HET SPEL VAN KRISHNA S'rî Krishna Dvaipâyana Vyâsa De Bovennatuurlijke Geschiedenis van HET SPEL VAN KRISHNA IN VRAJA, MATHURA en DVARAKA Onverkort herdicht naar de oorspronkelijke Sanskrit verzen van het Bhagavata Purana door S'rî Hayeshvar Das (Hendrik van Teylingen) Deze uitgave werd mogelijk gemaakt door de financiële steun van het Ministerie van Welzijn, Volksgezonheid en Cultuur en de NOVIB Colofon: Vertaling door Hendrik van Teylingen (S'rî Hayeshvar Das) Vormgeving omslag: Ivar hamelink Omslagillustratie Galerie Marco Polo, Paris Gezet uit de Goudy old style door Z-Work-Gouda Gedrukt door Drukkerij Wormgoor te Almelo Gebonden door Boekbinderij Abbringh te Groningen ALTAMIRA Heemstede 1990 1990 - ISBN 90-6963-151-2 ******************************************* INHOUD Hfdst. 1: Waarin Heer Vishnu Moeder Aarde geruststelt, Vasudeva met Devakî trouwt en Kamsa de zes zoons van Devakî om het leven brengt. Hfdst. 2: Waarin de Heer Devakî's moederschoot binnengaat en door de goden verheerlijkt wordt. Hfdst. 3: Waarin Heer Krishna op aarde komt. Hfdst. 4: Waarin Yogamâyâ aan Kamsa's greep ontglipt en de vorst der Bhoja's de strijd met Heer Vishnu aanbindt. Hfdst. 5: Waarin Krishna's geboortefeest wordt gevierd en Vasudeva Nanda waarschuwt. Hfdst. 6: Waarin Putanâ kleine Krishna aan haar vergiftigde borst laat drinken en door Hem verlost wordt. Hfdst. 7: Waarin Krishna als Zuigeling een kar omschopt en door een windhoos wordt meegesleurd. Hfdst. 8: Waarin Krishna en Balarâma Hun Naam krijgen en Moeder Yas'odâ in Krishna's mondje opnieuw de kosmos aanschouwt. Hfdst. 9: Waarin moeder Yas'odâ de Opperheer aan een stampblok vastbindt. Hfdst. 10: Waarin Baby Krishna twee bomen omvertrekt. Hfdst. 11: Waarin Krishna Vatsa en Baka van hun demonische omhulsel bevrijdt. Hfdst. 12: Waarin Krishna de muil van de reuzenslang Agha binnengaat. Hfdst. 13: Waarin Brahmâ, de schepper, Krishna's vrienden en hun kalveren ontvoert; en waarin Krishna ervoor zorgt dat niemand hen mist. Hfdst. 14: Waarin de schepper het Koeherdertje Krishna als Zijn Heer en Meester aanbidt. Hfdst. 15: Waarin de Godspersoon Balarâma de demon Dhenuka verslaat. Hfdst. 16: Waarin Krishna de veelkoppige waterslang Kâliya verlost. Hfdst. 17: Waarin Krishna de inwoners van Vraja van een bosbrand redt. Hfdst. 18: Waarin Balarâma de demon Pralamba verlost. Hfdst. 19: Waarin de Heer opnieuw een bosbrand opslokt. Hfdst. 20: Waarin de regentijd en de herfst worden beschreven. Hfdst. 21: Waarin Krishna's fluit weerklinkt. Hfdst. 22: Waarin Krishna de kleren van de gopî's steelt. Hfdst. 23: Waarin de priestervrouwen hun man ongehoorzaam zijn ter wille van Krishna. Hfdst. 24: Waarin de jonge Koeherder Krishna een eind maakt aan het offer aan Indra, de hemelkoning. Hfdst. 25: Waarin Krishna de heuvel Govardhana optilt. Hfdst. 26: Waarin de herders versteld staan van Krishna's luister. Hfdst. 27: Waarin Indra, de hemelkoning, Krishna verheerlijkt. Hfdst. 28: Waarin Krishna Zijn vader redt uit het rijk van Varuna. Hfdst. 29: Waarin de râsa-dans wordt ingeleid. Hfdst. 30: Waarin de gopî's vertwijfeld naar Krishna zoeken. Hfdst. 31: Waarin de herderinnen Krishna bezingen. Hfdst. 32: Waarin Krishna de gopî's troost. Hfdst. 33: Waarin Krishna de herderinnen ten dans voert. Hfdst. 34: Waarin een python Vader Nanda probeert te verslinden en Shankhachuda de gopî's lastig valt. Hfdst. 35: Waarin de gopî's Krishna met dubbelverzen bezingen. Hfdst. 36: Waarin Krishna een demonische stier verslaat en Kamsa een worstelwedstrijd organiseert. Hfdst. 37: Waarin de Heer Keshi en Vyoma verlost. Hfdst. 38: Waarin Akrura in Vraja aankomt. Hfdst. 39: Waarin Krishna en Balarâma Zich op weg begeven naar Mathurâ. Hfdst. 40: Waarin Akrura Krishna verheerlijkt. Hfdst. 41: Waarin Krishna de stad Mathurâ binnengaat. Hfdst. 42: Waarin een bultenares op Krishna verliefd wordt; en waarin het worstelperk beschreven wordt. Hfdst. 43: Waarin de olifant Kuvalayâpida het tegen Krishna aflegt. Hfdst. 44: Waarin de Heer Kamsa verslaat. Hfdst. 45: Waarin de Heer de zoon van Zijn leraar terugbrengt uit het oord des doods. Hfdst. 46: Waarin Krishna Uddhava als Zijn boodschapper naar Vraja stuurt. Hfdst. 47: Waarin Uddhava namens Krishna met de gopî's spreekt en een van hen in vervoering een zwarte dar toezingt. Hfdst. 48: Waarin de Heer Drieknakje en Akrura bezoekt. ******************************************** VOORWOORD Iedere manier van kijken naar Vyâsa, de auteur van 'Het Spel van Krishna', heeft haar eigen blindheid. Zo zegt een blinde onderzoeker: "Naar verluidt is 'Het Spel van Krishna' samen met de hele Vedische literatuur geschreven door één persoon: Vyâsa. Dat is op zijn zachtst gezegd een naďeve veronderstelling. Dit, gevoegd bij het feit dat de auteursnaam Vyâsa 'rangschikker' betekent en het feit dat de betrokken teksten in uiteenlopende stijl en in opeenvolgende fasen van de taal der Veda's en het Sanskrit geschreven zijn, doet vermoeden dat achter de naam Vyâsa een successie van eensgezind rangschikkende auteurs schuilgaat - ňf de persoon Vyâsa zou een vele eeuwen levende duizendkunstenaar moeten zijn geweest. Het gemanipuleer met het auteurschap van deze literatuur doet mij vrezen dat er eveneens inhoudelijk het nodige mee gerommeld zal zijn. De traditioneel aanvaarde ouderdom van vijfduizend jaar van een tekst als 'Het Spel van Krishna', die zelfs volgens de soepelste dateringsmaatstaven niet ouder dan vijftienhonderd jaar kan zijn, versterkt mijn argwaan nog meer. Deze overwegingen vormen nast mijn principieel agnostische instelling de reden waarom ik me niet aan een tekst als 'Het Spel van Krishna' zal kunnen laven." Een blinde wijze oordeelt: "Vyâsa is één met alle wijzen. In zijn mededogen met de gebonden mensenzielen, wie het in de meeste gevallen aan de nodige intelligentie ontbreekt om zich door eigen geest- en wilskracht te ontledigen van de schijn en zo op te gaan in het eeuwige Licht, heeft hij hun een weg gewezen waarlangs hun toch de innerlijke bevrijding ten deel kan vallen. Vyâsa heeft hun in bevattelijke poëzie, waarvan hele gedeelten geschreven lijken voor kinderen van acht tot tachtig, vol wonderbaarlijke, dikwijls sprookjesachtige avonturen, het beeld geschonken van de Hoogste Persoon, Krishna, die boven de schijn verheven is. Krishna is, zoals Zijn Naam aangeeft, zo aantrekkelijk dat simpele zielen zich vanzelf aan Hem overgeven en langs deze religieuze omweg het Licht mogen binnengaan. Eenmaal in die verloste staat zullen ze zowel zichzelf als hun Held en Zijn hele kleurrijke Spel tenslotte kunnen vergeten. Stilte... Vrede ... Daar gaat het uiteindelijk om." De liefde zegt in haar blindheid: "Eer aan Vyâsa, de onsterfelijke schrijver van de Veda's, de Upanishads, het Mahâbhârata en de Purâna's! Tot op de huidige dag zegent hij de aarde met zijn aanwezigheid in Badarikâshrama in de Himâlaya... Dat mijn blote voeten mij daarheen mogen dragen! Plat op mijn buik wil ik erheen schuiven over de zieke aarde... Laat mij stamelen van de nectar die Vyâsa in me uitgiet, elk uur dat mijn hart erin zwelgt... Noch het spook der wetenschap noch de geest der wijsheid zal mij ooit kunnen vervreemden van Vyâsa en zijn woorden van absolute liefde over Krishna, de aanbiddelijke Meester van mijn ziel. Zijn Spel zal mij tot in het diepst van de eeuwigheid aan gene zijde van mijn laatste dood dierbaarder zijn dan mijn eigen leven." Het is tot deze liefde, bhakti, dat de woorden van 'Het Spel van Krishna' opwekken. En het is in een schuchter vleugje van de geest van bhakti dat ik het als nietswaardige dienaar van Vyâsa waag zijn woorden in de vorm van deze herdichting aan de Nederlandstalige lezer voor te leggen. Ik dank de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor de aan de uitgever verleende aanzienlijke subsidie, die 'Het Spel van Krishna' binnen veler bereik brengt. Ook naar de Stichting Novib gaat mijn dank uit voor de door haar geschonken bijdrage. Ik dank Stichting Lalla Rookh, Stichting Ganesh en Swami Brahm Deo Upadhyay voor hun ruggesteun bij mijn verzoek om subsidie bij het Ministerie van WVC. Onder mijn geestelijke broeders dank ik in het bijzonder Sri Jnânarâja Das en Sri Yadupati Das wegens hun inspirerende morele en praktische steun bij mijn werk aan de herdichting. En ik dank Srimatî Rukminî Devî Dasî, mijn vrouw, voor de geboden lieferijke sfeer, waarin de herdichting kon groeien en bloeien. Mijn eindeloze dank gaat uit naar mijn beide gesstelijk leraren Om Vishnupâda Paramahamsa Parivrâjakâchârya 108Sri Srimad A.C. Bhaktivedânta Svâmi Prabhupâda (1896-1977) en Om Vishnupâda Paramahamsa Parivrâjakâchârya-varya Sarva-shâstra-siddhânta-vit 108 Sri Srimad B.R. Sridhara Deva Gosvâmi (1894-1988), die in deze duistere twintigste eeuw het licht van Vyâsa in al zijn klaarheid aan het Westen hebben geopenbaard. Ook betuig ik mijn diepe dank aan de opvolger van de laatste, Sri Srimad Bhakti Sundara Govinda Deva Gosvâmi, de huidige voorzitter-âchârya van de Sri Chaitanya Sarasvata Mâtha te Nabadwip, West-Bengalen, mijn levende leraar. Ik leg mijn herdichting aan hun lotusvoeten neer. Hayeshvar Das (Hendrik van Teylingen) Sri Krishna Janmâshtami 1990 Sri Chaitanya Gemeenschap, Amsterdam ********* 'Het Spel van Krishna' wordt door enkele honderden miljoenen medemensen op aarde als een hoogst heilig boek beschouwd. Ze geven het in huis een bijzondere plaats, nemen het niet mee naar onreine plekken, zullen er niet uit lezen met ongewassen haden of tijdens het nuttigen van een maaltijd en laten het niet in aanraking komen met lectuur van de wereld; ze leggen het boek niet op de grond of op een zitplaats en slaan de bladzijden niet om met een vinger bevohtigd met speeksel. Hun voorbeeld verdient voor degeen die het wezen van 'Het Spel van Krishna' tot zich wil laten doordringen aandachtige navolging. ********** INLEIDING Eer aan Vyâsa, de eerste schrijver. Op een dag, meer dan vijfduizend jaar geleden, zat de ziener Srî Krishna Dvaipâyana Vyâsa alleen in zijn bloeiende hut aan de oever van de Sarasvati. Zijn handen lagen in zijn schoot. Hij had alles opgeschreven wat hij wist, omdat hij voorzag dat na het nabije aanbreken van Kali-yuga, de tijd van leugen en twist, die 432.000 jaar zou duren, de geheugens van de mensen snel zouden verslechteren en niemand de heilige kennis nog in haar geheel in zichzelf zou kunnen bewaren. Vyâsa was ermee begonnen de hymnen en mantra's van de Veda op schrift te stellen en de Veda in vieren te verdelen: de Rig-veda met zijn lofzangen; de Sâma-veda met zijn melodieën de Yajur-veda met zijn offermantra's; de Atharva-veda met zijn toverspreuken. Hij had er de Upanishads met de vertrouwelijke leringen van de rishi's over het alomtegenwoordige Brahman en de kosmische Purusha, de oneindige Godspersoon, aan toegevoegd. Daarop had hij als vijfde Veda de honderdduizenden verzen van de Itihâsa's - de geschiedenissen - en Purâna's - de oude boeken - met zijn schrijfstift aan de geplette boombast toevertrouwd. Bij het boekstaven van de 100.000 shloka's van het Mahâbhârata, met daarin de 700 van de Bhagavad-gîtâ, had hij hulp gekregen van de olifantsgod, Ganesha, die alle struikelblokken wegneemt. Aan één stuk door had Vyâsa, gezeten op een matje van kusha-gras, als altijd halfnaakt, zijn haar en baard in knoedels, met zoete stem de shloka's zitten voorzingen aan Ganesha, die met bungelende slurf had zitten voortschrijven. De vier Veda's waren vervat in de oude taal, voor de priesters en Hun leerlingen. De honderdduizenden verzen van de vijfde Veda waren gedicht in het Sanskrit, voor de gewone mensen. Toen Ganesha hem na gedane arbeid alleen had gelaten in zijn hut onder de sjilpende bomen, overzag Vyâsa zijn reddingswerk. In plaats van blijdschap maakte zich neerslachtigheid van hem meester. Niemand ter wereld had weliswaar ooit zoveel zo goed opgeschreven en niemand ter wereld zou ooit zoveel zo goed opschrijven, maar toch ontbrak het belangrijkste. Op dat moment van sombere twijfel klonk boven Vyâsa de snarenklank van een vinâ, en toen hij een hemelse stem de Namen van de Alvervulde hoorde zingen, wierp hij zich ter aarde, want zijn leraar was gekomen. Nârada, de ziener onder de goden, zoon van de schepper van het heelal, die Vyâsa's droefheid had opgemerkt, zei tot zijn eminente leerling, terwijl zijn lotusvoeten net even boven het bedauwde gras bleven zweven: Van riten, werken enzovoort Is er niets dat je niet beschreef, Maar wat heb j' eigenlijk gezegd Van d' alverheven Vasudev'? Het woord dat de roem van Hari geen aandacht schenkt, Die 't heel' universum met heerlijkheid doorvaart, Is volgens de wijzen niet meer dan kraaienvoer: Geen zwaan schept er vreugd' in, gezien zijn hoger' aard. Vâsudeva (Vasudeva's Zoon) en Hari (Verlosser) zijn twee van de ontelbare Namen van Krishna, de Hoogste Persoon. De woorden van Nârada in de vorm van deze twee shloka's zijn te lezen in het eerste deel van het 18.000 verzen tellende Bhâgavata Purâna (1.5.9 - 1.5.10), dat Vyâsa na de ontmoeting met zijn leraar begon te dichten - 'Het aloude boek van de Alvervulde'. Er zijn achttien Vedische Purâna's, en daarvan is het Bhâgavata in het bijzonder gewijd aan de beschrijving van het Spel en vermaak van de Hoogste Persoon, Krishna. Hij wordt Bhagavân genoemd omdat Hij van volheden (bhaga) vervuld (vân) is. Deze volheden zijn door Vyâsa's vader, Parâshara, beschreven als opperste kennis, opperste roem, opperste rijkdom, opperste macht, opperste vrijheid of onthechtheid en opperste schoonheid. Er zijn geen andere volheden en Krishna is de enige die hen alle tegelijk belichaamt. Vyâsa's neerslachtigheid na het boekstaven van al zijn kennis was het gevolg, zoals Nârada dadelijk zag, van het feit dat hij de Hoogste Persoon geen recht had kunnen doen. Vyâsa had weliswaar in zijn Mahâbhârata en zijn Bhagavad-gîtâ meer over Hem gezegd dan nadien Mozes, Jezus en Mohammed tezamen zouden doen, maar aan de zalige beschrijving van Zijn intieme Spel was hij niet toegekomen. Nârada gaf hem nu de sleutel tot dit Spel, en wel in de vorm van vier verzen, het zogenaamde Chatuh-shloki Bhâgavatam. Door op hun inhoud te mediteren zou Vyâsa in zijn hart de hele geschiedenis van het Spel van Krishna