Uddhava zei:
Tekst
1
Gij zijt het Hoogste Brahman Zelf,
begin- en eindloos, onverhuld,
Beschermer, Schrager, Dood, Ontstaan
van alles wat er meer bestaat.
Tekst
2
Een grove geest kent U niet gauw
maar een verlichte aanbidt U, Heer,
Zoals Ge in werkelijkheid verwijlt
in ieder schepsel hoog en laag.
Tekst
3
De grootste wijzen eren U
in deze en gene vorm, waardoor
ze tot volmaaktheid opstijgen:
zeg mij toch wat die vormen zijn.
Tekst
4
Gij gaat in het verborgen rond,
o Opperziel, die allen schraagt:
begoocheld ziet geen schepsel U,
maar Gij ziet alom iedereen.
Tekst
5
O Oppermachtige, verhaal me van Uw vermogens
die Gij op aarde en in de hel alsook in de
hemel
rondom ontvouwd hebt
Ik breng eer aan Uw
lotusvoeten,
waarin alle oorden van aanbidding tezamen
komen.
De Alvervulde zei:
Tekst
6
O jij die vraagt zoals niet
één,
dezelfde vraag werd Me gesteld
door hem die slag moest leveren
met zijn rivalen: door Arjun'.
Tekst
7
Het doden van familie om
de koningstroon als gruwelijk ziend
zag hij er uit werelds perspectief &endash;
'Ik dood en zij gáán dood'
&endash; van af.
Tekst
8
Door Mijn uiteenzetting verlicht
deed toen die tijger van een mens
recht voor de hele krijgslinie
't verzoek dat Ik van jou nu krijg.
In
de Bhagavad-, vers 10.16-18.
Tekst
9
Ik ben de Ziel, Meester en Vriend
van alle schepselen, Uddhava,
Ik ben henzelf en 'k ben van hen
geboorte, leven en vergaan.
Een
aantal van de vele namen in de hieronder
volgende opsomming wordt verklaard in de
woorden- en namenlijst achterin dit boek. Bij
elke uitspraak komt het erop neer dat Uddhava
begrijpt dat Krishna in elke categorie van
uitnemendheden de uitnemendste is.
Tekst
10
Ik roer Me in alles wat zich roert,
Ik ben de tijd van al wat heerst,
het evenwicht der leibanden,
de ware deugd der deugdzamen
Tekst
11
Het snoer van al 't gebondene,
van al wat groot is het mahat,
van al 't ontastbare de ziel
van al 't balsturige de geest
Tekst
12
Van Veda-leraren Brahmâ,
van mantra's het drieledig AUM,
de letter A van 't alfabet,
van versmaten de gâyatrî.
Tekst
13
'k Ben Indra van het godenvolk
en Agni van de Vasu-drom
en Vishnu van Aditi's zoons,
en S'iva van de Rudra-schaar.
Tekst
14
'k Ben Bhrigu, Manu, Nârada
onder de zieners die men vindt
bij priesters, vorsten, 't godendom,
de koe-van-overvloed bij 't vee
Tekst
15
Kapila, de volmaakten-vorst,
Garuda van het vogelras,
Daksha van de aartsverwekkersschaar,
van de voorouders Âryamâ.
Tekst
16
Ken Me onder Diti's zonen als
Prahlâda, de demonenprins,
voor kruid en ster ben Ik de maan,
de vorst van Yaksha en Râkshasa
Tekst
17
Airâvat' bij de dikhuiden,
Varun' in 't zee- en waterrijk,
de zon van wat er zengt en schijnt
en onder 't mensenvolk de vorst
Tekst
18
Bij de paarden Ucchaihs'ravâ
en onder de metalen 't goud,
Heer Yam' onder de straffenden,
bij de serpenten Vâsukî
Tekst
19
Anant' onder de slangenschaar,
van wat er rijt en bijt de leeuw;
van de levensfasen sannyâs',
van de vier kasten de brahmaan
Tekst
20
De Ganges van wat heilig stroomt,
van waterbekkens de oceaan,
van alle wapentuig de boog
en S'iv' onder de boogschutters
Tekst
21
Sumeru van de woonoorden,
van steilten de Himalaya,
onder bomen de vijgenboom
de haver van het graangewas
Tekst
22
Vasishthha van het priestervolk,
van leren Brihaspati,
bij de oorlogsheren ben Ik Skand',
onder rechtvaardigen Brahmâ
Tekst
23
Van offers 't Veda-onderzoek,
van geloften geweldloosheid,
en onder louteraars ben Ik
wind, vuur, zon, water en het woord
Tekst
24
In yoga 't hoogste zelfbedwang,
't beleid van al wie voorwaarts streeft,
in kennis 't geestelijk onderscheid,
de twijfel van de filosoof
Tekst
25
Bij 't vrouwendom S'atarûpâ,
en bij de mannen Svâyambhuv',
onder wijzen Nârâyana,
bij brahmacârî's S'rî
Kumâr'
Tekst
26
Van 't geestelijke 't monnikschap,
van zekerheden zelfinkeer,
van geheimen het stilzwijgen
en het omzichtig taalgebruik
en van de liefdesparen ben
Ik de Ongeborene, Brahmâ.
