Shukadeva zei:
Tekst
1
In het schatrijke Dvârakâ
Woonde vol vreugde Lakshmi's Heer
Met om Zich heen de helden van
Het Vrishni-huis, blakend van eer
Tekst
2
En Zijn Beminden, bloeiend jong,
In kostbare kledij gehuld
Balden z' op de paleisdaken
Dan raakt' Hun naaktheid soms onthuld
Tekst
3
't Wemelde 'r van de dikhuiden,
Hun slapen druipend van de mad',
Krijgers en paarden, rijk getooid,
En wagens blikkerend van 't goud
Tekst
4
Parken en tuinen overal,
Bloeiende bomen, rij na rij,
Waarin 't gekweel van vogels klonk,
't Gezoem van hommel en van bij.
Tekst
5
Blij speelde d' Ene Minnaar met
Zijn zestienduizend Vrouwen daar
In prachtgedaanten, evenveel
Als Zij, in weeld' ong'evenaard.
Tekst
6
Van de paleisvijvers, diep klaar,
Kwam 't zoet aroom van stuifmeel aan
Van tal van lotussen en 't bont
Krakeel van eendvogel en kraan.
Tekst
7
De Heer van weeld' en overvloed,
Door Zijn Beminden zoet omhelsd
In 't water, kreeg 't gevlekt saffraan
Zo van Hun borsten op Zijn vel.
Tekst
8
Gandharva's loofden er Zijn roem
Terwijl een muzikantenrij
Hen begeleidde met bazuin,
Vinâ, kleitrom en tamboerijn.
Tekst
9
Speels spoot Achyuta met een spuit
De schaterende Vrouwenstoet,
Die 'M natspoot, nat, zoals Kuver'
De Yaksha-vrouwen onderspoot.
Tekst
10
Door natte sari's schenen dijen en ronde
borsten
En bloemen vielen in het water uit dikke
vlechten
Terwijl Ze Krishn', als op de spuit uit, verwoed
omhelsden
En liefdesvreugd' een diepe gloed bracht op Hun
gezichten.
Tekst 11
De bloemenkransen op Zijn borst zagen rood van
't kunkum'
Van dolle pret zwierden Zijn lokken los om Zijn
wangen
Terwijl Hij t'rugspoot naar de Vrouwen die Hem
belaagden
Zo laat een dikhuid zich in 't spel met zijn
wijfjes vangen.
Tekst
12
De kleren en de sieraden
Van Hem en iedere prinses
Schonk Hij na 't Spel aan muzikant,
Zanger, danser en danseres.
Tijdens
het goddelijk waterballet werd rondom
gezongen, gedanst en gemusiceerd. De zangers,
muzikanten en dansers waren zuivere
toegewijden van de Heer, die van Zijn
bovenzinnelijk liefdesspel met de
onuitsprekelijk schone Prinsessen niet van
streek raakten. Ze dansten, zongen en
musiceerden slechts om Krishna's vreugde tot
het uiterste te verhogen. Het genoegen dat ze
aan deze liefdedienst beleefden ging de
hoogste genoegens van de materiële
wereld eindeloos ver te boven.
Tekst
13
Zo speelde Hij en van Zijn lach
En gang en wat Hij schertsend zei,
Zijn blikken en omhelzingen,
Raakten de Vrouwen van de wijs.
Tekst
14
Zo gingen Z' op in Lotusoog
Dat Ze 'n tijdlang niets zeiden meer
Tot Z' als waanzinnig losbarstten
Hoor toe, ik geef het u hier weer.
De Vrouwen zeiden:
Tekst
15
Krishna's immer waaks bewustzijn is verhuld en
Hij slaapt nu.
Heeft Zijn zoete lotusblik soms jóuw hart
óók zo verslagen,
Arendwijfje? 't Is nu nacht voor Mij - hoe leeg
is de wereld!
Zeg toch, waarom waak je, waarom zit je steeds
maar te klagen?
Tekst
16
Ach rotgans, mis je soms je makker in 't
nacht'lijk donker?
Wat zit je daar, met j' ogen dicht, inbedroefd
te snikken?
Of wil j' als Krishna's dienares, net als Ik, de
mâlâ
Die aan Zijn voeten werd gelegd, om je schouders
schikken?
Tekst
17
En jij, oceaan, waarom brul je heel de nacht
-
Doordat j' aan hardnekkige slapeloosheid
lijdt?
Of heeft soms Mukunda ook jou iets afgepakt
En blijf je nu hopeloos woelen om dat feit?
Zoals
Krishna de Vrouwen Hun hart heeft ontstolen,
zo menen toegewijde commentatoren, heeft Hij
de oceaan beroofd van zijn ernst en
rust.
Tekst
18
O maan, de tering heeft je vreselijk
aangegrepen,
Je bent zo dun - je kunt het duister niet meer
verdrijven
Of ben je net als Ik vergeten hoe Krishna
praatte -
Zo lijkt het wel - dat je verhalen nu steken
blijven?