geopenbaard krijgen. De vier verzen luiden (2.9.33-36): Slechts Ik bestond in het begin, Toen oorzaak noch gevolg verscheen, Grof noch subtiel - en aan het eind Rest er niets meer dan Ik alleen. Wat weliswaar van waarde lijkt Maar niet verbonden is met Mij Mag men slechts als Mijn mâyâ zien: Vals licht dat in het donker schijnt. Zoals all' elementen van De stof zijn opgegaan - en niet - In ieder maaksel, groot en klein, Zo ben ook Ik daarin - en niet. De zoeker van de Waarheid van Het Zelf zoek' er volkomen naar, Geleid door 't helderst onderscheid, Wanneer ook maar en waar ook maar. Naar de letter zeggen deze verzen, hoe diepzinnig ook, niet meer dan wat Vyâsa al in de Bhagavad-gîtâ had opgeschreven. Ze zeggen zelfs minder, want ze zwijgen over de hoogste methode van onderzoek naar het Zelf, waarover de Bhagavad-gîtâ zo duidelijk spreekt, namelijk bhakti, de dienende liefde tot Krishna, die alles aan het licht brengt. Het mag daarom een Godswonder heten dat zijn meditatie op de vier verzen van zijn leraar Vyâsa de 18.000 Bhâgavata-verzen ingaf, waarin het hoogste niveau van de bhakti beschreven en verheerlijkt wordt. Maar zo'n Godswonder is nu eenmaal de guru-prasâda, de genade van de leraar. Het waren dan ook niet de letterlijke woorden van zijn leraar die Vyâsa de ogen openden, maar het was de extatische liefde tot Krishna waarmee Nârada zijn woorden zei en die hem onophoudelijk liet zingen en leviteren. Nârada verleende zijn dierbare discipel door zijn bhakti de vrijheid zich mee te laten drijven op de golven van de ingevingen die hij zou krijgen. Hij schonk Vyâsa de zegen dat alles wat zijn hand zou opschrijven de Waarheid zou zijn. Voortbouwend op de heilige kennis van zijn Mahâbhârata en Bhagavad-gîtâ, zich oriënterend op de vier ontvangen verzen en tot schouwen begenadigd en gedreven door het geschenk van Nârada's bhakti, beschreef Vyâsa in vervoering de gedaante, de expansies, de Namen, de vermogens, de attributen, de entourage, de metgezellen, de werelden en tenslotte het gelukzalige intieme Spel en vermaak van de Alvervulde, dat ieder die ervan hoort van dood en wedergeboorte verlost. Het Bhâgavata Purâna kreeg de vorm van een gesprek in een gesprek in een gesprek. Een kring van wijzen onder leiding van Shaunaka, voor het brengen van een duizendjarig offer bijeen in het Naimisha-woud, laat zich door de ziener Suta uitleggen wat de heilige Shukadeva aan Koning Parikshit vertelde over het gesprek dat Vader Vasudeva met pleegvader Nanda voerde over het welzijn van de pasgeboren Krishna; of over hoe de vrouwen van de veelkoppige waterslang Kâliya Krishna om genade smeekten toen Hij hun echtgenoot nagenoeg te pletter had gewalst; of over de wonderbaarlijke manier waarop Krishna Zich in vele Krishna's vermenigvuldigde om in de maneschijn met alle herderinnen van Vraja tegelijk te kunnen dansen, zodat ze Hem als één vrouw hun liefde konden geven. Shukadeva, de verteller van het Bhâgavata Purâna, was Vyâsa's zoon. Als verloste ziel had hij zestien jaar als vrucht in de moederbuik gewoond en hij zou zijn geboorte voor onbepaalde tijd hebben uitgesteld, als hij zijn vader niet aan zijn moeder het verhaal van Krishna had horen vertellen. De geschiedenis wond hem zo op dat hij niet alleen dadelijk ter wereld kwam en daar ineens tot een zestienjarige knaap uitgroeide, maar ook meteen het ouderlijk huis uit holde, stamelend van wat hij vernomen had. In zijn blote vel doolde hij door bos en dreef van Mathurâ. Dorpsjochies liepen hem scheldend na en bekogelden hem met drek. Onverstoorbaar in zijn vervoering vervolgde de naakte heilige dansend zijn weg - tot hij aan de oever van de Yamuna Koning Parikshit ontmoette. Parikshit was op jacht geweest. Hij had zo'n dorst gekregen dat hij het gewaagd had een rishi, die diep in trance in zijn hut zat, om een slok water te vragen. Toen de rishi op geen enkele manier had gereageerd had de koning met de punt van zijn boog een dode slang van de grond geschraapt en hem de rishi om de nek gehangen. Dat was Sringi, het zoontje van de rishi, te ver gegaan. Evenals zijn vader door ascese in het bezit van bovenmenselijke vermogens, had hij Parikshit een vloek naar het hoofd geslingerd: de vorst zou na zeven dagen sterven als gevolg van een beet van de slangekoning Takshaka. De rishi was door Sringi's woede uit zijn meditatie opgeschrokken en had zijn zoontje een leerrijke uitbrander gegeven - maar de vloek, eenmaal uitgesproken, kon niet meer worden ingeslikt. Daarop had Koning Parikshit het verstandigste gedaan wat een mens in zijn omstandigheden kan doen. Hij had besloten zich aan de oever van de Yamunâ neer te zetten en zich daar al vastend, zowel van voedsel als water, in meditatie op Krishna over te geven aan wat hem te wachten stond. De vorst wist dat Krishna de Hoogste Persoon is. En hij wist dat onwankelbare heugenis van Zijn Naam in het doodsuur zijn ziel zou vrijwaren van wedergeboorte en haar naar Krishna's Paradijs zou leiden. Krishna had dat in Zijn Bhagavad-gîtâ beloofd aan Parikshits grootvader Arjuna (8.5): Wie zich in 't stervensuur Mij heugt Wanneer hij 't lichaam achterlaat Bereikt beslist de Woning van Mijn bovenzinnelijke Staat. Toen Parikshit als laatste telg van zijn huis nog als vrucht in de moederbuik had gezeten en daar met de dood bedreigd was door een aanvliegend astraal wapen, had Krishna Zich ter grootte van een duim in de moederschoot in de baan van het moordtuig geplaatst en het spelenderwijs onschadelijk gemaakt. Daardoor had Parikshit vanaf zijn prilste levensjaren een innige band met de Alvervulde gehad, zodat hij, nu hij op het punt stond zijn lichaam te verlaten, vanzelf zijn hart tot Hem verhief. Aan de Yamunâ kwamen de wegen van Shukadeva en Parikshit bij elkaar. In een kring van wijzen, waarin zowel Vader Vyâsa als zijn goddelijke leraar Nârada was aangeschoven, ontspon zich tussen heilige en vorst het beroemde gesprek over de Heer, waarvan de geschiedenis van het Spel van Krishna het absolute hoogtepunt vormt. Het feit dat Vyâsa en Nârada waren komen luisteren naar Shukadeva, die strikt genomen hun leerling en kleinleerling was, geeft aan dat de liefde die de naakte zwerver voor Krishna koesterde zelfs zijn door-luchte leraren in die liefde in verrukking bracht. Daarmee was Shukadeva, zoals de traditie het stelt, de ideale spreker over Krishna, terwijl Parikshit de ideale luisteraar wordt genoemd. Spreken over Krishna en luisteren daarnaar leidt tot verlossing uit de kringloop van dood en wedergeboorte, zo verklaarde Shukadeva telkens weer tijdens het zevendaagse gesprek. Krishna is immers de absolute Alvrije, die verlossing schenkt aan iedereen die zich liefdevol met Hem verbindt, met name door op te gaan in het luisteren naar Shukadeva's woorden. Van de geschiedenis van Krishna gaat zo'n geestelijke kracht uit dat ze de gretige luisteraar, ongeacht de situatie waarin hij zich bevindt, aan plaats en tijd ontrukt en hem tot medespeler maakt in het Spel dat hij zo gloedvol beschreven hoort. Zo zegt Parikshit (10.1.10): Al is mijn vasten nog zo zwaar - Ik drink niet eens - het deert me niet: Want ik drink uit uw lotusmond De nectarwoorden van Hari. En zo zegt Shukadeva (10.13.1): Welk eindeloos geluk treft u Door al die vragen die u stelt! 't Verhaal vernieuwt zich telkens weer Doordat u steeds maar horen wilt... Voordat hij begon aan de beschrijving van het persoonlijke Spel van Krishna, dat de vierduizend shloka's van het tiende boek en enkele honderden van het elfde hoek van het Bhâgavata Purâna omvat, legde Shukadeva een brede kennisbasis in de geest van zijn luisteraars, opdat ze Krishna's positie als Sarvalokeshvareshvara - Heer van de heren van alle wezens en werelden - zouden beseffen. Want zonder een goed idee hiervan zouden ze Zijn wonderen slechts als fabeltjes beschouwen en niets bijzonders zien in Zijn menselijk gedrag, terwijl ze Zijn vrijages met de herderinnen van Vraja zouden meten met de maat van de wereld, met als gevolg dat het Hoogste Goed - het wegsmelten van de ziel in liefde voor Krishna en alle medezielen - hun zou ontgaan. Reeds met zijn eerste woorden zegende Shukadeva de vervloekte koning met het sleutelvers over Krishna als Absolute Waarheid (1.2.11): D' ondeelbaar ene kennis van Geest, Opperziel en Alvervuld' Is Waarheid slechts, zegt iedereen Aan wie de Waarheid is onthuld. De Waarheid, zo verklaarde Shukadeva en na hem de hele lijn van Bhâgavata-leraren, is een Drieëenheid in de vorm van de volmaakte integratie van drie Godsaspecten. Elk van deze Godsaspecten wekt op Zichzelf genomen in de geest van een intelligent mens slechts verwarring. Geen van Hen kan uit Zichzelf alleen een samenhangend en aannemelijk beeld van de Werkelijkheid geven. De Geest, Brahman, is het alles doordringende gedachte- en emotieloze Bewustzijn, de onpersoonlijke Energie, het ongedifferentieerde Licht. Wie slechts het Brahman als Waarheid beschouwt, zoals sedert Shankara (780-820) half India en bijna alle Hindoe missionarissen zijn gaan doen, heeft geen aannemelijk antwoord op de vraag waarom de kaleidoscopisch vormenrijke kosmos geschapen is, waarom er myriaden personen of schijnpersonen zijn en waartoe lijden en sterven dienen. De Alvervulde verklaart in Zijn Bhagavad-gîtâ dan ook duidelijk dat de Geest niet op Zichzelf staat, maar van Hem uitgaat (14.27): Die onvergankelijke Geest, Die ene Wet die alles draagt En zalig al wat is doorstraalt - Ik ben het die dat Brahman schraag. De Opperziel, Paramâtmâ, is de aanwezigheid van de Hoogste Persoon in het hart van ieder wezen als de onopgemerkte Getuige van zijn doen en laten. Hij verleent de volmaakte yogi's, die Hem in meditatie in zichzelf aanschouwen, het vermogen wonderen te wrochten en aan de wereld te ontstijgen. Wie nu slechts Paramâtmâ als Waarheid aanvaardt blijft nog steeds van het gewenste antwoord op de genoemde vragen verstoken. De Alvervulde, Bhagavân, is de Hoogste Persoon, Krishna of Alaantrekkelijke geheten. Zijn vermogens, die Vyâsa door zijn extatische zoon Shukadeva beschrijven liet, zijn grenzeloos. Hij is degeen die de aanzet tot de schepping van de kosmos geeft, op wiens wens er individuele personen (jivâtmâ's) zijn en volgens wiens Wet (dharma) ze leed ondergaan en lichamelijk sterven. Hij is in volle samenhang met Geest en Opperziel het verhelderende en verlangde antwoord op iedere vraag - ook op die naar het verband tussen Zijn almachtige liefde en de ellende van de wereld. Krishna manifesteert al het blijvende en vergankelijke uitsluitend ter wille van schoonheid, liefde en geluk. Uit de volheid van Zijn opperste macht openbaart Hij, die slechts geniet en speelt, talloze Godspersonen, wier bewustzijn één met het Zijne is. Het zijn dus geen goden - ze zijn allen God. Zij, Godsdelen (Amsha's) en Nederdalingen (Avatâra's) van de Alvervulde, ontvouwen en besturen de openbaringen van Zijn Spel (lilâ). De Alvervulde en Zijn Godsdelen bestaan allen in tweeën, namelijk als Vrouwe en Heer. Zo is Râdhâ de eeuwige Geliefde van Krishna, Lakshmî de eeuwige Gemalin van Zijn Amsha Vishnu en Sitâ de eeuwige Gade van Zijn Avatara Râma. Deze vrouwelijke Godshelften zijn evenals de mannelijke één in bewustzijn met elkaar. Hun relatie tot Hun Geliefde of Gemaal is die van energie (shakti) tot energiebron (shaktimân). Van de Godspersonen zegt Shukadeva (1.2.28): Ze dalen neer telkens wanneer Onheil de werelden bedelft: 't Zijn Godsdelen, Stralen van God, Maar Krishn' is d' Alvervulde Zelf. Krishna's eerste Godsdeel is Balarâma. Hoewel God, gedraagt Balarâma Zich ten opzichte van Krishna uit liefde als Zijn meest toegewijde Dienaar. Hij neemt het op Zich via Zijn onder-Godsdelen en Hun Gemalinnen alle werelden en sferen te manifesteren en schragen. Zo ontvouwt Balarâma alle geestelijke sferen, waarin de Godspersonen Zich vermaken in gezelschap van scharen verloste zielen, die Ze als gelijkwaardige medespelers in Hun lilâ verwelkomen. Ook openbaart Hij via Zijn onder-Godsdeel Mahâ-Vishnu de kosmos of materiële wereld, die in het Spel van Krishna een bijzondere functie heeft. De materiele wereld of Mâyâ, het oord van de schijn, gloeit aan en uit met tussenpozen van vele biljoenen jaren, die kalpa's worden genoemd. Aan het begin van zo'n kalpa openbaart Mahâ-Vishnu het oord der schijn in de vorm van talloze heelallen, die voor het oog van hen die erin komen te wonen uit het niets verschenen lijken te zijn als met een daverende knal. De heelallen dijen uit en in elk van hen geeft een demiurg, Brahmâ geheten, leiding aan de evolutionaire herschepping van wat in alle kalpa's in alle heelallen komt en gaat. De demiurgen zorgen ervoor dat de hemellichamen en de levende wezens de gewenste vorm en gestalte krijgen en laten hen over aan de begoocheling van Mâyâ, die hen met haar guna's of leibanden bespeelt. Deze guna's zijn drie in getal: tamas, rajas en sattva. Tamas is het principe van onwetendheid, traagheid, duisternis, vernietiging. Rajas is het principe van wedijver, hartstocht, vuur, schepping. Sattva is het principe van plichtbetrachting, kennis, goedheid, instandhouding. Alles in de heelallen van Mâyâ's oord der schijn groeit, zwemt, kruipt, loopt of vliegt aan deze leibanden. Zelfs de goden zijn er niet aan ontstegen - zelfs Brahmâ niet. Tijdens iedere openbaringskalpa gaat elk heelal door een spiraal van tijdsperioden, de dagen en nachten van Brahmâ, die enkele miljarden jaren duren. In een nacht van Brahmâ zijn de materiële vormen ontbonden en ligt alles in duisternis. Tijdens een Brahmâ-dag doorloopt de schepping duizendmaal een kringloop van vier era's wier tijdsduur zich verhoudt als 4:3:2:1. De kortste era, Kali-yuga, het tijdperk van leugen en twist, duurt 432.000 jaar. Aan het eind van Brahmâ's leven krimpt het heelal ineen en keert met de andere heelallen en hun bewoners terug in Mahâ-Vishnu om in Hem te rusten tot Hij alles weer openbaart. Alle zielen, vrij of gebonden, zijn onsterfelijk. Er zijn twee categorieën zielen: één die altijd bij Krishna is geweest en Zijn Spel nooit heeft verlaten; een andere van vonken van Brahman, de gloed die uit Râdhâ en Krishna te voorschijn straalt en waarin de heelallensfeer niet meer is dan een wolk of vlek. De oertoestand van de zielen