Shukadeva zei:
Tekst
1
Toen schrander' Uddhav' had gehoord
Wat Nârada hun had verklaard
Zei hij, wetend hoe Keshava
Over de zaak dacht met Zijn raad:
Uddhava zei:
Tekst
2
Zoals de rishi zegt, o Heer,
Verdient de koning bijstand met
Zijn offer, maar help dan meteen
De vorsten op hun smeekgebed.
Tekst
3
Wie íeder overwint slechts heeft
Op 't brengen van dit offer recht,
Dus als Jarâsandh' wordt gedood
Zijn beide kwesties mooi beslecht.
Tekst
4
We hebben er groot voordeel van
Als we dat doen, Govinda, Heer!
Als Ge de koningen verlost
Vergroot G' Uw roem daarmee nog meer.
Tekst
5
Tienduizend olifanten sterk
Is deze Koning Jarâsandh':
Behalve Bhima, even sterk,
Is er geen die 'm bevechten kan.
Tekst
6
Honderd akshauhini's heeft hij:
Dus geen veldslag, maar 'n tweegevecht
Hij eert de priesters en hij heeft
Tot geen brahmaan ooit "Nee" gezegd.
Jarâsandha
eerde de priesters niet uit godvruchtige
behoefte, maar opdat ze in zijn naam offers
brachten die hem van macht en rijkdom moesten
verzekeren.
Tekst
7
Laat Bhim' als priester tot hem gaan
Met het verzoek om een duel:
Als Gij erbij aanwezig zijt
Is d' overwinning kinderspel.
Tekst
8
Brahmâ en Shiva zijn van U
Als de gedaanteloze Tijd
Bij schepping en ontbinding van
't Heelal Uw instrument, meer niet.
Tekst
9
Straks juichen alle koninginnen om 's vijands
einde
En om Uw groots verlossingswerk, net als d'
herderinnen;
Zoals de wijzen, U gewijd, Jânaki's
verlossing
En zoals wij die van Uw ouders altijd
bezingen.
Jânaki,
de Dochter van Koning Janaka van Videha, is
Koningin Sitâ, die geschaakt werd door
de demon Râvana en die door Haar
Gemaal, de Avatâra Sri Râma, werd
bevrijd.
Tekst
10
Menig doel wordt zo tegelijk
Gediend door Jarâsandha's dood:
Verdienst' en zonde dragen vrucht -
En zo vindt Gij het offer goed.
Shukadeva
zei:
Tekst
11
O koning, Uddhava's advies
Was zegenrijk en feilloos juist
En werd door Krishn' en Nârada
En d' oud're Yadu's toegejuicht.
Tekst
12
Daarop gaf Krishna, die de raad
Daartoe eerst om verlof verzocht,
Dâruk' en and're dienaars last
Zich klaar te maken voor de tocht.
Tekst
13
O koning, toen zond Keshava
Zijn zoons en Gemalinnen heen
Met hun bagage en steeg toen Zelf
Nijgend naar Bal' en Ugrasen'
Op de kar met Garuda-vlag,
Waarmee Dâruk' voor Hem verscheen.
Tekst
14
Met voetvolk, olifanten en ruiters,
generaals
En wagens - 't leger was formidabel - trok Hij
voort
Terwijl het uitspansel in de rondte door 't
geraas
Van kinkhoorns, kleitrommels en trompetten werd
doorboord.
Tekst
15
De Vrouwen, toegewijd aan Achyuta, volgden
Hem
In gouden draagstoel of in karos, met
kinderschaar,
Gezalfd, in 't allermooiste gewaad, met
bloemenkrans,
Door zwaard en schild dragende soldaten goed
bewaakt.
Tekst
16
Met draagstoel, olifant en kameel en paard en
os,
Hun dekens, draagbare strooien hutjes en
kledij
En wat dies meer zij 'rbovenop, reden
dienares
En courtisane van Krishna mee - een hele
rij.
Tekst
17
De grootse legermacht met zijn vaandels,
parasols,
En helmen, wapenrustingen, wuifkwasten en
sier
Was met zijn daverende geluiden in de zon
Een zee die wemelde van de golven vol
vertier.
Tekst
18
De wijz', aanbeden door de Patroon van 't
Yadu-huis,
Van zijn aanschouwing van Hrishikesha
zielsverrukt,
Boog na 't vernemen van Zijn besluit beheerst
van zin
Voor d' Alvervulde, waarna hij opsteeg in de
lucht.
Tekst
19
Tot de koerier uit Magadha
Zei Krishna daarop zoetgevooisd:
"Geen angst meer om je vorsten, vriend,
Ik maak die Jarâsandha dood."
Tekst
20
Heen ging de bood' en deed verslag
Van wat Mukunda 'm had verteld:
De vorsten, steunend in 't gevang,
Dorstten naar d' aanblik van hun Held.
Tekst
21
Reizend door Ânart' en Sauvir',
Maru en Kurukshetra stak
De Heer bergpas en stroom over
En trok door stad en dorp en vlek.
Tekst
22
Drishâdvati en Sarâsvati
Doorwaadde Krishn' en daarvandaan
Ging Hij door Matsya en Panchâl'
En kwam in Indraprastha aan.
Tekst
23
Toen hij vernam dat Krishna 'r was,
Die 'n mens hoogst zelden maar kan zien,
Trad Yudhishthir' Hem tegemoet
Met vriend en priester om zich heen.
Tekst
24
Met lied en mantra en muziek
Schreed hij verheugd naar Hrishikesh:
Zo vieren, als de levenskracht
In 't lijf t'rugkeert, de zinnen feest.
Tekst
25
Toen hij zijn beste Krishna zag
Wiens aanblik hij lang had ontbeerd
Stroomde hij over van gevoel
En omarmde Hem keer op keer.