Brahmâ
schiep uit zijn eigen lichaam man en
vrouw.
Tekst
27
Van al wat waakt ben Ik het jaar,
van seizoenen de lentetijd,
van de maanden de bloeiende,
van hemeltekens 't gunstigste.
Tekst
28
Van de era's ben Ik satya-yug',
van wijzen Deval', Asita,
onder de vyâsa's Dvaipâyan',
onder geleerden
S'ukrâcâry'
Vyâsa's:
ordenaars der Vedische teksten
Tekst
29
Van de Alvervulden Vâsudev'
en van de toegewijden jou,
van de apemensen Hanumân,
van de vidyâdhar's Sudars'an'
Onder
de Alvervulden of bhagavân's - Vishnu,
Râma, Vâmana enzovoort - is er
één de Eerste, en wel
Vâsudeva, de Zoon van Vasudeva:
Krishna. Deze verklaring benadrukt de
klinkende doch vaak verdonkeremaande regel
krishnas tu bhagavân svayam - 'maar
Krishna is de Alvervulde Zelf' - uit vers
1.3.28 van ditzelfde Bhâgavata
Purâna.
Tekst
30
Van edelstenen de robijn,
van al 't mooie de lotuskelk,
van grassoorten het heilig gras,
van plengingen de koeien-ghî
Tekst
31
Van de ondernemenden 't geluk
van de valsspelers het bedrog,
't geduld van de verdraagzamen,
van de goeden het evenwicht
Tekst
32
Van sterken geest- en lichaamskracht,
van toegewijden heel hun doen,
van de Vormen door hen geëerd &endash;
négen &endash; de hóógste,
Vâsudev'
De
negen door de toegewijden geëerde
Godsgedaanten, alle gelijk aan
Vishnu/Krishna, dus geen lagere goden zoals
Indra en Varuna, zijn Vâsudeva,
Sankarshana, Pradyumna, Aniruddha,
Nârâyana, Hayagrîva,
Varâha, Nrisimha en
Vâmana.
Tekst
33
De beste hemelzanger en
de beste hemeldanseres,
van bergen de standvastigheid,
van de aarde de intrinsieke geur
Tekst
34
Van water de verheven smaak,
van al wat blinkt de zonneschijf,
het licht van sterren, zon en maan
en de ijle klank van de ethersfeer
Tekst
35
Bali, grootste brahmanenvriend,
en van de krijgshelden Arjun'
en van al wat geschapen is
ontstaan, instandhouding, vergaan.
Tekst
36
Spraak, loop, het grijpen, 't loslaten,
genot, smaak, reuk, gezicht, gehoor
en aanraking tezaam ben Ik
en 't werken van de zintuigen.
Tekst
37
Lucht, water, aarde, ether, licht,
't ego, 't mahat, hun samengaan,
het levend wezen, de natuur,
tamas, rajas, sattva, de Heer &endash;
dat alles met zijn kennis en
realisatie ben Ik ook.
Tekst
38
Ik ben de Heer, elk levend ding,
de leibanden, heel de natuur,
de Ziel van alles, al wat is,
want buiten Mij bestaat er niets.
Tekst
39
Het tellen van de atomen van
't heelal kost Mij veel minder tijd
dan dat van al Mijn volheden:
Ik schep miljoenen werelden.
Tekst
40
Macht, schoonheid, rijkdom, roem, geluk
ootmoed, vreugde, ingetogenheid,
geduld, kracht, zelfverwerkelijking &endash;
waar deze zijn, daar ben ook Ik.
Tekst
41
Wat Ik je aldus in 't kort beschreef
aan openbaringen van Mij
zijn spelingen slechts van de geest
als onderscheiden door de spraak.
Tekst
42
Beheers je spraak, beheers je geest,
beheers adem en zinnen ook,
beheers het ego door 't verstand
en nooit keer je in de kringloop weer.
Tekst
43
De toegewijde niet in staat
zijn spraak en geest door zijn verstand
volkomen te beteugelen
ziet zijn ascese en inspanning
wegsijpelen als water uit
een kruik die nog niet is gehard.
Tekst
44
Wie Mij bemint beheerse dus
spraak, geest en adem waarna hij
door zijn verstand, Mij toegewijd,
het hoogste levensdoel bereikt.
(Bron: S.B.
11.16)