in Brahman is die van homogeen ongedifferentieerd bewustzijn. Ze manifesteren hun individualiteit pas wanneer tengevolge van impulsen, die hen vanuit Krishna's geestelijke sfeer of vanuit Krishna's materiële sfeer bereiken, in hen de neiging rijst zich in één van beide sferen te gaan roeren. Van nature zijn de zielevonken als deeltjes van de lichtgloed van de spelende Heer dynamisch en is hun inactieve verblijf in Brahman, hoe ironisch ook, hun op den duur te mat. Activiteit bestaat alleen in Krishna's geestelijke sfeer en in Zijn materiële wereld. In de geestelijke wereld manifesteert alle activiteit zich als zelfvergeten toewijding; in de materiële wereld manifesteert ze zich als Godvergeten uitbuiting - van uiterst grof tot uiterst subtiel. Zoals gezegd manifesteert Krishna al wat is ter wille van de liefde en wat daarmee samenhangt. Liefde bloeit alleen in vrijheid. Krishna dwingt geen ziel haar liefde af. Hij geeft haar rijkelijk gelegenheid Hem niet te beminnen. Daartoe laat Hij haar binnengaan in de door Balarâma's onder-Godsdeel Mahâ-Vishnu gecreëerde materiële sfeer, waarvan het belangrijkste kenmerk is dat men Krishna daarin vergeten kan. Zielen die hun individualiteit vormen rondom de kern van hun vrije keus voor persoonlijke zinsbevrediging door uitbuiting van hun omgeving verdwijnen acuut uit Brahman en vinden in de materiële sfeer duizend en één mogelijkheden om hun gang te gaan. Zoals een aardbewoner de maan of een ander hemellichaam alleen betreden kan in een ruimtepak, kan een ziel de materiële wereld alleen binnengaan in een stoffelijk omhulsel: een landbewonend, waterbestendig, vuurvast of etherisch lichaam in de vorm van plant, dier, mens of astraal wezen. Als gevolg van het magnetisme van de materiële energie vereenzelvigt de ziel zich steevast met het lichaam dat haar omhult. Dit verschijnsel wordt ahankâra of vals ego genoemd. In de materiële wereld, geregeerd door Krishna's allesverslindende tijd, vallen alle vormen, verschijnselen en openbaringen telkens weer uiteen. Geen lichaam heeft er het eeuwige leven, zelfs niet het etherische omhulsel van een god. De eeuwige ziel die naar meer zinsbevrediging verlangt krijgt na het afsterven van het ene lichaam een ander, waarin ze een andere of anders ervaren omgeving haar wil kan proberen op te leggen. Naar gelang haar wensen en gedragingen ontvangt ze uiteenlopende omhulsels - en nu eens leeft ze als een paddestoel, dan weer als een eik, nu eens als een vlo, dan weer als een walvis, een enkele keer als een god of godin en soms ook als mens. Ieder nieuw lichaam geeft haar vals ego nieuwe mogelijkheden tot zinsbevrediging. Een ziel wier ahankara geen problemen heeft met ziekte, ouderdom en dood - de onafwendbare ellenden van het lichamelijk bestaan - kan al rondverhuizend eindeloos in de materiële sfeer blijven wonen, veilig voor Krishna's liefde. Vele echter zijn de zielen voor wie er een moment komt waarop ze het leven in de materiële wereld niet meer zien zitten. Ze kunnen zich dan in wanhoop of koelen bloede van hun lichaam ontdoen, maar dat bevrijdt hen niet werkelijk. Het lichaam zijn ze kwijt, maar hun ongeestelijke mentaliteit houdt hen gevangen in de materiële sfeer. Eenmaal levert hun dat een volgend lichaam op. Hadden ze kennis bezeten over Krishna, dan zouden ze hun lichaam behouden hebben en het in Zijn dienst hebben gesteld als voorbereiding op hun reis naar Zijn paradijs. Uiteindelijk krijgt iedere ziel die het stoffelijk bestaan moe is de gelegenheid werkelijk bevrijd te raken. Menige ziel probeert dat eerst door zich in barre zelftucht voor de wereld af te sluiten en zo haar individualiteit met Brahman te laten versmelten (mukti). Dat leidt op den duur weer tot het probleem dat haar onvervreemdbare dynamische spirituele natuur de kop opsteekt en ze naar activiteit omziet. Omdat ze in haar drang naar absolute deďndividualisatie geen kennis over de weg naar Krishna heeft willen accepteren, kan ze niet opstijgen naar Zijn Woning en rest haar niets anders dan terug te vallen in de stof. Shukadeva geeft Parikshit hiervan een beschrijving in de woorden van de goden in hun gebed tot Krishna in de moederbuik (10.2.32): Maar zij, Lotusoog, die beweren: "'k Ben vrij," Onzuiver van hart en niet uit op Uw eer, Door zelftucht hoog boven de wereld geraakt, Uw voeten versmadend - die vallen weer neer. De definitieve uitweg is niet mukti, of zelfbevrijding, maar bhakti, dienende liefde. Bhakti is hart en ziel van de geestelijke boodschap van Nârada, Vyâsa en Shukadeva. Het woord bhakti is afgeleid van de Sanskrit wortel bhaj: dienen, vereren, liefhebben, aanbidden. Van liefde tot Krishna de Alvervulde is het Bhâgavata Purâna tot in elke punt en komma doortrokken. De tekst is in feite door Vyâsa aan de wereld gegeven om haar over haar onverschilligheid voor vage Godsopvattingen en haar huiver voor tyrannieke Godsbeelden heen te helpen en haar vol te laten schieten van bhakti voor de Alaantrekkelijke. Om de gebonden zielen in het oord der vergetelheid, waarin ze zich niet eens hun eigen geboorte kunnen herinneren, een kans te geven zich Hem te heugen, daalt Krishna er geregeld in neer. Hij doet dat meestal in de gedaante van dit of dat Godsdeel, maar eenmaal per Brahmâ-dag, vlak voor het begin van een Kali-yuga, verschijnt Hij Zelf als Alvervulde. Vele zielen raken in Zijn aanwezigheid onmiddellijk verlost. Het nectar-zoete verhaal van Zijn komst en daden blijft nog millennia vers en biedt scharen andere zielen de gelegenheid verlost te raken door het in zich op te zuigen als een kolibri de honing van een bloem. Voor een ziel nu die op de golven van de poëzie van het Bhâgavata Purâna de reis naar Krishna aanvaardt verandert de oceaan van het materiële bestaan, zoals Shukadeva zingt, in een plasje zo klein als de hoefprent van een pasgeboren kalf. Shukadeva vertelde Parikshit hoe de Alvervulde hoogstpersoonlijk in Mathurâ in India neerdaalde, tezamen met Zijn Godsdeel Balarâma. Shankara en zijn monisten zouden vierduizend jaar later beweren dat Krishna een Brahman-vonk is in een stoffelijk omhulsel, dus een als mens geboren ziel, maar in Zijn Bhagavad-gîtâ verklaart Krishna (4.6): Niet door geboorte kom Ik hier: 'k Ben van het stoffelijke vrij. Eeuwige Heer van al wat is, Verschijn Ik door Mijn toverij. Hoewel Krishna in Zijn gedaante van puur bovenzinnelijke substantie over de aarde ging en haar zegende met het spoor van Zijn lotusvoeten, gedroeg Hij Zich als mens. Het geestelijk gegeven dat de mens naar Gods beeld geschapen is hielp Hem Zijn incognito te handhaven, zodat iedereen er vrij in bleef Hem te dienen, vriendschap met Hem te sluiten, Hem te bemoederen of te bevaderen, Hem verliefd te omhelzen, maar ook Hem af te wijzen of Hem zelfs als aartsvijand te lijf te gaan. Krishna's Spel is onder bhakta's het meest geliefd om de râsa - de extatische dans - met alle jonge vrouwen van Vraja. Koning Parikshit had daar moeite mee en hij vroeg de heilige Shukadeva (33.29): De Yadu-heer had alles toch? Hoe kon Hij Zich zo akelig Misdragen, edele brahmaan? Neemt u mijn onbegrip toch weg... De laatste regel van dit vers laat zien dat Parikshit, bhakta die hij was, vermoedde dat een veroordeling zijnerzijds van Krishna's vrijmoedige omgang met de herderinnen te menselijk zou kunnen zijn en dat er voor de Heer andere normen zouden kunnen gelden. Shukadeva bevestigde dat vermoeden. Hij had in zijn onderricht al menigmaal duidelijk gemaakt dat Krishna niet door menselijke lust gedreven wordt, terwijl de traditie die in zijn lijn ontstaan is vermeldt dat ook de herderinnen vrij zijn van menselijke lust. Een deel van hen was, naar verluidt, uit de geestelijke wereld, waar geen lust bestaat, met Krishna mee op aarde neergedaald om er met Hem Zijn Spel te openbaren. Een ander was in een vorig leven, toen de Avatâra Râma op aarde was, een groep zelfgerealiseerde wijzen geweest, die zo'n onstuimige liefde voor de Heer hadden opgevat dat ze zich in Zijn armen hadden willen storten. Râma, die hun verlangens doorgrondde, had hun toegestaan als gopi's wedergeboren te worden in Vraja, wanneer Krishna, wiens Godsdeel Hij was, daar Zijn liefdesspel zou komen openbaren. Dŕn zouden ze, in de hoogste geestelijke vervoering, hun liefde aan Hem kunnen geven, belangeloos, zelfvergeten... Dat zijn twee zaken die de lezer moet weten en werkelijk proberen te begrijpen, als hij niet door de schijn van bandeloosheid van Govinda's râsa-lilâ misleid wil worden. Wat de lezer in dat geval misleidt is zijn aangeboren mensenlust, die door het lezen wakker wordt geroepen en die zijn blik op de beschreven gebeurtenissen totaal vertroebelt. Daarom waarschuwen de leraren in alle zuivere bhakti-tradities dat Krishna's Spel met de herderinnen niet mag worden geopenbaard aan een door lust verduisterd hart. Aan de andere kant zegt het laatste vers van Shukadeva's beschrijving van de râsa-dans dat het luisteren naar - of lezen van - deze beschrijving ons laat zegevieren over de lust, die het hart verduistert. Maar dat luisteren moet dan wel gebeuren "vol geloof". Hoe menselijk Zijn Spel ogenschijnlijk ook was, toch liet Krishna daarin meer dan eens situaties ontstaan waarin Hij iets van Zijn absolute volheden manifesteerde. Vlak na zo'n situatie echter toonde Hij Zich weer zo 'gewoon' - en dat op zo'n betoverende manier - dat iedereen Zijn goddelijkheid vergat en zijn dagen als vanouds met Hem doorbracht. Het was in feite alleen Vyâsa die in zijn meditatie in grote lijnen Krishna's doen en laten kon onderscheiden zoals het was en het wist na te vertellen. Zo schonk hij ons, door de genade van zijn leraar Nârada, met de geschiedenis van 'Het Spel van Krishna' in zijn Bhâgavata Purâna de mogelijkheid dit duistere Kali-yuga te overwinnen. De wijze Suta getuigt hiervan met de woorden (1.3.43): Nu Krishn' in al Zijn heerlijkheid Weer naar Zijn Woning is gegaan Verschijnt deze Purana-zon Om Kali's blinden bij te staan. In zijn onbeperkte helderziendheid kon Vyâsa waarnemen dat er in het holst van Kali een eeuw zou komen die men de twintigste zou noemen en dat er een land zou zijn dat Nederland zou heten. De gebonden zielen zouden er boeken lezen waarin met geen woord over de Hoogste Persoon werd gerept. Hun aandacht zou uitgaan naar een opgepompt stuk koeiehuid dat over een gemillimeterd grasveld heen en weer zou worden getrapt voor het oog van apparaten die het gebeuren op beeldschermen thuis zouden brengen bij miljoenen die - ernaar starend en af en toe brullend - brokken dierenvlees naar binnen zouden proppen en hun kinderen niet meer zouden weten te vertellen wat het doel van het leven is. Vyâsa zag ook dat in dat land en elders op aarde dankzij een vleugje van zijn bhakti, overgewaaid naar die rampzalige toekomst, het woord van Shukadeva met nieuwe vervoering zou opklinken en dat een aantal zielen de oren zou spitsen en de tijd- en ruimtegrens zou doorbreken en met hem aanschuiven in de kring van wijzen rondom zijn zingende zoon - om er verslaafd te raken aan de nectar uit zijn lotusmond... En de eerste schrijver, in zijn bloeiende hut aan de Sarasvati, nu van zijn neerslachtigheid bevrijd, zong voor zich heen (1.1.3): Wie wegdrijven wil in volkomen zaligheid, Ach, zwelge steeds weer in de zoete nectar-vloed Van d'edelste vrucht van de rijke Veda-boom, Het Bhâgavat', wellend uit Shukadev's gemoed. *********************************** LITERATUUR Nârada: Bhakti-sutra’s (vertaling met commentaar, 1988, Chaitanya Cahiers, Amsterdam) Lilâsuka Bilvamangala: Krishna’s Nectar for the Ear (herdichting van het Krishnakarnâmrita, 1986, Chaitanya Cahiers, Amsterdam) Bhaktivinoda Thâkura: Jaiva Dharma (Engelse vertaling, 1975, Sri Gaudiya Math, Madras); Sri Chaitanya Shikshâmrita (Engelse vertaling, 1983, idem); The Songs of Bhaktivinoda Thâkura (1980, Iskcon Press, Los Angeles). Bhaktisiddhânta Saraswati Goswami: Shri Chaitanya’s Teachings (1975, Sree Gaudiya Math. Madras). B.R. Sridhara Deva Goswami: The Golden Volcano of Divine Love (1984, The Guardian of Devotion Press, San Jose, Californië); The Hidden Treasure of the Sweet Absolute (Bhagavad-gîtâ-vertaling, 1985, Sri Chaitanya Saraswat Math, Nabadwip Dham, West Bengalen); Ambrosia of Positive and Progressive Imoortality (1987, Sri Chaitanya Saraswat Math, idem); Loving Search for the Lost Servant (1987, The Guardian of Devotion Press, idem); Subjective Evolution of Consciousness (1989, idem). A.C. Bhaktivedânta Swami Prabhupâda: De Bhagavad-gîtâ zoals ze is (1971, Bhaktivedanta Book Trust, Amsterdam); Het Krsna-boek (1981, idem); Srimad-Bhâgavatam (Bhâgavata Purâna), deel 1 en 2 (1983, 1985, idem); De Nectarzee van Zuivere Liefde (1985, idem). Nisikanta Sanyal: Sree Krishna Chaitanya (1933, Sree Gaudiya Math, Madras). O.B.L. Kapoor: The Philosophy and Religion of Sri Caitanya (1977, Munshiram Manoharlal, New Delhi). Walther Eidlitz: Die Indische Gottesliebe (1955, Walter Verlag, Olten und Freiburg im Breisgau); Krsna-Caitanya: Sein Leben und Seine Lehre (1968, Almqvist & Wiksell, Stockholm); Der Glaube und die Heiligen Schriften der Indier (1975, Walter Verlag, idem). Hayeshvar Das: De Zoete Waarheid van Râdhâ-Krishna (1987, Chaitanya Cahiers, Amsterdam); Het Koninklijk Geheim: inleiding tot de Bhagavad-gîtâ (1988, idem); De Hoogste Godspersoon, Oorsprong en Schrager van het onpersoonlijk Brahman (1990, idem). Hendrik van Teylingen: Het Lied van de Alvervulde (Bhagavad-gîtâ herdichting, 1983, Mirananda, Wassenaar). OPDRACHT om ajnâna-timirândhasya jnânânjana shalâkayâ chaksur unmilitam yena tasmai sri gurave namah Ik val hem als een stok ten voet, Mijn leraar, die mijn ware zicht, Verduisterd door onwetendheid, Bevrijdde door zijn kennislicht. namo mahâ-vadânyâya krishna-prema-pradâya te krishnâya krishna-chaitanya nâmne gaura-tvishe namah De Hoogst Genaderijke eer! Weids strooit Hij Krishna’s liefde uit: Krishna Chaitanya, Krishna Zelf, Met stralende lichtgouden huid. he krishna karunâ-sindho dina-bandho jagat-pate gopesha gopikâ-kânta râdhâ-kânta namo ‘stu te Krishna, Zee-van-barmhartigheid, Vriend der verdrukten, Schepping-Heer, Eerste der herders, Gopi-Lief, Râdhikâ’s Minnaar – U zij eer! *********************************** Hoofdstuk 1 - Waarin