Tekst
19
Wat heb Ik je toch aangedaan,
O zuidenwind, dat je zo 't vuur
Der liefd' aanwakkert in Mijn hart
Van Krishna's blikken overstuur?
Tekst
20
O wolk zo mooi, geliefde van Hari,
[Krishna, Meester der
Yadu's,
Opgaand in Hem - 't gaat evenzo met Mij -
[fel door liefde gebonden,
Pleng jij als Ik, even benauwd van hart,
[tranen o zo verdrietig,
Van Hem slechts vol, die aan wie 'M eenmaal
kent
[pijn geeft, ja schrijnende
wonden?
De
regenwolk is door haar kleur, identiek aan
die van Krishna, speciaal met de Heer
verbonden.
Tekst
21
Zoals jíj Me je rijke noten kweelt
Zoals jíj doden tot leven wekt, koel
Als Mijn Minnaars gezang klinkt jouw gezang
Zeg Me, ach, wát mag Ik voor je doen,
vertel!
(Dit
vers is gedicht in de vaitâliya, de
hofzangersmaat, die als versmaat tussen alle
andere in het Spel van Krishna slechts
eenmaal voorkomt en opvalt door het verschil,
in voeten en lengte, tussen de regels a en c
( .. - .. - . - . -) en de regels b en d (..
- - .. - . - . -).)
Tekst
22
Wat stil ben je, berg, in diep gepeins
verzonken,
Gewichtige zaken beschouwend, d' aarde schragend
-
Of hoop je soms Vâsudeva's lotusvoeten
-
Ik hunker ernaar - op je welvingen te
dragen?
(Ook
dit vers is geschreven in een slechts eenmaal
in dit boek voorkomende maat, de praharshini
(de verrukkende), eveneens met een verschil,
wederom in voeten en lengte, tussen regels a
en c (. . . . . . - . - . - .) en b en d (. .
. . - . . - . - . - .). De maat van de
herdichting wijkt in de eerste voeten af,
doordat een Nederlandse dichtregel niet met
meer dan twee onbeklemtoonde lettergrepen kan
beginnen.)
Tekst
23
Rivieren, wat is jullie stroom toch verdroogd en
schamel -
Geen lotus zie Ik bloeien meer
Ik kan 't
óók niet dragen:
Mijn zoete Meester Mâdhava heeft Mijn hart
gestolen
Maar 'K mis Zijn liefdevolle blikken - en Ik
vermager
Tekst
24
Welkom, zwaan, neem hier plaats en drink een
beetje melk.
[Dis op wat Krishna toch doet
Hij stuurt jou, is het niet? En gaat het Hem nog
goed?
[Heugt Hij Zich nog - o die
Dief!
Grijp-maar-raak! - wat Hij Mij toch eerlijk had
beloofd?
[[Ik Hém nog dienen?
Hoezo?
Haal Hem, kleintje, maar zo, dat Sri geen
argwaan krijgt
[Vraag Hem: "Is Zij
slechts Je Lief?"
Shukadeva zei:
Tekst
25
Aldus van liefde overvol
Voor Mâdhav', Krishna, d' Opperheer
Van alle yogameesters saam,
Bereikten Zij de Hoogste Sfeer.
Tekst
26
Als Hij een vrouw al tot Zich dwingt
Als ze Zijn Naam hoort hier en daar
Of als een bard Zijn lof bezingt,
Hoe dan niet als ze 'M zó ontwaart?
Wie kent de boet' ooit ondergaan
Door Hen die liefdevol en teer
De Wereldleraar als Hun Man
De voeten kneedden en zo meer?
Tekst
28
Zo volgde 't Doel der vromen Zelf
Het Vedisch pad en liet steeds zien
Hoe men in deugd en weeld' en lust
Kan leven in het huisgezin.
Tekst
29
Met al Zijn zestienduizend en
Eénhonderd Vrouwen volgd' aldus
D' Alvervulde de hoogste Wet
Zoals 't een wakker huisman past.
Het
in eerdere verzen gegeven getal van
zestienduizend wordt hier aangevuld met
honderd; tesamen met de eerste acht
Gemalinnen zijn het er 16.108.
Tekst
30
O vorst, ik heb u al verhaald,
In volgorde, van Rukmini
En d' acht voornaamsten met Hun zoons
Van heel die Pronkjuwelenrij.
Krishna, d' almachtig' Opperheer,
Onfeilbaar in Zijn wilsbesluit,
Verwekte bij Hen allemaal
Tien zoons - Geen zonderde Hij uit.
Tekst
32
Van deze helden van formaat
Hadden er achttien weidse faam,
De grootste krijgers van hun tijd,
O koning, luister naar hun naam.