Tekst
26
't Omhelzen van 't Lichaam van Keshava, de
Heer,
Sri's zalige Woning, liet alle leed vergaan:
In tranen en bevend van 't allerhoogst geluk
Vergat Yudhishthira 't verwarrende bestaan.
Tekst
27
Ook Bhima omarmde zijn Neef, met gulle lach,
En wist van genegenheid niet meer hoe hij 't
had;
Arjun' en de tweeling omhelsden Krishna ook,
Hun ogen van glinst'rende vreugdetranen nat.
"De
tweeling": de twee jongste broers van Arjuna,
Nakula en Sahadeva.
Tekst
28
Opnieuw omarmd' Arjun' Hari,
De tweeling wierp zich voor Hem neer
En Krishna bracht al naar hun stand
D' ouderen en de priesters eer.
Tekst
29
Kuru's, Srinjaya's, Kekaya's,
Die Hem vereerden, eerd' ook Hij;
Bard, minstreel en kroniekzanger
Zongen, dansten en speelden blij
Tekst
30
Op kleitrom, kinkhoorn en bazuin,
Op vinâ, pauk en tamboerijn;
En ook de priesters brachten lof
Aan Lotusoog, de Heer van 't Zijn.
Tekst
31
Temidden van Zijn vrienden ging
Toegejuicht door de hele stad
De Hoogst' Alomverheerlijkte
Binnen in 't prachtig' Indraprasth'.
Tekst
32
De stad was rijkelijk besprenkeld met mad' en
water,
Versierd met vlaggen, waterkruiken en gouden
bogen,
Terwijl gebaad, in 't nieuw gekleed en met
bloemenkransen
Mannen en vrouwen op hun mooist zich er
rondbewogen.
Tekst
33
Hoog brandden lampen rondom geurige hopen
bloesems
En wierook slierd' uit vensterroosters en
wimpels krulden
Om gouden koepels, die uit zilveren transen
rezen
Op ieder huis dat d' ogen streelde van d'
Alvervulde.
Tekst
34
Bij 't nieuws dat Hij wiens volle schoonheid elk
oog wil drinken
Gekomen was, kozen de vrouwen gehaast de
straten,
Hun haren zwierend en hun kleren niet
toegebonden,
Het werk in huis en d' echtgenoot in zijn bed
verlatend.
Tekst
35
't Was zo vol mannen, paarden, wagens en
olifanten
Hun dakterrassen stoven z' op om vandaar te
kijken
Naar Krishn' en 't Vrouwenlegioen, Hem in 't
hart omhelzend
En bloesems strooiend en Hem groetend met
liefdeblijken.
Tekst
36
De vrouwen vroegen toen z' op straat Krishna's
Gades zagen
Als sterren om de volle maan: "Waaraan is 't te
danken
Dat Zij Hun ogen nu vergasten aan 't milde
lachen
En 't vriend'lijk rondkijken van d' Eerste van
alle mannen?"
Tekst
37
Met zegenrijke gaven werd
Hari door meen'ge kleine stoet
Van brave burgers van de stad
Vol eerbied en ontzag begroet.
Tekst
38
Toen Keshava 't paleis inging
Verwelkomden Hem dolverrukt
De dames van des konings hof,
Hun ogen bloeiend van geluk.
Tekst
39
Toen Kunti Krishna zag, haar Neef,
De Meester van de drieërlei sfeer,
Kwam z' overeind met Draupadi
En drukte 'M aan haar hart, de Heer.
Tekst
40
Toen Yudhishthir' der goden God
Buigend naar binnen had gevoerd
Wist hij van blijdschap niet hoe hij
Hari verder nog eren moest.
Tekst
41
De Welvervulde viel Zijn tant'
En d' oud're vrouwen daar ten voet
En werd toen Zelf door Draupadi
En zuster Subhadrâ begroet.
Tekst
42
Daarop bracht Draupadi - terwijl
Kunti 't haar wees - Zijn Vrouwen eer
Met bloemenkrans en prachtgewaad
En alle mogelijke sier:
Tekst
43
Rukmini, Bhadrâ, Kâlindi,
Satyabhâmâ en Lakshmanâ,
Mitravindâ, Jâmbavati,
De trouwe Satyâ - allemaal.
Tekst
44
De koning schonk Janârdana
Met leger, dienaars, vrouwenrij
'n Heerlijk verblijf en maakte Hem
Met nieuw genot gedurig blij.
Tekst
45
Met Arjun' offerde Hari
't Khandav'-woud aan de god van 't vuur
En redde May', die 'n wondermooi
Raadhuis bouwde voor Yudhishthir'.
Zie
voor het verbranden van het woud en de
redding van Maya de aantekening bij vers
9.25
Tekst
46
Voor het genoegen van de vorst
Verbleef Hij 'n maand of wat aldaar
En reed er rond voor Zijn plezier
Met Arjun' en Zijn heldenschaar.
Het
feit dat Koning Yudhishthira ervan genoot de
Alvervulde met Zijn duizenden Vrouwen en
honderdduizenden dienstmaagden, dienaars,
ruiters en infanteristen met al hun ossen,
kamelen, paarden en olifanten enkele maanden
lang vol toewijding te verzorgen geeft aan
dat zijn liefde voor Krishna geen grenzen
kende. Wie zich over Yudhishthira's rijkdom
verbaast mag bedenken dat het juist de
grenzeloosheid van 's konings liefde voor de
Alvervulde was die hem - uit de
onuitputtelijke volheid van Krishna's
wederliefde - de rijkdom verschafte waarmee
hij zijn Vriend en Heer zo volkomen dienen
kon.
(Bron: S.B.
10.71)