Heer Vishnu Moeder Aarde geruststelt, Vasudeva met Devaki trouwt en Kamsa de zes zoons van Devakî om het leven brengt. Parikshit zei: Tekst 1 Hij die de schepselen behoedt, In 't huis van Yadu neergedaald, De welvervulde Wereldziel - Vertel, wat deed Hij allemaal? Tekst 2 Welk mens wendt zich af van het kleurrijk verhaal Van d' Alomvermaarde, genezend van smart, Het lied der verlosten, dat oor streelt en geest? Ja wie? Alleen iemand die dieren vermoordt. Het doden van dieren en het eten van hun vlees getuigt niet van de zachtmoedigheid, nodig om door de even lieflijke als verheven geschiedenis van het Spel van Krishna tot ontroering te kunnen worden bewogen. In feite staan alle grovere vormen van zinsbevrediging de bevrijdende werking die van het lezen van deze geschiedenis uitgaat in de weg. Tekst 3 Mijn oudooms en grootvader, goden te erg, Verkleinden op 't slagveld de Kuru-oceaan Vol monsters als Bhishma - blindvarend op Hem - Tot plasje waar nauw'lijks een hoefj' in kan staan. Parikshits grootvader was Arjuna, tot wie Krishna de Bhagavad-gitâ uitsprak, vlak voordat de strijd zou losbarsten tussen de Pândava's enerzijds - Arjuna en zijn vier broers - en de Kuru's anderzijds. De Kuru's waren met miljoenen en werden aangevoerd door Bhishma, de onoverwinnelijke stamvader van zowel Kuru's als Pândava's. Tekst 4 Toen ik, allerlaatste van 't Kuru-geslacht, Als vrucht in de moederschoot haast werd verbrand Door Drauni's straal vuur, verscheen Hij daar, mijn Heil, Een werpschijf van bliksemend licht in Zijn hand. Toen aan het eind van de strijd tussen de Pândava's en de Kuru's de enige levende Pândava-nazaat Parikshit bleek te zijn, die zich nog in de moederbuik bevond, lanceerde Drauni, wiens vader door de Pândava's gedood was, uit wraak een astraal wapen naar de moederbuik, dat de moeder niet zou deren, maar de vrucht doden. Krishna plaatste Zich in de weg van Drauni's wapen en maakte het met Zijn lichtende werpschijf (sudarshana-chakra), het wiel der Wet, onschadelijk. Tekst 5 Beschrijf, gij die weet, nu de daden van Hem Wiens mensengedaante niets stoffelijks kent; Die binnen en buiten de lichamen woont; Als Tijd zowel dood als onsterf'lijkheid schenkt. Tekst 6 Hoe kwam Mukunda er toch toe Dat Hij naar Vraja's woud uitweek? Waar bleef de Heer der Yadu's daar Bij Zijn familie in die streek? Tekst 7 Wat heeft Heer Keshava daarginds En in Mathurâ uitgevoerd? En waarom doodde zo onheus Hijzelf Kamsa, Zijn moeders broer? Tekst 8 Als mens onder de mensen kwam Hij bij de Vrishni's: hoeveel jaar Verbleef Hij ginds in Dvârakâ? En hoeveel vrouwen had Hij daar? Tekst 9 Verklaar me dit en wat al niet, O muni, gij die alles weet. In Krishna heb ik mijn geloof - Verzwijg me niets van wat Hij deed. Tekst 10 Al is mijn vasten nog zo zwaar - Ik drink niet eens - het deert me niet: Want ik drink uit uw lotusmond De nectar-woorden van Hari. Parikshit vast om zich onwankelbaar te kunnen concentreren op het verhaal van Krishna, dat hem veilig door zijn snel naderende dood heen zal loodsen naar het eeuwige leven in Krishna's paradijs Goloka. Suta zei: Tekst 11 O Rishi Shaunaka, nadat hij zijn vrome vragen Vernomen had, bracht Shukadeva, de welvervulde, Parikshit eer, waarna hij, eerste der toegewijden, 't Verhaal van Krishna, dat heel Kali verlicht, onthulde. De grote ziener Suta vertelt aan een kring van wijzen hoe Parikshit zijn vragen over Krishna stelde aan de jonge heilige Shukadeva, die nu antwoord geeft. Shukadeva zei: Tekst 12 O heiligste der vorstenschaar, Uw geest kent louter evenwicht Doordat u zo op het verhaal Van Vâsudeva bent gericht. Volmaakt evenwicht gaat uit van het Hart van alle dingen, Vâsudeva, Krishna. Tekst 13 Het is een loutering voor drie - Voor spreker, vrager, luisteraar - Dit vragen over Vâsudev', Als 't water van Zijn voetenpaar. Als het louterend water van Krishna's voeten worden beschouwd: 1. De heilige Ganges, die eraan ontspringt; 2. Het water waarmee de lotusvoeten van Krishna's Murti (Altaarbeeld) gewassen zijn. Tekst 14 De aarde, krom onder de last Van menig duivels legioen, Geleid door menig quasi-vorst, Kwam Brahmâ vragen: "Wat te doen?" Tekst 15 Met deerniswekkend droef geloei Verscheen z' als koe, vervuld van smart, In tranen voor de schepper-heer En luchtte haar benauwde hart. Tekst 16 Toen Brahmâ haar verdriet begreep Begaf hij zich met haar en elk Der hemelingen, Shiva ook, Naar d' oever van de Zee van Melk. In de Zee van Melk woont Vishnu, de Opperheer. Tekst 17 Daar bad hij het Purusha-sukt', Zijn geest volmaakt in evenwicht, Tot Vishnu, Heer van het heelal, God Zelf, die alle goden richt. Tekst 18 Toen hoorde Heer Brahmâ in trance de stem van God En zei tot de goden die bij hem waren: "Hoor! O eeuwigen, luister naar wat de Heer beveelt. Gehoorzaam terstond. Geen seconde ga teloor. Tekst 19 "Vanzelf kende Vishnu het leed der aarde reeds. Daal af nu als zoons van de Yadu's - ga al vast, En blijf in de wereld tot ook de Heer verschijnt En d' aard' als de Tijd zal verlossen van haar last. Tekst 20 "In 't huis van Vasudeva komt Hijzelf, de welvervulde Heer. Voor Zijn genoegen dalen ook De godenvrouwen allen neer. Tekst 21 "Zijn eerste Godsdeel, Heer Anant', Met duizend hoofden vrij en fier, Zal vňňr Hem naar de wereld gaan Ter wille van Hari's plezier. Vishnu kent evenveel Expansies of Godsdelen als er golven zijn in de oceaan. Zijn eerste Expansie is Ananta Shesha, de duizendkoppige goddelijke Slang, op wie Hij in de Zee van Melk genietend neerligt. Ananta verschijnt in Krishna's Spel als Zijn "oudere Broer" Balarâma. Tekst 22 "Vishnu's begoochelende macht Die 't gans' heelal bekoort en boeit, Komt op Zijn wil afzonderlijk Om Hem te helpen onvermoeid." Shukadeva vervolgde: Tekst 23 Na dit gebod aan 't godenvolk En troost aan Moeder Aarde toog De meester der prajâpati's Weer naar zijn woning ver omhoog. De prajâpati's zijn de aartsverwekkers der levenssoorten in het heelal. Tekst 24 De vorst der Yadu's, Shurasen', Regeerd' in lang vervlogen tijd Het land naar zijn persoon genoemd Alsook Mâthura, wijd en zijd. Tekst 25 De hoofdstad van het Yadu-rijk Was sinds die dagen Mathurâ, Waar d' Onvolprezen' eeuwig woont, Zoals voorheen, zo ook hierna. In het Indiase stadje Mathurâ, ten zuiden van Delhi, woont Krishna nog steeds, ook al toont Hij Zich niet aan het oog van de gewone wereldling. Wie door liefde tot Krishna tot geestelijk schouwen komt ziet Hem in dit stadje in de volle glorie die Hij in de geestelijke wereld tentoonspreidt. Tekst 26 Daar nu geviel het op een dag Dat Vasudev' als bruidegom Om na 't festijn naar huis te gaan Met Dev'ki op zijn wagen klom. Tekst 27 Daarop nam Kamsa, 's konings zoon, Uit broederliefde voor de bruid De teugel over, aan het hoofd Van vele wagens van puur goud. Tekst 28 Vorst Devaka schonk uit zijn hart Zijn dochter bij hun afscheid daar Een olifantenstoet bekranst Met goud, vierhonderd bij elkaar… Tekst 29 Karossen, achttienhonderd stuks, Tienduizend paarden, fraai getoomd - Haar bruidsschat - alsook, rijk getooid, Tweehonderd maagden jong en schoon. Tekst 30 Tot slot weerklonk er de muziek Van kinkhoorn, pauk, trompet en trom, Toen alles eindelijk vertrok, Tot heil van bruid en bruidegom. Tekst 31 Tijdens de rit sprak plotseling Een stem tot Kamsa uit het zwerk: "Hoord! D' achtste zoon van deze vrouw Beneemt jou 't leven, dwaze schurk!" Het was wegens de schurkachtigheid van Kamsa en zijn trawanten dat de aarde om de verlossende komst van de Opperheer had gevraagd. Tekst 32 In één ruk trok d' afgunsteling, De vloek van 't Bhoja-huis, zijn zwaard, Van moordlust plotseling bezield, En greep zijn zuster bij het haar. Tekst 33 Tot hem die menig kwaad bedreef, Een en al wreedheid, onbeschaamd, Sprak Vasudeva zoetgevooisd, Zoals 't een grote ziel betaamt: Vasudeva zei: Tekst 34 Helden verheerlijken je roem, O eer van Bhoja's fier geslacht: Waarom je zůster dan gedood? Een vrouw? En op haar bruiloftsdag? Tekst 35 O held, de dood van iedereen Wordt meegeboren met zijn lijf: D' één sterft vandaag, d' ander na 'n eeuw, Doch dŕt men sterft staat buiten kijf. Tekst 36 Wanneer het lichaam weer vervalt Tot stof, in vijven, krijgt de ziel Vanzelf op grond van haar gedrag Voor 't oude lijf een nieuw in ruil. In vijven: aarde, water, vuur, lucht, ether. Tekst 37 Zijn ene voet verplaatst men pas, Zodra d' andere stevig staat: Zo gaat de rups van blad tot blad; Zo volgt de ziel haar eigen daad. Tekst 38 Zoals men een voorstelling zien kan in een droom, Een beeld van hetgeen het bewustzijn binnenviel Van al wat men hoord' en van alles wat men zag, En 't lichaam vergeet daarbij - zo verhuist de ziel. Tekst 39 Zoals onze geest naar gelang het Lot hem leidt Door wikken en wegen verandert van natuur Verwerft zich de ziel uit de vijf van Mâyâ 'n lijf Dienovereenkomstig in haar geboorteuur. De vijf van Mâyâ zijn de grofstoffelijke elementen van de begoochelende materiële natuur: aarde, water enz.. Tekst 40 't Gesternt' in het water bewogen door de wind Verandert voor 't oog steeds begoochelend van vorm: Zo raakt nu de ziel, aan haar nieuwe lijf gehecht, Door wat z' erin ziet door verbijstering bestormd. Tekst 41 Daarom moet ieder die dit hoort En 't beste voor zichzelf verlangt Ophouden and'ren leed te doen, Of men krijgt gauw voor ŕnd'ren angst. Leed doen in dit leven betekent volgens de karma-wet leed ondergaan in een volgend leven; de anderen die men leed berokkent in dit leven worden de oorzaak van angst in een volgend. Tekst 42 Dit meisje hier, jonger dan jij, Is hulpeloos - bijna je kind … Het past jou, die barmhartig bent, Dat je 'r niet doodt maar juist bemint. Shukadeva zei: Tekst 43 O koning, deze wreedaard nu, Ja râkshasa zelfs, liet niet af, Hoe Vasudev' ook tot hem sprak, Hetzij kalmerend, hetzij straf. Tekst 44 Kamsa zo vastbesloten ziend Bedacht de jeugdig' echtgenoot Wat hij nog meer zou kunnen doen Tegen de dreiging van de dood. Vasudeva overwoog: Tekst 45 Een wakker en verstandig mens Ontwijkt de dood zolang hij kan, Maar kan hij 'r echt niet meer omheen Dan krijgt hij daar geen t'rugslag van. Tekst 46 'k Beloof hem, deze dood, mijn zoons En red mijn arme vrouw daarmee … Misschien krijgt ze die zoons niet eens Of gaat hij eerder dood dan zij. Tekst 47 Misschien komt de voorspelling uit … Onpeilbaar is het lotsbestel: Wat dreigt, dreigt even later niet En dan opeens dreigt het weer wel. Tekst 48 Zoals d' ene woudreus bij 'n bosbrand snel vergaat En d' and're blijft staan, terwijl niemand d' oorzaak ziet: Zo is het bij 'n schepsel ook moeilijk na te gaan Waarom het wel dět lichaam krijgt en dŕt weer niet. Tekst 49 Nadat hij voor zover dat ging Had overdacht wat hij kon doen Bracht Vasudeva Kamsa eer En sprak de schurk wellevend toe. Tekst 50 Hen aanziend als een lotus zoet, Maar innerlijk verscheurd van smart, Zei Vasudeva met een lach Tot Kamsa, schaamteloos en hard: Vasudeva zei: Tekst 51 Van haar dreigt geen gevaar, mijn vriend, Die stem van boven zei maar wat. Ik breng je later al haar zoons, Voor wie je vrees hebt opgevat. Shukadeva zei: Tekst 52 Wetend dat hij zijn woord steeds hield, Liet Kamsa Devaki toen vrij, Verder gesust door Vasudev', Die zijn paleis in ging, zielsblij. Tekst 53 Devaki nu, de moeder van Het godenrijk, schonk na elkaar Acht flinke zoons het levenslicht En ook één dochter, jaar na jaar. Devaki was in een vorig bestaan Aditi, de moeder der goden. Tekst 54 De eerste jongen, Kirtimân, Gaf Vasudev' met grote pijn Aan Kams', omdat hij voor geen goud Een woordbreker zou willen zijn. Tekst 55 Wat wenst een wijze voor zichzelf? Wat is een heilige te veel? Wat gaat een onmens echt te ver? Wat eist een ziener als zijn deel? Tekst 56 Toen Kamsa zag dat Vasudev' Zijn woord getrouw bleef, onverstoord, O koning, was hij hoogst voldaan En stelde met een glimlach voor: Kamsa zei: Tekst 57 Neem deze jongen maar weer t'rug. Mijn vrees voor hem is niet terecht: Mij is mijn dood immers voorspeld Van d'achste zoon uit jullie echt? Shukadeva zei: Tekst 58 Met een "zo zij't" nam Vasudev' Zijn kind en keerde t'rug naar huis, Niet overmatig blij want Kams' Was onbetrouwbaar, onbesuisd. Tekst 59 Nanda, de koeherders van Vraj' En heel hun vrouwenschaar erbij, De Vrishni's onder Vasudev', Dev'ki, de Yadu-vrouwenrij… Tekst 60 Het was een en al hemeling, O vorst, en dat gold evenzeer Voor elke bloedverwant en vriend Die Kams' van dienst was als zijn heer. Het lijkt verwonderlijk dat hemelingen de schurk Kamsa dienen, maar zij doen dat in opdracht van de Heer in het kader van Zijn Spel. Tekst 61 De welvervulde Nârada Kwam Kamsa nu onthullen hoe De dood der zijnen was beraamd: De aarde was hen grondig moe. Tekst 62 Toen Nârada vertrokken was Zag Kams' in elke Yadu 'n god En elke zoon van Devaki Als Vishnu, op zijn dood verzot. Tekst 63 Hij zette Dev'ki en haar man Gevangen en doodd' ieder kind Zodra 't geboren was, uit vrees Voor Hem die geen geboorte kent. Tekst 64 Begeerte drijft in 't leven vaak Een vorst door jaloezie verblind Tot moord op moeder, vader, broers En d' ene vriend na d' and're vriend. Tekst 65 Kams' was, op aarde weergekeerd, De demon Kâlanemi ooit, Ook tóen door Vishnu al gedood … Nu was het Yadu-huis zijn prooi. Tekst 66 Zijn eigen vader, Ugrasen', De vorst der Bhoja's, Andhaka's En Yadu's, zette hij zelfs vast: Zo was hij iedereen de baas. