De koning zei:
Tekst
1
O alvervulde, 'k wil zo graag
Van alles nog vernemen van
De daden van die Grote Ziel,
Hari, die werk'lijk alles kan.
Tekst
2
Wil een vermoeid genotzoeker
Die weet waar 't Hoogste Goed ligt, heer,
En die ooit iets van Krishna heeft
Gehoord, niet vérder horen meer?
Tekst
3
Die mond is slechts mond die Zijn heerlijkheid
prijst,
Die geest is slechts geest die 'M in alles
herkent,
Dat oor is slechts oor dat van Hem alleen
hoort,
Die hand is slechts hand die uitsluitend Hem
dient.
Tekst
4
Dat hoofd is slechts hoofd dat zich buigt voor
Zijn Vorm,
Dat oog is slechts oog dat Hem overal ziet,
Dat lijf is slechts lijf dat van 't waswater
van
Zijn voeten en die van Zijn dienaars geniet.
Suta zei:
Suta
is een wijze die het relaas van Shukadeva aan
Parikshit doorvertelt aan een kring van
rishi's.
Tekst
5
Op dit verzoek van Parikshit
Zei d' alvervulde Shukadev'
Wiens hart volkomen opging in
D' algrote Zoon van Vasudev':
Shukadeva zei:
Tekst
6
Hari had een brahmaanse vriend
Die alles van de Ved' afwist;
Hij was onthecht van zingenot
En door en door sereen van geest.
Tekst
7
Hij was tevree met wat hij kreeg
En vroeg of werkte niet om
méér;
Zijn vrouw, in lompen net als hij,
Was van de honger uitgeteerd.
In
de Vedische samenleving dient men een heilige
brahmaan, leraar van alle maatschappelijke
geledingen, eigener beweging van het nodige
te voorzien. De brahmaan vertrouwde zo op de
Heer, dat wanneer tegen alle Vedische
principes in niemand hem wat bracht, hij toch
niet uit bedelen of uit werken ging. Zijn
trouwe echtgenote stond hem in dit
zelfverloochenend vertrouwen op de genade van
de Alvervulde onwankelbaar terzijde.
Tekst
8
Haar heer en meester toegewijd
Kwam zij doodarm, totaal verzwakt
En sidderend van uitputting
Tenslotte naar hem toe en sprak:
De
vrouw van de brahmaan zei:
Tekst
9
Ach welvervulde, ben je niet
Rechtstreeks bevriend met d' Echtgenoot
Van de Godin van het geluk,
Die de brahmanen helpt in nood?
Tekst
10
Gezegende, ga naar Hem toe,
Die Toevlucht van elk edel mens,
En Hij zal j' alles geven wat
Je lijdende gezin maar wenst.
Tekst
11
Hij woont in Dvârakâ als Heer
Van Vrishni, Bhoj' en Andhaka;
Daar geeft Hij, d' Alvader, Zich aan
De dienaars van Zijn voetenpaar
En schenkt hun wat ze wensen ook
Al is 't het wensen niet eens waard.
Shukadeva zei:
Tekst
12
Terwijl ze 't need'rig telkens vroeg
Dacht de brahmaan uiteindelijk:
" 't Aanschouwen van d' Alroemrijke -
Wat is er mooier eigenlijk?"
Tekst
13
Het was deez' overweging die 'm
Besluiten deed op weg te gaan:
"Is er nog iets in huis," vroeg hij,
"Om Hem te geven? Geef't me dan."
Tekst
14
Ze ging bij de brahmanen rond
En kreeg vier handjes pofrijst zo,
Die z' in een lap bond en haar man
Meegaf op reis als hun cadeau.
Tekst
15
Daarmee reisde de nobelste
Der priesters af naar Dvârakâ
Terwijl hij dacht: "Hoe zal ik Hem
Aanschouwen als ik voor Hem sta?"
Tekst
16
Met and're priesters liep hij door
Drie wachtkampen en driemaal 'n wal
De stad binnen van 't Vrishni-volk,
Dat Krishna diende bovenal.
Tekst
17
Daar ging hij een der huizen in
Der zestienduizend Vrouwen van
Sri Bhagavân - een pronkjuweel -
Door vreugd' onzegbaar overmand.
Tekst
18
Hari, die op het rustbed lag
Van Zijn Prinses, kwam op de been,
Haastte Zich lachend op hem toe
En sloeg Zijn armen om hem heen.
De
ontmoeting vond plaats na de Slag bij
Kurukshetra, toen Krishna al in de negentig
was maar net als Rukmini er nog steeds als
een twintigjarige uitzag. Zijn brahmaanse
vriend echter had het voorkomen van een
grijsaard.
Tekst
19
D' aanraking van Zijn lieve vriend
Ontroerde Mâdhava zo diep
Dat 'r uit Zijn lotusogen, ach,
Een stroom van vreugdetranen liep.
Tekst
20
Hij zette 'm op het rustbed neer
En bracht hem hoogstpersoonlijk eer:
Zo wies Hij 'm eigenhandig ook
De voeten, d' alvervulde Heer.
Tekst
21
De Wereldlouteraar nam toen
Het water op Zijn kruin, o vorst,
En smeerde 'm sandel met saffraan
En aloë op hoofd en borst.
Tekst
22
Hij wuifde wierook heen en weer
En offerde 'n ghi-lampjesrij
En schonk Zijn vriend pân en een koe
En praatte zoetgevooisd en blij.
Tekst
23
In lompen zat daar de brahmaan,
Dun, vuil, zijn aders opgezet,
Maar Rukmini wuifde hem Zelf
Koelte toe op Haar eigen bed.
