Tekst
45
De vorst verheffe heel zijn volk
en ook zichzelf door eigen kracht
zoals de machtige olifant
zijn kudde uit moeilijkheden redt.
Tekst
46
Zo'n vorst die iedereen op aard
van kwaad verlost zal als de zon
zo stralend in een zweefgondel
met Indr' uit spelevaren gaan.
Tekst
47
'n Arme brahmaan mag zaken doen
en zo zijn leed beëindigen
of rondkomen als krijger ook
maar nimmer kruipen als een hond.
Tekst
48
Een krijgerprins mag koopman zijn
of jagen als 't hem tegenzit
of les geven als een brahmaan
maar nimmer kruipen als een hond.
Tekst
49
Een vais'ya mag dan sûdra zijn,
en díe mag matten vlechten dan;
in voorspoed echter mag niet
één
willen bestaan van lager werk.
Matten
vlechten behoort even als schoenlappen tot
het werk van de kastelozen.
Tekst
50
Een huisman ere dagelijks
door Veda-studie, mantra-zang,
't symbolisch offeren van graan
en aanbieding van 't offermaal
god, wijzen, voorouders, wie niet,
want Ik verwijl in al wat leeft.
Tekst
51
Met geld dat hij vanzelf verkrijgt
of dat hij eerlijk heeft verdiend,
geen lid van zijn gezin tot last,
doet hij dit alles zoals 't hoort.
Tekst
52
Hij is onthecht van zijn gezin
en raakt er geenszins door verdwaasd
en wijselijk ziet hij wat nog komt
als even vluchtig als wat kwam.
Tekst
53
Kind, vrouw, familielid en vriend
zijn reizigers die men ziet gaan
zodra men 't lichaam achterlaat
als beelden van een droom die wijkt.
Tekst
54
Wie aldus schouwt is reeds verlost
en gast onder zijn eigen dak;
van hebzucht en van zelfzucht vrij,
kent hij in huis niets wat hem bindt.
Tekst
55
Een toegewijde dient Me thuis,
maar als zijn zoons volwassen zijn
zal hij in 't woud gaan wonen of
als bedelmonnik rondzwerven.
Tekst
56
Maar wie gehecht is aan zijn huis,
aan kroost en geld hangt, klein en dom,
en zich laat paaien door zijn vrouw,
zit door zijn egoïsme vast.
'En
zich laat paaien door zijn vrouw
' Voor
de vrouw geldt uiteraard hetzelfde ten
aanzien van de man.
(Bron: S.B.
11.17)