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 2 - Waarin de Heer Devaki's moederschoot binnengaat en door de goden verheerlijkt wordt. Shukadeva zei: Tekst 1 Met Mushtik', Arisht', Dvivida, Pralamba, Baka en Chânur', Dhenuka, Keshi, Putanâ, Trinâvarta en Aghâsur'… Tekst 2 Met hen en menig duivels vorst Als Bâna, Bhauma en zo meer, Gesteund door Jarâsandh', ging Kams' Tegen het Yadu-huis tekeer. Al deze râkshasa's, zwarte magiërs en andere demonen zullen de een na de ander hun opwachting maken in Krishna's Spel. Tekst 3 De Yadu's zochten toevlucht bij De Kuru's, Kekay's, Panchâla's, Vidarbha's, Shalva's, Nishada's, Videha's en de Kosala's. Tekst 4 Een enk'le naaste bloedverwant Bleef Kamsa trouw in daad en woord… Nadat hij uit zijn zusters schoot Het zesde zoontje had vermoord… Tekst 5 Kwam als een lichtstraal van de Heer Een zevend' onder Dev'ki's hart, Alom verheerlijkt als Anant' - Haar vreugd wedijverde met smart. Ananta is Vishnu's "eerste Godsdeel" genoemd in 1.21. Tekst 6 Toen d' alvervulde Opperziel Het Yadu-huis, welks Heer Hij was, Zo bang voor Kamsa zag, gaf Hij Zijn Yogamâyâ deze last: Yogamâyâ is Vishnu's "begoochelende macht" genoemd in 1.22. Tekst 7 Vertrek naar Vraja, Nanda's dorp, Koeien en herdersvolk tot heil: Daar is 't, godin, dat Rohini, Een vrouw van Vasudev', verwijlt. Ook and're vrouwen van hem, bang Voor Kamsa, houden zich nu schuil. Tekst 8 In Dev'ki's schoot verblijft als vrucht Mijn Godsdeel, Sheshanâg' genaamd: Verplaats Hem naar Rohini's schoot, Nadat je 'M eerst uit Dev'ki neemt. Sheshanâga is het reeds genoemde Godsdeel Ananta. Tekst 9 Daarna word Ik in volle pracht, O zegenrijke, Dev'ki's Kind, Terwijl jijzelf bij Nanda's vrouw, Yashodâ, als háár kind verschijnt. Tekst 10 Met wierook, voedsel en geschenk Word je vereerd door ieder mens Omdat men j' als vervulster ziet Van elk verlangen, elke wens. Tekst 11 Zo kent men je dan her en der, Waar men ter wereld ga of sta, Als Bhadrakâli, Vaishnavi, Als Durgâ en als Vijayâ… Tekst 12 Als Kumudâ en Chandikâ, Krishnâ, Kanyakâ, Mâdhavi, Als Mâyâ en als Ambikâ, Ishâni en Nârâyani. De Moedergodin heeft in het katholieke christendom Maria als tegenhangster. Tekst 13 Men zal Hem noemen Sankarshan'- Van schoot naar schoot overgebracht - En Râm', omdat Hij vreugde schenkt, En Balabhadra om Zijn kracht. Shukadeva zei: Tekst 14 Na Vishnu's allerhoogst bevel Zei de godin: "Zoals Ge 't zegt!" Ze schreed een paar maal om Hem heen, Daald' af naar d' aard en deed haar plicht. Tekst 15 Toen Yogamâyâ Dev'ki's vrucht Bij Rohini had ingebracht Weerklonk alom in Mathurâ De jammerklacht: "Een miskraam, ach!" Tekst 16 De welvervulde Wereldziel, Wiens dienaars zijn verlost van vrees, Ging in Zijn volle heerlijkheid Binnen in Vasudeva's geest. Tekst 17 Vervuld van Krishna's heilig licht Was Vasudeva als de zon, Ook even machtig en geducht: Niemand die tot hem naad'ren kon. Tekst 18 Toen bracht Vasudeva in Devaki's geest Het Heil van de wereld, d'Onfeilbare, God, En Devaki droeg d' Opperziel in zich om Als 't Oosten de maan met haar zalige gloed. Krishna komt niet langs geslachtelijke weg in de moederschoot. Dat betekent dat Zijn lichaam van andere aard is dan een mensenlichaam: wel vorm, zoals blijken zal, maar onstoffelijk. Tekst 19 D' instandhoudster nu van d' Instandhouder Zelf, In Kamsa's gevangenis, straalde niet uít, Als vuur dat van alles steeds afgeschermd is Of hogere kennis die niet wordt gespuid. De verwijzing naar Devaki als Krishna's instandhoudster is een blijk van eerbiedige speelsheid. Tekst 20 Toen Kams' haar zo zag, van d' Onkwetsbare doorgloeid, Zo lachend en stralend, één licht in het paleis, Bedacht hij benauwd: "Die Hari die mij straks doodt Zit nu in haar buik, want zo was ze niet eertijds. Tekst 21 "Wat moet ik bedenken? De dagen snellen voort! Hij zal Zich gedragen als Held, zoals beloofd… Mijn zůster, een zwŕngere vróuw - als ik haar dood, Kost mij dat mijn eer, mijn bezit en ook mijn hoofd. Tekst 22 "Als iemand zeer wreed is in 't mensenbestaan, Vervloekt iedereen hem zolang hij nog leeft; En komt hij te sterven, dan wacht hem de hel: Het lot van een mens aan zijn lichaam verkleefd." Tekst 23 Aldus, hoe machtig Ka,s' ook was, Verwierp hij zijn gemeen besluit En zag, Hari steeds kwaad gezind, Vergramd naar de geboorte uit. Tekst 24 Of hij nu at, zat, lag of stond Of rondliep in zijn ongeduld, Steeds denkend maar aan Hrishikesh' Zag hij 't heelal van Hem vervuld. Tekst 25 Heer Brahmâ, Shiva, wijz' en god En Nârad' in één groot gedrang Verschenen toen en loofden Hem Die ieder schenkt wat hij verlangt. De goden zeiden: Tekst 26 Waarachtige, Waarheid Zelf, drievoudig waar, O Oorzaak van waarheid, in waarheid gegaan, O Waarheid van waarheid, O Waarheid in woord, O Waarheid in wezen, bescherm ons bestaan. Drievoudig waar: als Hoogste Godspersoon, als Opperziel in al wat leeft en als het alles doorstralende Brahman. Tekst 27 Eén stam en twee vruchten, drie wortels heeft Hij, Vier sappen, vijf zinnen, zes fasen van zijn, Zeven basten, acht takken en negen maal 'n gat, Tien blaren, twee vogels - de Oerboom van 't zijn. Van deze vergelijking van de Heer met de Oerboom kan de gebezigde symboliek als volgt worden verklaard: twee vruchten: materieel geluk en verdriet; drie wortels: de drie leibanden van de stoffelijke natuur (onwetendheid, hartstocht en zelfbewuste goedheid); vier smaken: de vier doeleinden van het leven (ritualisme ter bevordering van een hogere wedergeboorte, economische ontwikkeling, zinsbevrediging en verlossing); vijf zinnen: gezicht, gehoor, reuk, smaak, tastzin; zes zijnsfasen: ontstaan, groei, volwassenheid, voortplanting, verval, vergaan; zeven basten: huid, bloed, spierweefsel, vet, bot, merg, sperma; acht takken: aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, verstand en vals ego; negen gaten: de lichaamsopeningen; tien blaren: de tien verschillende vormen van "lucht" in het lichaam (inademing, uitademing, oprisping, gassing enz.). De twee vogels zijn de individuele ziel en de Opperziel in ieders hart. Tekst 28 O Ene, o Oorsprong van 't ganse heelal, Behoud en Behoeder van alles zijt Gij, Uw Mâyâ verhult U voor 't oog van elkeen, Maar wijzen zijn van die kortzichtigheid vrij. Tekst 29 Hoewel Ge slechts Geest zijt vertoont G' U in Vorm Terwille van al wat beweegt en wat niet: In pure gedaanten vervuld van geluk, Tot heil van de vrome, de schurk tot verdriet. Tekst 30 O Lotusoog, Gij die slechts zuiverheid zijt, Voor d'enkeling die met Uw voeten tot boot De levenszee af wil, zoals g'openbaard, Is zij maar een plasj' in de prent van een poot. Tekst 31 O Stralende, zij nu die zelf deze zee, Zo gruwelijk kolkend, zijn overgegaan - Uw gunst was het - legden de boot hier weer t'rug Tot redding uit heel dit ellendig bestaan. Tekst 32 Maar zij, Lotusoog, die beweren: "'k Ben vrij, Onzuiver van hart en niet uit op Uw eer, Door zelftucht hoog boven de wereld geraakt, Uw voeten versmadend - die vallen weer neer. Hier verklaren de goden dat het streven naar zelfverlossing (mukti) geen bestendig succes kan hebben, in tegenstelling tot het streven naar het liefdevol dienen van de Heer (bhakti). Tekst 33 Zo vallen de Uwen, o Heer van het geluk, Uit innige liefde tot U nooit van het pad: Ze kennen geen angst, doordat Gij hen steeds behoedt, En lopen hun vijanden over 't hoofd, o God. Tekst 34 Geheel bovenaardse gedaanten neemt Gij aan, De wezens tot heil in 't heelal door U geschraagd. Ge leert hun de wegen van werk en zelfbedwang, Van yog' en samâdhi, dat ieder U behaagt. Genoemde wegen zijn zijwegen waarlangs men zich naar de hoofdweg van bhakti kan begeven. Tekst 35 Als Gij Uw verheven gedaante niet ontvouwt Gaat kennisgebrek noch vals onderscheid teniet. Ge toont U, van iedere eigenschap vervuld, Degeen uít en dňňr wie men eigenschappen ziet. Zonder aanschouwing of kennis van Krishna's bovenzinnelijke gedaante, die in alle opzichten onweerstaanbaar aantrekkelijk is, komt niemand tot bhakti, die kennisgebrek en vals onderscheid wegvaagt. Tekst 36 Getuige van alles, bespiegeling noch taal Noch afleiding laat ook maar 't flauwste glimpje zien Van Namen, gedaanten, geboort' en Spel van U: Ze tonen zich slechts aan wie U volkomen dient. Langs filosofisch theoretische weg (jnâna) leert niemand de Heer kennen zoals Hij is. Tekst 37 Wie hoort en vertelt en voortdurend is vervuld Van d' algoede Namen en vormen van de Heer En opgaat in dienst aan Zijn lotusvoetenpaar Keert nimmer naar deze benauwde wereld weer. Tekst 38 Gelukkig deez' aarde, straks van haar last bevrijd, Bestuurder, dankzij Uw verschijnen op haar grond! Gelukkig ook wij: in de hemel en benee Zien w' Uw zalig voetspoor straks overal in 't rond! Tekst 39 Voor deze geboorte, geboorteloze God, Ziet niemand een oorzaak dan Uw vermaak en Spel; Dus geenszins onwetendheid, Heer die redt van angst: De oorzaak die zielen in dit bestaan beknelt. Ook al heeft Krishna ouders, Hij wordt niet uit hen geboren als een mensenkind, maar verschijnt, zoals de Bhagavad-gitâ zegt, uit eigen kracht (âtma-mâyayâ). Tekst 40 Als Vis, als Schildpad, Paard en Zwaan, Everzwijn en Leeuwmens, Brahmaan en Halfgod en ook Krijger kwam Gij beneden: O Heer, red ons en de drie werelden als tevoren! Verlos toch 'd aard', o grootste Yadu! Luidt onze bede. In de genoemde goddelijke gedaanten en vele andere verscheen de Heer in vroeger tijden in de kosmos om de bewoners van de drie werelden (de helse, aardse en hemelse sferen) te redden. Tekst 41 Gelukkig jij, moeder, want jij draagt in je schoot Tot ons aller heil d' Alvervuld' in al Zijn macht. Voor Kamsa geen angst dus: de Heer brengt hem ter dood, De redder der Yadu's, die jij als Kind verwacht. Krishna's ter dood brengen van een demon betekent dat Hij hem verlost van zijn lichaam en kwade geest, zodat de ziel het hogerop kan zoeken. Shukadeva zei: Tekst 42 Na hun gebeden tot het Kind, De bovenzinnelijke Heer, Keerden de goden achter Shiv' En Brahmâ naar hun woning weer. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 3 - Waarin Heer Krishna op aarde komt. Shukadeva zei: Tekst 1 Toen kwam het hoogst gezegend uur: Elk' invloed werkte willig mee Bij 't rijzend teken Rohini - De sterren kenden pais en vree. Rohini is Aldebaran in Taurus of Stier, het teken van vrede en genieten in de natuur. Het zijn overigens niet de sterren die Krishna's levensloop bepalen: het is Krishna die de sterrenloop bepaalt. Tekst 2 De regenwolken dreven weg, De hemel flonkerde van licht, Weiland en delfgrond, dorp en stad Boden een feestelijk gezicht. Tekst 3 Rivieren stroomden helder klaar, Vol lotussen was ieder meer, In 't bloeiend woud bad elke bij En vogel zingend tot de Heer. Tekst 4 Een rein en strelend koeltje droeg De geur van bloesems in het rond Terwijl het heilig offervuur Zijn vlam kalm in de hoogte zond. Tekst 5 De angst van elk rechtvaardig mens Voor Kamsa's tirannie vlood heen En trommen bonkten in het zwerk Nu d' Ongeborene verscheen. Tekst 6 De hemelingen zongen luid Of zonken biddend diep in trance, Godinnen en de nimfenschaar Begonnen aan een vreugdedans. Tekst 7 De wijzen en het godenvolk Strooiden bloemblaadjes naar benee En zachtjes dreunde 't in de lucht Als 't grommen van de golvenzee. Tekst 8 Toen dan verscheen te middernacht - Diep duister maakte alles zwart - Uit Moeder Dev'ki, de godin, Heer Vishnu, wonend in elk hart, Zoals de maan in 't Oosten rijst Uit wolkenrand en nevelflard. Als Opperziel begeleidt Vishnu de individuele ziel in al haar incarnaties en verblijft met haar in het hart van elk nieuw lichaam dat ze te bewonen krijgt, geduldig wachtend tot ze zich iets van Zijn aanwezigheid zal aantrekken. Tekst 9 Een stralende Jongen met lotusogen zoet, Vierhandig, met kinkhoorn en scepter enzovoort, Srivats' op Zijn borst en kaustubha aan Zijn hals, Gehuld in het geel, als een regenwolk zo zwart … Tekst 10 Oorhangers en hoofdtooi met goudberyl bezet, Zijn haren in golven van diep doorgloeide pracht, Met blinkende gordel en armbanden gesierd - Zo vond Vasudeva zijn Zoon daar in die nacht. Vishnu draagt in Zijn vier handen de scepter der wereldheerschappij, het wiel der Wet, de kinkhoorn van de bovenzinnelijke klank (OM) en de lotus der liefdevolle toewijding. De srivatsa is een gouden lokje op Zijn borst, waarop Lakshmi, de Geluksgodin, als enige Haar hoofd mag neervlijen. De kaustubha is een bovenzinnelijke edelsteen. Tekst 11 Zijn ogen verwijd van verbazing toen hij zag Dat Vishnu zijn Kind was, door blijdschap overmand, Schonk hij in gedachten tot viering van dit feit Zó tienduizend koeien aan de brahmanenstand. Een prins als Vasudeva wordt geacht bij een zo heuglijk feit als de geboorte van een zoon de priesters onder geschenken te bedelven. De koe is een brahmanen-geschenk bij uitstek vanwege haar melk, waarmee een brahmaan zich bij voorkeur voedt. Doordat hij wegens zijn gevangenschap van de nodige middelen verstoken is, kan Vasudeva zijn enorme geschenk slechts in gedachten geven. Wanneer hij later door Krishna uit de gevangenis zal worden verlost, schenkt hij de koeien alsnog (45.28). Tekst 12 Ten volle beseffend, van alle angst verlost, Dat d' Opperheer lag daar, die met Zijn eigen gloed 't Geboortevertrek in een zee van licht herschiep, Viel hij Hem met handen gevouwen blij ten voet. Vasudeva zei: Tekst 13 Voor mijn ogen aanschouw ik U, Die ver staat boven de natuur, O Heer die ieders hart doorgrondt, O Vreugde Zelf, volkomen puur. Tekst 14 De wereld met haar drieërlei aard, Die schepping van Uw eigen macht - Gij zijt geenszins daarin gegaan Maar toch wordt Gij daarin gedacht. Wanneer Vishnu in de wereld verschijnt lijkt Hij deel van haar uit te maken, maar Hij is altijd aan haar ontstegen. Tekst 15 De elementen van de stof, Verdeeld in krachten zonder tal, Te kennen aan hun eigen aard, Geven gestalt' aan 't gans' heelal. De elementen behoren tot de materiële sector van Vishnu's energieën. Tekst 16 Met hun verdelingen vereend, Is 't of z' erin zijn opgegaan, Maar dat is schijn omdat ze van 't Begin af aan apart bestaan. Hoe ze zich ook met elkaar vermengen, de elementen blijven altijd de elementen. Tekst 17 Zi wordt nu ook Gij, hoewel zichtbaar in de stof, Op generlei wijze door 't stoff'lijke bepaald: Het onderscheid binnen-en-buiten geldt niet U, Die alles zijt, alles omvat en 't Al doorstraalt. Tekst 18 Wie al wat hij waarneemt als werkelijk aanvaardt En los van het Zelf ziet, valt buiten elk verband, Want wie nog voor waar aanneemt wat is onderzocht En loos is bevonden, beledigt zijn verstand. Tekst 19 De wijzen verklaren dat wording en bestaan En neergang uit U zijn, die geen verand'ring kent, Noch invloed, noch aandrift; dat al wat hier geschiedt Verzoend is in U, Heer, die 't Hoogste Brahman bent. Tekst 20 Uit eigen vermogen verschijnt Ge blank van huid Om hel, aard' en hemel tot onderhoud te zijn; Van scheppende hartstocht doorvaren toon G' U rood; En zwart van verdwazing slaat G' alles kort en klein. Vishnu, Brahmâ en Shiva, blank, goudrood en blauwzwart, heersen over de drie leibanden der stoffelijke natuur, die verbonden zijn met instandhouding, schepping en vernietiging. Tekst 21 Teneinde de wereld te redden van