De
Naam van Rukmini wordt in de Sanskrit tekst
niet genoemd - er staat Devi: de Godin - maar
de traditie is het erover eens dat Krishna's
zoete wil de arme brahmaan Rukmini's paleis
in had geleid.
Tekst
24
Toen Krishna - geen zo rein van eer -
D' onreine zoveel liefde gaf
Stonden de vrouwen van 't paleis,
Die het gebeuren zagen, paf.
Hier
met "onreine" vertaalde Sanskrit-woord
avadhuta betekent letterlijk "afgeschud" en
duidt iemand aan op wie stof en vuil geworpen
is; het verwijst in het bijzonder naar een
yogi die uiterlijk smerig en naakt is als een
aap, maar innerlijk zo rein als een
dauwdruppel.
De vrouwen zeiden:
Tekst
25
Wat moet die vuile bedelaar,
Straatarm, met haast geen kleren aan,
Door alle mensen diep veracht,
Wel niet voor vrooms hebben gedaan
Tekst
26
Dat nu de Leraar van 't heelal,
Die Sri, wier Heil Hij is, eenzaam
Op bed liet liggen, hem daar eert
En haast omhelsd' als Balarâm'?
Shukadeva zei:
Tekst
27
De twee - ze zaten hand in hand -
Herinnerden elkaar verrukt
Aan hoe het was toen ze nog bij
Hun guru woonden, jaren t'rug.
De Alvervulde zei:
Tekst
28
Toen je na je discipelgift
Van Gurudev' was weggegaan,
O dharmakenner - kreeg je 'n vrouw
Die bij je hoorde, o brahmaan?
Tekst
29
Ik weet dat jij als echtgenoot
Vrij van genotverlangen bent
En dat je niets om rijkdom geeft
Daar je de Waarheid immers kent.
Tekst
30
Een enkeling verricht zijn taak
Innerlijk van genot gespeend,
Van uiterlijke drang bevrijd -
Zie Mij - tot voorbeeld van elkeen.
Tekst
31
Weet je nog - thuis bij Sri Gurú?
Daar krijg je kennis, 't kennen waard,
Waardoor 'n tweemaal geborene
Nergens meer duisternis ontwaart.
De
eerste geboorte is die uit de moederschoot;
de tweede die uit de inwijding ontvangen van
de geestelijk leraar. Een tweemaal geborene
wordt dvi-ja genoemd.
Tekst
32
Onze vader is leraar één;
Twee: hij die dvi-ja's binnenleidt
In 't geestelijk bestaan; drie: hij
Die élk verlicht - ken hém als
Mij.
Tekst
33
Diegenen kennen hun belang
Die waar z' ook in het leven staan
Hun leraar - Mij - gehoorzamen
En zo samsâra overgaan.
Tekst
34
Ik - 't Zelf in al 't geschapene -
Geniet minder van offers, boet',
Onthechting, 't wijdingsritueel
Dan van de dienst aan Sri Gurú.
Tekst
35
Weet je nog van die keer dat wij
In 't huis van Gurudev', brahmaan,
Door Guru's vrouw werden gevraagd
Naar hout voor 't vuur op zoek te gaan?
Tekst
36
We liepen door het dichte woud
Toen er plots - buiten 't jaargetij -
Een vreselijke storm opstak -
Een daverende donderbui!
Tekst
37
De zon ging onder en alom
Heerste volkomen duisternis,
Het water steeg en 't onderscheid
Van hoog en laag werd uitgewist.
Tekst
38
Getroffen door stormvlaag en storthoos keer op
keer
Terwijl onophoudelijk 't water om ons steeg,
Ach, grepen w' elkaar bij de hand daar in dat
bos,
Verbijsterd, verloren - we kenden heg noch
steg.
Tekst
39
Toen Meester Sândipani ons
Niet thuis zag toen de dag aanbrak
Zocht hij rond naar zijn leerlingen
En vond ons daar verward en zwak.
Het
noodweer dat over de sprokkelaars losbarstte
is behalve een adembenemend reëel
gebeuren een pakkende metafoor voor de storm
van het materiële bestaan en de
duisternis der onwetendheid, waaruit de
oprechte leerling door zijn leraar wordt
gered.
Sândipani zei:
Tekst
40
Ach jongens van me, wat een leed
Heb je om mijnentwil doorstaan!
Hoe toegewijd zijn jullie niet,
Want hángt men niet aan zijn bestaan?
Tekst
41
Uit dank voor al zijn onderricht
Zal 'n ware leerling wát hij heeft,
Ja zelfs zijn lichaam, rein van hart
Wegschenken aan zijn Gurudev'.
Tekst
42
O dvi-ja-parels, mogen al
Je wensen in vervulling gaan
En mag de Veda immer nieuw
Altijd in jullie voortbestaan!
De Alvervulde zei:
Tekst
43
En zo gebeurd' er heel wat meer
Met ons bij Gurudeva thuis:
Slechts door zijn gunst ontvangt een mens
De ware vreed' en wordt hij wijs.
De brahmaan zei:
Tekst
44
Ja, wat bereikten wij daar niet,
O God der goden, Al-leraar,
Bij Guru thuis, want als Gíj 't wenst
Komt alles altijd voor elkaar.
Tekst
45
Heer, Uw Verschijning, Bron van heil,
Is louter Geest, de Veda Zelf,
En daarom was Uw leerlingschap
Niets anders dan Uw hevig Spel.
(Bron: S.B.
10.80)