Tekst
33
't Waren Pradyumn' en Aniruddh',
Aruna, Bhânu alsook Sâmb',
Brihadbhânu, Chitrabhânu,
Madhu, Vrik' alsook Diptimân
Tekst
34
Pushkara en Vedabâhu,
Shrutadeva, Sunandana,
Chitrabâhu alsook Virup',
Kavi alsmede Nyagrodha.
Tekst
35
Van deze zonen nu, o vorst,
Van d' alvervulde Mâdhava,
Was d' eerste die van Rukmini,
Pradyumna - Krishn' uit en te na.
Tekst
36
Getrouwd met Rukmi's dochter kreeg
Die krijger, elke vijand t' erg,
De machtig' Aniruddh' als zoon,
Tienduizend olifanten sterk.
Tekst
37
Die trouwde met de dochter van
De zoon van Rukmi - dus zijn nicht:
Hun zoon was Vajra, d' een'ge die
Nog leefde na het Knotsgericht.
De
geschiedenis van het Knotsgericht, waarbij
het Yadu-huis zichzelf in dronkenschap
uitroeide, wordt verhaald in het
Nawoord.
Tekst
38
Vajra's zoon was Pratibâhu,
Subâhu was de zoon de zoon van
hém,
Wiens zoon weer Shântasena was,
En diens zoon weer was Shatasen'.
Tekst
39
Van dat geslacht was er geen telg
Die arm was, weinig zonen had,
De brahmanen geen dienst bewees,
Niet oud werd of geen kracht bezat.
Tekst
40
Er waren zoveel Yadu's, vorst,
Beroemd om deez' of gene daad,
Dat in tienduizend jaar zelfs niet
Hun glorie zich bezingen laat.
Tekst
41
Mij is verteld dat het getal
Der leraren van 't Yadu-kroost
Achtendertig miljoen plus nog
Achthonderdduizend was, o vorst.
Tekst
42
Hoeveel verheven Yâdava's
Hebben er wel niet moeten zijn
Als alleen Ugrasena al
Door tien biljoen man werd gediend?
Tekst
43
In de strijd tussen demon en god
Kwam meen'ge trots' asura om,
Die, weergeboren hier op aard',
Opnieuw zijn kwade werk begon.
Tekst
44
Zoals bevolen door Hari
Daalden de goden toen bijeen
In de families van 't geslacht
Van Yadu neer - honderd-en-een.
Tekst
45
Allen beschouwden Keshava,
De Welvervulde, als hun Heer
En in Zijn dienst floreerden zij -
En met de Yadu's velen meer.
Tekst
46
Of men nu sliep, zat, liep of sprak,
Zijn bad nam, speeld' of dit of dat,
Zozeer was men van Hem vervuld
Dat men zichzelf erbij vergat.
Tekst
47
Van Hem, als Yadu neergedaald, wiens
voetwaswater zelfs
[het Gangeswater heiligt;
Die zelfs Zijn vijand bij Zich opneemt; in wiens
dienst
[grillige Sri eeuwig wil
blijven;
Wiens Naam, vernomen of genoemd, elk onheil
doodt; die door
[de rishi's 't heil laat
schijnen; -
Van Krishna, met Zijn Tijdrad, is 't geen wonder
dat Hij
['s werelds last wist te
verdrijven.
(Evenals
vers 21 en 22 is dit vers geschreven in een
eenmaal in dit boek voorkomende maat, de
sragdharâ of bloemenkransdraagster.
Behalve een opeenvolging van vier
beklemtoonde lettergrepen bevat de
sragdharâ, evenals de praharshini van
vers 21, een opeenvolging van zes
onbeklemtoonde lettergrepen, waardoor ze zich
niet in het Nederlands laat weergeven. De
herdichting houdt zich slechts aan de
oorspronkelijke regellengte van 21
lettergrepen.)
Tekst
48
Dev'ki's Zoon, zo noemt men Hem, het Heil der
levende wezens;
Yadu's helden dienden Hem; zelfstandig veld' Hij
de kwaden;
't Leed van alles wat zich roerd' of niet
verdreef Hij; Zijn glimlach
Zorgd' ervoor dat daam' en dorpsvrouw 'M al maar
dieper aanbaden.
Tekst
49
Om d' eigen dharma te beschermen kwam d'
Allerhoogste
Als Mens omlaag en openbaarde Zijn Spel op
aarde,
Waardoor al wie 'r almaar aan denkt van zijn
karma vrijkomt
Wie Krishna's voeten vinden wil heugt zich Zijn
daden!
Tekst
50
Wie trouw d' alzalige geschiedenis van
Mukunda
Verheerlijkt, aanhoort en zich heugt - die
ontvangt de liefde
Die tot Zijn Oord leidt, waar d' almachtige dood
niet doordringt,
En waarvoor koningen als yogi's hun troon
verlieten.
(Bron: S.B.
10.90)