gevaar, O Heer der heelallen, verscheen Gij in mijn huis; Gij zult hen verdelgen, die legers her en der, Door talloze schertsvorsten aangevoerd - gespuis! Tekst 22 Toen Kamsa, die schurk, van Uw komst hoord' als mijn Kind, Ach, maakte hij blindelings al Uw broers van kant: Vertellen zijn mannen hem nu dat Gij er zijt, Dan stormt hij hierheen met een wapen in de hand … Shukadeva zei: Tekst 23 Toen Moeder Dev'ki bij haar Kind In alles d' Allerhoogste zag Vervluchtigde haar angst voor Kams' … Ze bad tot Hem, een en al lach: Devaki zei: Tekst 24 Verborgen Oer-oorzaak, Alzijdige Gloed, Steeds één, Absolute, die nooit iets verricht: Degeen die de Veda aldus steeds beschrijft Zijt Gij, Vishnu Zelf, Bron van 't Geestelijk Licht. De Heer staat boven de wet van oorzaak en gevolg: daarom verricht Hij niets, maar speelt slechts. Tekst 25 Wanneer na aeonen 't heelal wordt verwoest, 't Grofstoffelijk' in het subtiel' overgaat, De dwingende Tijd het geziene uitwist, Zijt Gij daar slechts, Shesha, die eeuwig bestaat. De heelallen komen en gaan en komen en gaan. Bij hun verdwijnen gaat hun materie op in de gedaante van Vishnu, die subtieler dan het subtielste is. Tekst 26 Uw Spel, noemen wijzen de machtige Tijd, Van oogwenk tot eeuw in 't heelal in de weer: Voor U, die de stoff'lijke wereld bestiert, O milde Voorzienigheid, leg ik mij neer. Tekst 27 Een sterveling, bang voor de slang van de dood, Vlucht overal heen, maar zijn angst wijkt niet t'rug; Nu heeft hij Uw voetenpaar hier - groot geluk! - En slaapt hij in vrede … De dóód neemt de vlucht! Tekst 28 O Heer, die Uw dienaars verlost van hun vrees, Bescherm ons voor Ugrasen's gruw'lijke zoon. Onzichtbaar zij voor het grofstoffelijk oog, O God, Uw gedaante, aan zieners getoond. Tekst 29 O Madhusudan', zorg toch dat Die schurk niets van Uw komst verneemt: Mijn angst voor Kamsa is zo groot Dat ze me d' adem haast beneemt. Devaki's angst voor Kamsa in tegenwoordigheid van de Heer wijst niet zozeer op een zwak geloof, maar op een panisch besef van de alles overschaduwende omvang van Kamsa's monsterachtigheid: het is voor haar haast onvoorstelbaar dat zelfs de Heer er iets tegen kan doen. Hoewel Vishnu's verschijning aanvankelijk haar angst wegvaagde (vers 23), laat de oplevende gedachte aan Kamsa haar even Vishnu's oppermacht uit het oog verliezen. Tekst 30 Trek Uw gedaante zo onaards Meteen toch t'rug, o Opperziel, Met die vier handen met die knots, Die schelp, die lotus en dat wiel. Tekst 31 Dat Gij, die in d' eindtijd het ganse heelal Als niets in U opneemt, o Hoogste Godspersoon, Nu hier uit mijn schoot zo op aarde verschijnt, Alsof Ge een mens zijt - dat kŕn toch niet gewoon … De Alvervulde zei: Tekst 32 In Svâyambhuva Manu's tijd Noemd' u zich Prishni, kuise vrouw, En Vasudev' was Sutapâ, 'n Prajâpati voorbeeldig trouw. Tijdens één dag van Brahmâ, die 4.320.000.000 aardse jaren duurt, verschijnen er veertien Manu's, waarvan de eerste steeds Svâyambhuva heet. We leven nu onder de zevende Manu, Vaivasvata, die al vóór Krishna's komst verschenen was. Prishni en Sutapâ moeten volgens Vedische berekening al zo'n anderhalf tot twee miljard jaar vóór Krishna hebben geleefd. De Manu's zijn de aartsverwekkers en wetgevers der mensheid. (Het Nederlandse woord mens houdt verband met het Sanskrit woord manu.) Tekst 33 Toen Brahmâ u de opdracht gaf Te zorgen voor veel nageslacht Hebt u tezamen zelfbedwang Door zinsbeteugeling betracht. Langdurige zinsbeteugeling verleent bovenmenselijke vermogens en trekt de aandacht van hogere wezens. Tekst 34 Regen verdroeg u, zonnebrand En sneeuw en geselende wind. Door ademtucht trok uit uw hart Het vuil dat men in harten vindt. Tekst 35 U voedd' u slechts met ijle lucht En karig, neergedwarreld blad. Zo was 't dat met sereen gemoed U Mij toen om een zegen bad. Tekst 36 Terwijl u beiden uiterst streng Uzelf bedwong, gericht op Mij, Ging er geteld in godentijd Twaalf maal éénduizend jaar voorbij. Een godenjaar duurt duizenden mensenjaren. Tekst 37 Toek Ik de zelftucht, het geloof En ook de liefde zag waarmee U Mij uw volle aandacht schonk Was Ik, o reine, hoogst tevree. Tekst 38 Als Hoogste Zegenaar van al Kwam Ik zoals Ik nu verschijn En vroeg u naar uw hartewens: Die was dat Ik uw Zoon mocht zijn. Tekst 39 Wel man en vrouw, maar kinderloos En niet op zingenot bedacht Verlangd' u geen verlossing toch: Zo werkt Mijn goddelijke macht. Ook hier wordt de liefdevolle omgang met de Heer (bhakti) boven het streven naar verlossing (mukti) geplaatst. Tekst 40 Ik schňnk die zegen van een Zoon, Aan Mij gelijk, en ging vandaar. Teneind' uw wens vervuld te zien Genoot u daarna van elkaar. Tekst 41 Daar Ik ter wereld niemand zag Als juist u twee zo mild en goed Kwam Ik op aard' als Prishnigarbh' En werd door u toen opgevoed. Tekst 42 En nog een keer uit u tezaam, Aditi toen en Kashyapa, Verscheen Ik weer, en wel als Dwerg, Vandaar bekend als Vâmana. Tekst 43 En nu is het, o Moederlief, De derde keer dat u Me ziet Geboren als uw eigen Zoon - Zo is het ja, en anders niet. Tekst 44 Vierarmig toon Ik Mij aan u Opdat U Mij als God herkent, Want zag u Mij als mensenkind, Hoe wist u dan dat Ik het ben? De vierarmige Vishnu- of Nârâyana-gedaante is voor de klassieke Vedische gelovige de oergedaante van de Opperheer. In de na het Vedisch brahmanisme geopenbaarde Krish(n)a-bhakti wordt Vishnu als een der talloze Godsdelen van Krishna gezien in plaats van andersom. Tekst 45 Mij steeds beschouwend als uw Zoon En als het Brahman tegelijk Bereikt u, door uw liefde vrij, Mijn bovenwerelds koninkrijk. Shukadeva zei: Tekst 46 Na deze woorden zeeg Hari, De Welvervuld', en voor het oog Van beide ouders was 't niet God Maar 'n Mensenkind dat daar bewoog. Tekst 47 Toen Vasudev', daartoe gedrongen door de Heer, Zijn Zoon wilde pakken om met Hem weg te gaan Kwam even onaards uit Yashodâ, Nanda's vrouw, Als kind Yogamâyâ op deze wereld aan. Tekst 48 De wachters, door haar in een toverslaap gebracht, De burgers ook, sloten hun ogen allemaal; De oersterke poortdeur, daarachter nog een hek, Vergrendeld met balken en kettingen van staal… Tekst 49 Week dadelijk t'rug als het duister voor de zon Toen Vasudev' snel met zijn Zoon de nacht in ging. Uit grommende wolken kwam regen stromend neer, Die Shesh', hen beschuttend, op al Zijn koppen ving. De bovenzinnelijke Slang Ananta Shesha, Vishnu's eerste Godsdeel, bood Krishna en Zijn mensenvader speels bescherming tegen het noodweer, dat uiteraard door Krishna Zelf was opgewekt. Tekst 50 Terwijl onophoudelijk 't hemelwater viel En storm de Yamunâ met bulderend gebonk Deed golven en schuimen, bood plots de stroom een pad, Zoals eens de zee aan Heer Râm' de ruimte schonk. De Yamunâ golfde en schuimde in de hoop Krishna's lotusvoeten te kunnen aanraken. Toen de Avatâra Râma Zijn Gemalin Sitâ van Lankâ wilde weghalen, waarheen Ze ontvoerd was, stond de oceaan die Lankâ van India scheidt Hem toe een brug van drijvende stenen naar het eiland te bouwen. Tekst 51 Toen Vasudev' eind'lijk bij Nanda's huis aankwam Trof hij alle koejerders slapend op hun rug. Hij legde 'r het Kindje stil bij Yashodâ neer En ijlde van daar met haar dochtertje terug. Tekst 52 Hij stopte 't meisj' in Dev'ki's bed, Legde zichzelf de boeien aan En zat daar weer zoals voorheen Alsof hij niet was weggegaan. Tekst 53 Moeder Yashodâ, Nanda's vrouw, Wist dat ze 'n kind gekregen had, Maar uitgeput in slaap geraakt Besefte ze niet hoe of wat. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 4 - Waarin Yogamâyâ aan Kamsa's greep ontglipt en de vorst der Bhoja's de strijd met Heer Vishnu aanbindt. Shukadeva zei: Tekst 1 De buiten- en de binnenpoort Waren vergrendeld zoals eerst… Toen 't huilen van een kind opklonk Kwamen de wachters opgeveerd. Tekst 2 Dadelijk bij de Bhoja-vorst Berichtten ze 'm dat in die nacht 't Kind was gebaard door Devaki Waarop hij angstig had gewacht. Tekst 3 Meteen schoot hij uit bed en riep: "Daar slaat mijn doodsuur!" Als verdoofd Tolde hij naar het kraamvertrek, Het haar in pieken om zijn hoofd. Tekst 4 "Ach beste broer," zei Devaki, Vol smart, maar altijd nog godin, "Dit meisj' is voor je zoon bestemd Als vrouw - haar doden heeft geen zin. Tekst 5 "Veel kleintjes stralend als het vuur Heb jij, o broer, door 't Lot ontzind Al uit het leven weggerukt … Laat me dit meisj' als enig kind! Tekst 6 "Ben ik je jongste zuster niet, Beroofd van al haar kind'ren, heer? Zul je dan mij, arm en berooid, Dit laatste kind niet laten meer?" Tekst 7 Hoe deerniswekkend Devaki Ook smeekte - 't meisje aan haar borst - De wreedaard gaf haar slechts een grauw En rukte 't uit haar armen los. Tekst 8 Door zelfzucht van gevoel beroofd Greep Kamsa 't wichtje zwak en teer Met één vuist bij de voetjes vast En smeet het naar de tegels meer. Tekst 9 Maat 't kind ontglipt' en vloog omhoog: Als Vishnu's zuster zag men haar Achtarmig in het hemelruim - In elke hand droeg ze gevaar. Tekst 10 Als een godin gekleed, getooid, Gezalfd met sandel en omkranst, Hield z' in haar handen pijl en boog, Knots, kinkhoorn, wiel, zwaard, schild en lans. Tekst 11 Aanbeden door de apsarâ's, Gandharva's, siddha's, chârana's, De kinnara's en uraga's, Met offeranden, sprak z' aldus: De genoemde wezens zijn nimfen, volmaakte yogi's, gevleugelde zangers, hemelse slangen enz. Mâyâ zei: Tekst 12 Wat heeft mijn dood voor jou voor zin? Geboren is Hij die jou doodt! Jij dwaas, je oude Vijand leeft! Breng nu geen kleintjes meer in nood. Kamsa vocht in een vorig leven al tegen Vishnu 1.68. Shukadeva zei: Tekst 13 Hierna bleef Mâyâ welvervuld Op aard' als de godin van al, Geëerd in menig heiligdom, Geloofd met namen zonder tal. Zie voor een aantal van deze namen 2.11-12. Tekst 14 Toen Kamsa Mâyâ had gehoord Stond hij verbijsterd. Snel bevrijdd' Hij Vasudev' en Devaki En zei, een en al need'righeid: Kamsa zei: Tekst 15 Ach zusterlief en zwager, ach! 't Is waar, ik heb, door kwaad verdwaasd 't Ene na 't and're kind gedood - Een râkshasa lijk ik wel haast … Tekst 16 Meedogenloos, van vriend en bloed Vervreemd, vraag ik: Voorwaar, Welk lot wacht mij, levend al dood, Als een brahmanenmoordenaar? Tekst 17 Maat 't is niet slechts de mens die liegt, De hemel liegt soms even boos! 'k Geloofde wat die stem me zei - Daardoor doodd' ik mijn zusters kroost. De stem: 1.34 Tekst 18 Toe beste mensen, niet getreurd, Hun eigen lot treft jullie zoons. Het is van Hogerhand gewild Als men niet meer tezamen woont. Tekst 19 Van klei gebakken huisgerei Zien we verschijnen en vergaan: Zo niet de ziel, die altijd blijft, Zoals de klei zčlf blijft bestaan. Tekst 20 Iemand die dit niet onderscheidt Beschouwt alleen zijn lijf als waar: Aan d' ene vast, van d' and're los, Blijft hij maar rondgaan in samsâr'. Tekst 21 Al heb ik dan je zoons gedood, O zegenrijke, treur maar niet, Want ieder krijgt zijn eigen deel Zoals de hemel het gebiedt. Tekst 22 Zolang elk die zichzelf niet kent Denkt van "ik dood", "ik word gedood", Zo lang geldt voor zo'n blinde dat Hij lijden doet of lijden moet. Shukadeva zei: Tekst 23 "O Vasudeva, Devaki, Redders van zondaars - u all' eer! Vergeef mijn wandaden," zei Kams' En viel in tranen voor hen neer. Tekst 24 Er zeker van dat Mâyâ hem De volle waarheid had onthuld Maakte hij snel hun boeien los, Van broederliefde weer vervuld. Tekst 25 Doordat hij huilde van berouw Was Dev'ki's boosheid al gezwicht En Vasudev' bedaarde ook. Ze zei, een lach op haar gezicht: Devaki zei: Tekst 26 Zo gaat het, o verheven heer, In het lichamelijk bestaan. Uit blindheid maakt men onderscheid: "Mijn!", "Zijn!" beweert men in zijn waan. Tekst 27 Vol hebzucht en begoocheling, Ellend' en vreugde, vrees en nijd Doodt men elkaar doordat men God Niet kent door al dat onderscheid. Shukadeva zei: Tekst 28 Na Devaki's vergiffenis Zo zuiver en zo mild van zin Vroeg Kams' verlof te mogen gaan En liep hij blij 't paleis weer in. Tekst 29 Aan 't einde van die bange nacht Riep hij zijn raadslieden bijeen En zei wat Yogamâyâ hem Onthuld had toen z' aan hem verscheen. Tekst 30 Nadat ze 'm hadden aangehoord Zei 't duivelspak, vol haat en nijd, De vijanden van 't godenvolk, Niet uitblinkend in schranderheid: De demonen zeiden: Tekst 31 O Bhoja-vorst, als dat zo is Dan is er geen dorp of veld Een kind van net tien dagen oud Of al zijn dagen zijn geteld! Tekst 32 De goden zijn tot niets in staat, Doodsbang als het weer vechten wordt: Ze weten zich geen raad wanneer Er van uw boog een pijl aansnort! Tekst 33 Geteisterd door uw pijlenhoos, Die moordend rondstoof her en der, Dachten z' alleen: "Hoe red ik mij!" En vluchtten van het veld van eer. In een vorige demonische incarnatie dreef Kamsa de goden door zijn krijgsgeweld op de vlucht. Tekst 34 Handen gevouwen stond de helft, Wapens verloren, heel gedwee; D' andere, met het haar omlaag, De kleren los, riep ach en wee. Het losmaken van het op het hoofd samengebonden haar en van de kleding is een teken van overgave. Tekst 35 U spaart elkeen die niet meer weet Wat wapens zijn en zielsbenauwd, Zijn kar kapot, zijn boog in twee, Alleen maar denkt aan lijfsbehoud. Tekst 36 De goden? Dreigt er geen gevaar, Dŕn snoeven ze, dan zijn ze trots! Hari? Die schuilt in ieders hart! Shiv'? Die verstopt zich in het bos! Indra? Die slappeling! Brahmâ? Die mediteert er maar op los! Dit duivelse gesnoef poogt te verbloemen hoe machtig de genoemde zijn. Hari is Vishnu Zelf als Opperziel in ieders hart, ook in dat van de demonen. Shiva brengt era na era mediterend door op de beboste berg Kailâsa, totdat hij te bestemder tijd het hele universum verwoest met inbegrip van de brallende demonen. Indra doodde met zijn bliksem de grootste aller giganten, Vritra, maar heeft een zwak voor godinnen, dat hem hier kennelijk aangewreven wordt. Brahmâ zit inderdaad veelal in meditatie, maar is en blijft de schepper van zowel de goden als de demonen. Tekst 37 Doch daar ze u vijandig zijn Mag u hen niet laten begaan: Ze moeten uitgeroeid. Zeg "Ja!" En wij gaan er al achteraan! Tekst 38 Zoals een verwaarloosde ziekt' in iemands lijf Zodra z' eenmaal uitbreekt door niets meer wordt beperkt (Zoals ook de zinnen, wanneer te laat beheerst) Zo temt men geen vijand wiens kracht stil is versterkt. Tekst 39 't Is Vishnu die de goden schraagt En in wie d' eeuw'ge Wet verwijlt, Die draait om Veda, koe, brahmaan, Zelftucht en offers rijk en mild. De Veda is door Vishnu aan Brahmâ geopenbaard. Brahmanen zijn priesters die de mensheid aan de hand van de Vedische kennis en rituelen steeds verder helpen in het leven, tot ze Vishnu ontmoeten en daardoor aan dood en wedergeboorte ontstijgen. Men ontmoet Vishnu door Zijn genade, die men aanhaalt door het leiden van een offervaardig bestaan. De offergaven die Vishnu het liefst zijn worden bereid in geklaarde boter (ghi), het meest hoogwaardige kookmedium, dat men maakt van de melk van het goedaardigste dier, Moeder Koe (zie vers 40). Tekst 40 O koning, laat ons doden dan Alle brahmanen en hun soort, Elk' offeraar, asceet en koe, Wier melk geklaarde boter wordt. Tekst 41 Brahmanen, Veda's en de koe, Zelftucht, beheersing, eerlijkheid, Offers, goedheid, geduld, geloof Zijn Vishnu's lichaam wijd en zijd. Tekst 42 Hij, d' Opperheer in ieders hart, Is duivelsvijand nummer één. Ja, alle goden zijn uit Hem, Ook Shiv' en Brahmâ - iedereen. Door hen te doden allemaal - Ja, zó verslaat men Hem alleen. Shukadeva zei: Tekst 43 Kams' overwoog de slechte raad Van zijn trawanten en besloot, In Yama's tijdsbestel verstrikt: "Brahmanen, jullie wacht de dood!" Tekst 44 En de demonen, die van vorm Verand'ren konden, tuk op kwaad, Beval hij: "Doe de sâdhu's leed!" En ging 't paleis in na die daad. Het vermogen tot verandering van de lichamelijke vorm is in iedereen aanwezig. Het is een van de acht siddhi's of volmaaktheden, die men zich door langdurige zelftucht kan verwerven. Voorbeelden van andere siddhi's zijn: over water lopen, blinden ziende maken, water in wijn veranderen. Siddhi's zijn niet noodzakelijkerwijs goddelijke verworvenheden, want blijkens dit vers kunnen ook demonen zich hen eigen maken. Tekst 45 Zij nu, hartstochtelijk van aard En in hun domheid dwaas en zot, Vervolgden 't sâdhu-volk terwijl De dood hčn op de hielen zat. Sâdhu's, zuivere dienaren van God, zijn onsterfelijk, omdat ze niet wedergeboren hoeven te worden en dus niet opnieuw hoeven te sterven. Demonen die sâdhu's willen doden staan in feite zichzelf naar het leven: hun zucht tot doden toont aan dat ze geloven in de dood - en als gevolg van deze instelling zijn ze gedoemd te sterven. Tekst 46 O koning, die de groten deert Verwoest al 't goede dat hij heeft: Gezondheid, schoonheid, roem, geloof, De zegen dat hij hemels leeft. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 5 - Waarin Krishna's geboortefeest wordt gevierd en Vasudeva Nanda waarschuwt. Tekst 1 Na de geboorte van zijn Zoon Nodigde Nanda, rein en wel En fraai gekleed, de priesters uit, Door vadervreugde overstelpt. Tekst 2 Met menig klinkend smeekgebed Volgden ze 't oude ritueel Van de geboorte: zowel god Als voorvader ontving zijn deel. Tekst 3 De priesters schonk hij koeien toen, Tweehonderdduizend, rijk getooid, En zeven bergen sesamzaad Met goud en edelsteen bestrooid. Het wegschenken van zo veel koeien door één mens is bijna even onwaarschijnlijk als het bezitten van zo veel vee. Nanda's onvoorstelbare rijkdom is te danken aan de omstandigheid dat in de persoonlijke aanwezigheid van God alles mogelijk is. Tekst 4 Het stoff'lijke wordt rein door tijd, Door bad en wassing, rite en tucht, Door offergaven en door vreugd' - De ziel echter door zelfinzicht. Door tijd: bijvoorbeeld de aarde; door bad: het lichaam; door wassing: vaatwerk, kleding; door tucht: de zinnen; door offergaven: het wereldsgezinde hart; door vreugde: de geest. De ziel wňrdt niet rein maar ěs rein, hetgeen echter moet worden beseft door zelfinzicht, dat men verkrijgt door meditatie op Brahman - de lagere weg - of door overgave aan de Hoogste Godspersoon - de hoogste weg. Tekst 5 Vertellers spraken zegenrijk Van goden, vorsten, wat al niet, Terwijl bij zang en tegenzang De trom zich duchtig horen liet. Tekst 6 Heel Vraja was brandschoon en rein: Poort, erf en binnenhuis versierd Met bloemenslingers, mangoblad En wimpels, werd er feest gevierd. Tekst 7 Koe, stier en kalf werden bewerkt Met olie, geelwortel en krijt, Getooid met bloem en pauweveer, Een goudsnoer om hun hals gevlijd. Tekst 8 Een tulband glanzend op het hoofd, In kostelijke feestkledij, Liepen de koeherders te hoop, Hun armen vol met allerlei. Tekst 9 De herdersvrouwen, blij omdat Yashodâ 'n Zoontje had gebaard, Dosten zich allerheerlijkst uit Met sieraden en ogenzwart. Tekst 10 Hun lotusschoon gezicht verlucht Met kunkumpoeder en saffraan, Hun borsten deinend van de haast, Droegen ook zij geschenken aan. Tekst 11 Terwijl ze draafden met hun oorbellen en hun sari's, Naar Nanda's huis, viel uit hun haren een bloesemregen: Hoe heerlijk mooi waren de gopi's zoals men dansend Hun ronde borsten en hun sieraden zag bewegen. Tekst 12 "Bescherm Hem lang!" baden ze God, Besprenkelden het kleine Kind En zongen liederen tot eer Van Hem die geen geboorte kent. De vrouwen bidden God om bescherming van Krishna, niet wetend dat Vishnu, tot wie ze zich richten, identiek aan Hem is. Deze onwetendheid van de liefderijke gopi's ademt een komische gelukzaligheid. Tekst 13 Op 't grote feest in Nanda's huis Klonk trommelslag en hoorngeschal Ter ere van d' Oneindige, Krishna, de Heer van het heelal. Tekst 14 Water en wrongel vlogen rond: De herders smeten blij van zin Elkaar met yoghurt naar het hoofd, Smeerden elkaar met boter in. Tekst 15 In zijn grootmoedigheid gaf Nand' Aan zangers, dansers, iedereen Die 't van zijn kunsten hebben moest Sieraden, kleren, koeien mee. Tekst 16 Zo eerde hij hen allemaal Met velerlei gepast genot Terwille van zijn eigen Zoon, Tot vreugde van Heer Vishnu, God. Evenals de vrouwen weet Nanda niet dat zijn Zoon en de Heer identiek zijn. Tekst 17 De zegenrijke Rohini, Door Nanda en zijn vrouw geëerd, Ging vlijtig rond, goddelijk schoon, Met krans en halsjuweel gesierd. Tekst 18 Sindsdien was Nanda's Vraja vol Van weelde, rijkdom en gewin: Het was doordat Hari er woond' Het speeloord der geluksgodin. De geluksgodin, Sri of Lakshmi, is de Gemalin van Vishnu. Tekst 19 Na 'n wacht te hebben aangesteld Trok Nanda naar Mathurâ toen, O beste van het Kuru-huis, Om Kamsa 't jaargeld te voldoen. Tekst 20 Horend dat Nand', zijn goede vriend, Was aangekomen in de stad En zijn belasting had betaald Ging Vasudev' naar hem op pad. Tekst 21 Toen Nanda 'm eensklaps voor zich zag Was zijn verheugenis zo groot Dat hij zijn boezemvriend van liefd' Onstuimig in zijn armen sloot. Tekst 22 Volop verwelkomd en geëerd En ondervraagd hoe 't met hem ging Vroeg Vasudeva naar zijn Zoons, Want hij dacht aan geen ander ding. Niet alleen Krishna is Vasudeva's Zoon; ook Krishna's eerste Godsexpansie Balarâma, geboren uit Rohini, die uit veiligheidsoverwegingen bij Nanda woont, is zijn Zoon. Vasudeva zei: Tekst 23 Wat een geluk, broeder, dat jij, Steeds kinderloos, nu j' ouder bent, Terwijl je haast geen hoop meer had Toch met een Jongen bent verwend. Tekst 24 Wat treffen we 't hier in samsâr' - Alsof w' opnieuw geboren zijn - Zo oog in oog! Het lukt niet vaak Zijn dierbaren weer eens te zien! Tekst 25 Vrienden wier werk verschillend is Blijven daardoor niet steeds bijeen: Zo stuwt de stroom van de rivier Ook 't hechtste drijfhout ver uiteen. Tekst 26 Dat grote bos waar je nu zit Temidden van je vriendenschaar - Is 't veilig en gezond voor 't vee? Heb je goed groen en water daar? Tekst 27 Hoe gaat het, broeder, met mijn Zoon, Door jullie allebei bemind, Daar met Zijn moeder in jouw huis, Denkend dat jij Zijn vader bent? Nanda weet niet dat Krishna Vasudeva's Zoon is. Door naar het welzijn van de Jongen te vragen van wie Nanda wčl weet dat Hij Vasudeva's Zoon is, namelijk Balarâma, vraagt Vasudeva indirect ook naar het welzijn van Krishna. Tekst 28 't Drievoudig doel dient nagestreefd Als men het vrolijk samen doet, Maar leeft men eenzaam in verdriet Dan doet die inspanning geen goed. Het drievoudig doel bestaat uit ritualisme (dharma) terwille van de gunst der goden, welstand (artha) dankzij deze gunst en zingenot (kâma) dankzij deze welstand. Nanda zei: Tekst 29 Ach, Kamsa doodde zo veel zoons Die Devaki je had gebaard… En d' ene dochter, 't jongste kind, Ging dadelijk al hemelwaarts. Tekst 30 Ja, d' Ongeziene leidt elkeen: Hij woont in 't diepste van elk hart, Maar tegelijk is geen zo hoog … Wie dat beseft raakt niet verward. Vasudeva zei: Tekst 31 Je hebt de vorst zijn geld betaald, Hier blijven dient geen enkel doel, J' hebt mij gezien, ga gauw naar huis, Want ik speur onraad in Gokul'. Shukadeva zei: Tekst 32 Op Vasudeva's goede raad Bestegen Nanda's herders vlug Met zijn verlof hun ossenkar En reden naar Gokula t'rug. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 6 - Waarin Putanâ kleine Krishna aan haar vergiftigde borst laat drinken en door Hem verlost wordt. Shukadeva zei: Tekst 1 Op weg naar huis dacht Vader Nand': "Zei Vasudev' dat zomaar? Nee!" En voor het dreigend onheil bang Zocht hij zijn toevlucht bij Hari. Tekst 2 In Kamsa's opdracht zwierf door stad En dorp en plattelandsgehucht De gruwelijke Putanâ: Kinderen doden was haar lust. Tekst 3 Waar men geen acht slaat op het woord Van Hem die Zijn getrouwen helpt En dat voor kwaad en leed behoedt - Daar hebben boosdoeners vrij spel. Zoals blijken zal, heeft geen enkele boosdoener vrij spel in het godvruchtige herdersdorp. Tekst 4 Eens neergedaald in Nanda's dorp Nam Putanâ, die gaan en staan Kon waar ze wou, ook in de lucht, Een beeldschone gedaante aan. Er worden op het pad naar zuivere bhakti achttien struikelblokken onderscheiden. Putanâ vertegenwoordigt het eerste: dat van de valse leraar, die zijn leerling geen nectar maar vergift toedient. Tekst 5 Met vlechten doorvlochten met bloeiende jasmijn, Met borsten en heupen te vol haast voor haar leest, Met flonkerend' oorbellen zag men haar daar staan, Het mooie gezichtje door gitzwart haar omlijst. Tekst 6 Zoals z' ieder toelachte met haar zachte blik, Waarmee z' alle aandacht der dorpelingen trok, Zoals ze daar straalde, een lotus in de hand, Dacht men: Daar komt Lakshmi, naar Haar Gemaal op zoek. Tekst 7 Op 't doden van kleintjes belust, vond ze vanzelf Bij Nanda in huis 't Kind dat ieder kwaad beslecht, Verhuld in Zijn heerlijkheid, die geen einde kent, Als stil smeulend vuur waar een flintertj' as op ligt. Tekst 8 Beseffend dat zij 't was, de kindermoord'nares, Hield d'Opperziel d' oogjes dicht als een kind dat slaapt. Het monster nam d' Eind'loze tot háár eind' op schoot, Zoals men uit domheid een slang als touw opraapt. Tekst 9 Venijnig van zin maar hoogst moederlijk van daad En zoals een zwaard door een sierschede verhuld, Een stralende schoonheid daar in hun eigen huis - Zo zagen de moeders haar, van ontzag vervuld. Tekst 10 De gruwel stak 't Kind, dat z' op schoot genomen had, Haar moordende borst in het mondj', in gif gebaad … De Heer echter kneep er met beide handjes in En zoog zowel 't gif als haar leven weg - woest kwaad. De Heer is zonder woede, maar toont soms woede uit mededogen jegens degeen die haar nodig heeft. Tekst 11 Ze jammerde: "Los, laat me los, genoeg, genoeg!" Tot Krishna, die 't leven uit al haar leden zoog. En rondslaand met armen en benen kreet ze 't uit, Met puilende blik, terwijl 't zweet te voorschijn vloog. Tekst 12 Haar jankend geloei joeg in vlagen over d' aard' En schokte de bergen, de sterren in het zwerk En echode rond in de hel en overal - En geen die niet viel als door 'n bliksemschicht bewerkt. Tekst 13 Haar borsten gefolterd gaf Putanâ de geest: Met armen en benen en 't haar wijd uitgespreid, Wijdopen haar mond, weer veranderd in een heks, Als Vritr' in het bliksemvuur, sloeg ze neer - languit. Tekst 14 Haar lijf verpletterd' in zijn val, Mijn waarde vorst, iedere boom Over een afstand van twaalf mijl - Hoe groots was dat! Hoe ongewoon! Tekst 15 Elk neusgat leek een diepe grot, Van koper leek haar woeste haar, Ploegijzers leken tand en kies, Reuzenkeien haar borstenpaar. Tekst 16 Elk' oogkas was een diepe put, Een zandbank elke reuzenzij, Haar buik een drooggevallen poel, Een dam elk' arm en voet en dij. Tekst 17 D' aanblik van 't lijk beangstigde De herders en hun vrouwen daar, Wier hart en hoofd en oren al Geschokt waren door 't woest misbaar. Tekst 18 Het Kind zat op de reuzenborst Te spelen of 't er niets toe deed: De herderinnen schoten toe En haalden 'T bevend naar benee. Tekst 19 Met Rohini en Yashodâ Weerden de vrouwen elk gevaar Van 't Kereltje door 'T onder meer Te waai'ren met een koeiestaart. Tekst 20 Het werd met koeiepis gebaad, Met koeiehoevenstof besmeerd En op twaalf plekken aangeraakt Met mest in naam van d' Opperheer. De koe is aan Vishnu en in het bijzonder aan Krishna gewijd. De twaalf met koemest aangeraakte plekken bevinden zich op hoofd, armen en bovenlichaam. Bij elke aanraking wordt een mantra uitgesproken die een van Krishna's namen eert, bijvoorbeeld "OM Vâsudevâya namah" (eer aan de Heer, Vasudeva's Zoon) of "OM Vishnave namah" (eer aan Heer Vishnu). Tekst 21 De gopi's deden âchaman', En bija-nyâs' op elke hand En op het lijf, eerst bij zichzelf En daarna bij de kleine Vent. Âchamana is een rituele reiniging waarbij men onder het uitspreken van mantra's druppels Gangeswater opslurpt en het lichaam ermee besprenkelt. Bija-nyâsa komt overeen met de handeling beschreven in de voorgaande toelichting. De gopi's zeiden: Tekst 22 Bescherm' Aja Je beentjes klein, Manimân Je knietjes, Je dijtjes Yajn', Achyut' Je heupjes, Je buikj' Hay'griva, Je hartje Keshav', Ish' Je borstje, Je halsje Ina, J' armpjes Vishnu, Je mondj' Urůkram', Je bolletj' Ishvar'. De in vers 22-26 genoemde Beschermers zijn Godsdelen en Avatâra's van Vishnu/Krishna. e betekenis van Hun Namen wordt gegeven in de Verklaring van namen en termen. Tekst 23 Dat Chakri vňňr en Heer Hari met Zijn strijdknots achter, Opzij Ajana, zwaargewapend, die Madhu doodde, Uit alle hoeken Urugây' en Upendra boven, Garud' op aard' en Haladhar' Je rondom behoeden. Tekst 24 Dat Hrishikesh' Je zinnen hoed' En Nârâyan' Je levensgeest, De Heer van Shvetadvip' Je hartj' En Yogeshvar' Je denken 't meest. Tekst 25 Bescherme Mâdhava Je slaap, De Hoogste, Bhagavân, Je ziel, En Prishnigarbha Je verstand En Govinda Je kinderspel. De naam Bhagavân, Alvervulde, geeft het hoogste aspect van Krishna aan. Het eerste boek van het Bhâgavata Purâna zegt (3.28): eta châmsha-kalâh pumsah / krishnas tu bhagavân svayam. "Al deze Godsdelen zijn uit Krishna, die de Alvervulde Zelf is." Vandaar dat Bhagavân de zíel beschermt. Als Bhagavân hééft de kleine Krishna overigens geen ziel: Hij ěs niets anders dan Ziel, sac-chid-ânanda-vigraha, de onvergankelijke Gedaante van albewuste Gelukzaligheid. Tekst 26 Bescherme Sri's Heer J' als Je loopt, Vaikuntha J' als Je ergens zit En als Je pret maakt Yajnabhuk, Voor wie elk kwaad gesternte vliedt. Tekst 27 De yâtudhani's, dâkini's, Kinderkwelsters en kushmânda's, Bhuta's, preta's, vinâyaka's, Pichâcha's, yaksha's, râkshasa's … Tekst 28 Kotarâ, Revati, Jyeshthâ, Putanâ, Mâtrikâ bijeen, De dol en dom makende schaar, De kwelgeesten van lijf en zin … Tekst 29 De onheilstichters met hun keet, De schrik van jong en oud tezaam - Ach mogen z'allemaal vergaan In doodsangst voor Heer Vishnu's Naam! De in vers 27-29 genoemde wezens zijn allerlei kwelgeesten, boze feeën, spoken, zwarte magiërs en heksen, die machteloos staan tegenover de Heilige Naam. Shukadeva zei: Tekst 30 Zo door de gopi's welbeschermd - Wat waren z' aan het Kind gehecht! - Kreeg Het Yashodâ's moederborst En werd te slapen neergelegd. Als Alvervulde had Krishna melk noch slaap nodig. Hij liet Zich vertroetelen om de vrouwen in staat te stellen het hoogste niveau van bhakti te verwerkelijken. Tekst 31 De koeherders met Vader Nand', Die zich naar Vraj' hadden gehaast, Stonden bij 't zien van Putanâ's Reusachtig lichaam stomverbaasd. De koeherders zeiden: Tekst 32 Die Vasudeva moet beslist Een rishi of een yogi zijn, Want wij zijn hier getuige van Het onheil dat hij heeft voorzien. Shukadeva zei: Tekst 33 De herders hakten 't lijk kapot En smeten 't stuk na stuk aan kant, Bedekten 't met een takkenbos En staken 't daarna ferm in brand. Bedenken we dat het lijk een lengte van twaalf mijl had (vers 14), dan is het menselijkerwijs onvoorstelbaar dat Nanda en zijn mannen het zo kwiek kapothakten en in brand staken als de tekst lijkt aan te geven. Normaal zou zo'n karwei maanden, o niet jaren in beslag hebben moeten nemen. Het is verstandig te geloven dat de wonderbaarlijke bemoeienis van God Zelf met Putanâ en het herdersdorp van de gigantische lijkopruiming licht werk heeft gemaakt. Tekst 34 Van 't laaiend lichaam dreef de geur Van aloë, één zoete vleug, Want Krishna had er al het kwaad Uit weggedronken in één teug. Tekst 35 De kinderdoodster Putanâ, Die duivelin verzot op bloed, Gaf 't Kind haar dodelijke borst Maar kreeg daardoor het hoogste goed. Tekst 36 Hoe zal 't dan hen die steeds vol liefd' Aan Krishna 't allerbest' afstaan Als moeders aan hun troetelkind - Hoe zal 't die vrouwen dan niet gaan? Tekst 37 Zijn voeten, Zijn getrouwen lief, Door de geprezenen geëerd, Beroerden 't lijf van Putanâ - Hij zette z' op haar borst, de Heer … De aanraking van Krishna's lotusvoeten redt van dood en wedergeboorte en schenkt het geluk van verloste liefdedienst. De geprezenen in dit vers zijn de goden. Tekst 38 Hoewel een demon, voer ze heen Naar 'n moeder-waardig' hoogste staat: Hoe zal 't dan Moeder Koe niet gaan, Die Krishna zo fijn drinken laat? Tekst 39 Van allen bij wie Dev'ki's Zoon - Hij die verlost van wat al niet - De melk indrink die elk van hen Uit liefde voor Hem vloeien liet … Tekst 40 Van al die moeders die Hem steeds Beminden als hun eigen Kind Keert er niet één t'rug in samsâr', Waarin men slechts verblinden vindt. Tekst 41 Hun neus vol van de zoete geur Van 't lijk, nasmeulend van de brand, Zeiden de herders: "Vreemd, heel vreemd …" Zo kwamen z' aan bij 't huis van Nand'. Tekst 42 Toen hun 't verhaal van komst en dood Van 't heksenmonster was verteld En van het ongedeerde Kind Stonden de mannen wéér versteld. Tekst 43 Zijn Zoontj' omhelzend als was 't Kind Op 't kantj' af aan de dood ontrukt Stak Nand' zijn neus diep in Zijn haar En zwolg in 't allergrootst geluk. Tekst 44 De sterveling die dankbaar hoort Hoe Krishna Putanâ als Kind Verloste door Zijn zalig Spel - Die raakt verslingerd aan Govind'. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 7 - Waarin Krishna als Zuigeling een kar omschopt en door een windhoos wordt meegesleurd. Parikshit zei: Tekst 1 't Relaas der daden van de Heer Als welke Avatâr' ook maar, O waarde meester, streelt mijn oor - Mijn geest hunkert er aldoor naar. Tekst 2 Vertel m' alstublieft het verhaal van Hari, Dat dofheid en felle begeerte verdrijft, Dat ieders hart loutert tot liefde voor Hem En vriendschap voor elk die voor Hem alleen leeft. Begerig luisteren naar het verhaal van Krishna bevrijdt de ziel uit haar verstrikking in dofheid (tamas) en felle begeerte (rajas), de sterkste leibanden van de materiële begoocheling, Mâyâ. Tekst 3 Vertel nog meer van Krishna's Spel Onder de mensen hier op aard': Hoe wonderbaarlijk was 't zoals Hij handelde naar mensenaard! Shukadeva zei: Tekst 4 Toen Krishna Zich voor het eerst' omdraaid' in Zijn bed - De maan trok toen juist door het teken Rohini - Kreeg Hij - mantra's schalden - Zijn rituele bad En iedere koeherderin die zong voor drie. Hoewel Heer Krishna alles bewegen laat, bleef Hij in Zijn Spel als Zuigeling drie maanden op Zijn rug liggen eer Hij Zich, donker aanlopend van inspanning, op Zijn buikje draaide. Tekst 5 Nadat Nanda's vrouw haar mooi Ventje had gebaad, De priesters om al hun gebeden had geëerd Met graan, kleren, bloemkransen, koeien ook erbij, Werd Krishnaatje slaap'rig en lei ze 'M even neer. Tekst 6 Doordat ze volijv'rig op Krishna's omdraaifeest De dorpsmensen volstopt' in haar vrijgevigheid Zag Moederlief niet dat haar Zoontje drinken wou - Ze merkte Zijn schopjes niet op, noch Zijn gekrijt. Tekst 7 Geraakt door de bloemtere voetjes van het Kind Kapseisde de kar waar Het onder was gelegd: De kommen erop, vol gerechten, vielen stuk - Gebroken de disselboom, as en wiel ontwricht. De kar vertegenwoordigt het tweede struikelblok op de weg naar bhakti. Volgeladen als ze was, dreigde ze boven op het Kind in elkaar te zakken. Ze symboliseert de mentaliteit van de spiritualist die zich volpropt met geestelijke kennis zonder er iets van te begrijpen. Tekst 8 Bij 't zien van dat hoogst wonderbaarlijke taaf'reel Vroeg iedereen - Moeder Yashodâ, Vader Nand' En all' herderinnen en herders op het feest: "Hoe kan toch die kar op zijn kop zo zijn beland?" Tekst 9 Aan 't feestgezelschap, stomverbaasd, Vertelden een paar jongens daar Dat Krishna huilend met één voetj' Het ding had omgekiept - echt waar! Tekst 10 Het herdersvolk geloofde niets Van deze kleine-kinderpraat: Het had gewoonweg geen idee Van Krishna's hoogst verheven staat. Tekst 11 Yashodâ, bang voor 'n boze geest, Nam 't Kind, dat huilde van de dorst, Liet priesters voorgaan in gebed En gaf haar Jongetje de borst. Tekst 12 De herders, sterk, lapten de kar Weer op zoals hij was geweest. De priesters plengden in het vuur En offerden ghi, yoghurt, rijst. Tekst 13 De zegen van een waar brahmaan, Nimmer afgunstig, trots of kwaad En vrij van hebzucht, eerbejag, Wellust en wrok, heeft altijd baat. Tekst 14 Zo denkende nam Nand' zijn Zoon, Gaf de brahmanen opdracht tot Een zuiv'rend Vedisch ritueel En waste 'M in een kruidenbad. Tekst 15 Hij vroeg de priesters, kalm van hart, Om zegenrijke mantrazang, Pleng' in het vuur en schonk hun toen Een kost'lijk feestmaal gang na gang. Tekst 16 En deelde hij toen uit, Opdat het Krishna goed mocht gaan, Met bloemenkrans en gouden snoer - En zij namen ze zeeg'nend aan. Tekst 17 De zegens van een waar brahmaan, In alle mantra's ingewijd, Met God verbonden, zijn vol heil En dragen vrucht nu en altijd. Tekst 18 Toen Krishna's moeder op een keer Haar Kind vertroeteld' op haar schoot Kon ze 'M opeens niet tillen meer - Hij leek zo zwaar als een blok lood. Krishna kan soms laten voelen dat Hij de kosmos in Zijn buikje draagt. Tekst 19 De herderin, bezwijkend haast, Liet Hem verbijsterd naast zich neer, Riep d' Opperheer om bijstand aan En ging toen maar weer in de weer. Tekst 20 Een demon, Trinâvart' genaamd, Door Kams' gezonden naar 't gehucht, Kwam als een windhoos aangestormd En sleurde 't Kereltj' in de lucht. De windhoos vertegenwoordigt het derde struikelblok op de weg naar bhakti, namelijk dat van verwoed tegenwerpingen maken tegen het geestelijk onderricht zonder het luisterend oor een kans te geven. Tekst 21 Hij smeet Gokula onder 't stof, Men kon geen hand voor ogen zien, Van alle kanten daverde 't En 't loeien ging door merg en been. Tekst 22 Bijna een uur bleef 't herdersdorp In stof en duisternis gehuld: Yashodâ vond haar Zoon niet meer Waar ze 'M daarstraks had neergetild. Tekst 23 In 't fijne zand fel rondgezwiept Door Trinâvart' met zijn misbaar Zag men geheel en al verward Zichzelf niet meer, laat staan elkaar. Tekst 24 Verblind door het stof door de windhoos opgewerveld Zocht z' overal rond waar het Kind lag kort tevoren - Toen stortte luid huilend de hulpeloze moeder Ter aard' als een koe die haar kalfje heeft verloren. Tekst 25 Toen d' andere gopi's Yashodâ hoorden kermen Begon uit hun ogen een tranenvloed te wellen En nadat het stof van de windhoos was gaan liggen, Maar Nanda's Zoon wegbleef, zat elke vrouw te huilen. Tekst 26 Trinâvarta, de wervelwind, Die al aan kracht had ingeboet, Vloog na de roof zo hoog hij kon, Maar Krishna werd zo zwaar als lood. Tekst 27 Een rotsblok leek het Ventje wel, Veel zwaarder dan de wervelwind, Die vastgegrepen bij zijn strot Gekeeld werd door het Wonderkind. Tekst 28 Gewurgd, bracht hij geen klank meer uit, De ogen floepten uit zijn kop: Zo viel de hoos op Vraja neer Met kleine Krishn' erbovenop. Tekst 29 Voor 't oog van de vrouwen daar huilend bijeen Belandde 't gevaarte languit op een rots En vloog zoals eens de betoverde stad, Door Shiv's pijl getroffen, in stukken kapot. Heer Shiva schoot eens een magische pijl af op een rondvliegende stad, van waaruit de demon Maya in een hemelschokkende strijd de goden bestookte. Tekst 30 Verbijsterd kreeg Moeder Yashodâ Krishna t'rug, Die 't vrouwvolk op 't lijk van de werveldemon vond, Hoewel door de râkshasa zeer hoog meegesleurd, Gered uit de klauwen des doods en kerngezond: Zo had Vader Nanda zijn Kereltje weerom - Het herdersvolk danste van blijdschap in het rond. De herders zeiden: Tekst 31 Een wonder dat Krishna, door 't monster meegeroofd, Weer veilig en wel in ons dorp is weergekeerd! D' afgunsteling is door zijn eigen kwaad gestraft. Wie kalm en oprecht is raakt nergens door gedeerd. Tekst 32 Hoe moeten we Vishnu wel niet hebben gediend En zelftucht beoefend, de mensheid steeds verheugd, Dat nu als gevolg daarvan Krishna, bijna dood, Ons allemaal hier weer laat zwijmelen van vreugd! Welbewuste karmische activiteit is geheel vreemd aan de zelfvergeten liefdedienst van bhakti. Dat de herders, die in wezen bhakta's van Krishna zijn, zich hier als karmi's gedragen, is het werk van Yogamâyâ, Krishna's bovenzinnelijke begoocheling. Tekst 33 Toen Nanda naging hoeveel vreemds Er wel niet voorviel in het bos Besefte hij verbaasd hoe waar Het woord van Vasudeva was. Tekst 34 Yashodâ gaf eens op een dag, Door liefd' en zoetheid overstelpt, Haar Kind bij zich op schoot de borst, Die lekt' en drupte van de melk. Tekst 35 Toen 'T zalig uitgedronken was En zij zacht langs Zijn lipjes streek, Waarop een lieflijk lachje lag, Gaapte Zijn mondje - en ze keek … Tekst 36 En zag het heelal, de gesternten, de zon, Het vuur en de maan en het ruimteverschiet, De zeeën, de bergen, de stromen, het woud, Al 't leven, zowel wat zich roert als wat niet. Tekst 37 't Heelal ineens in Krishna's mond … Haar hart beefd' als een trillend blad - En met haar reeëogen wijd Wist ze bij God niet hoe ze 't had. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 8 - Waarin Krishna en Balarâma Hun Naam krijgen en Moeder Yashodâ in Krishna’s mondje opnieuw de kosmos aanschouwt. Shukadeva zei: Tekst 1 De priester van het Yadu-huis, Garga, o vorst, in zelftucht groot, Vertrok naar Vraja, Nanda’s dorp, Door Vasudev’ daartoe genood. Tekst 2 Nanda sprong bij zijn aankomst op En bracht hem uitgelaten eer: D’ Onzienlijke zag hij in hem - Handen gevouwen viel hij neer. De geestelijk leraar leeft als zelfverwerkelijkte ziel weliswaar in de kennis en liefde van de Heer, maar is uiteraard als individu niet aan Hem gelijk. De ware leerling vereenzelvigt hem echter met de Heer, omdat niemand zo van Hem vervuld is. Hij eert de leraar als God Zelf en de leraar schenkt hem de levende ervaring van Gods genade. Tekst 3 Toen Garg’ eenmaal gezeten was Sprak Nanda ‘m allervriend’lijkst toe: "O heilige, van God vervuld, Wat wilt u dat ěk voor u doe? Tekst 4 "Het rondgaan van een grote ziel, O alvervulde heer, geschiedt Tot heil van ons, schamel van geest, In ’t huisgezin – en anders niet. Tekst 5 "De kennis van de sterrenloop Bracht u tezamen in één boek: Daarin is het dat iedereen Naar toekomst en verleden zoekt. Tekst 6 "Wie kent de Veda zoals u? Geeft ú de Jongens dus hun Naam. De geest’lijk leraar van elk mens Is van nature de brahmaan." In het Vedische leven is de geestelijk leraar altijd brahmaan: iemand die de Geest, Brahman, van de stof weet te onderscheiden. Men is niet brahmaan van geboorte, zoals in het kastenstelsel, dat een vertekening van het Vedische stelsel is, maar op grond van zijn werkelijk brahmaanse eigenschappen en activiteiten. Garga zei: Tekst 7 Leraar der Yadu’s ben ik slechts: Dat is aan iedereen bekend. Geef ěk dus nu jouw Zoon Zijn Naam Dan denkt men: "Dat is Dev’ki’s Kind!" Als Nanda, die geen Yadu was, Krishna door de ‘vaste’ Yadu-priester Zijn Naam zou laten geven, zou iedereen kunnen gaan denken dat Krishna niet de Zoon van Nanda en Yashodâ was maar van een Yadu-ouderpaar, zoals Devaki en Vasudeva. Tekst 8 Kamsa kan denken, kwaad van hart: "Die Nand’ is Vasudeva’s vriend… En kon dat wel een meisje zijn - Mijn zuster Dev’ki’s achtste Kind?" Tekst 9 Als hij zich heugt wat Dev’ki’s meisj’ Hem met haar boodschap heeft geleerd Zal hij uit moorden kunnen gaan… Doen wat jij wilt is glad verkeerd! Nanda zei: Tekst 10 Leidt u de plechtigheid dan maar Op zo’n manier, met zang en al, Dat niemand hier er wat van merkt, In het geheim in deze stal. Shukadeva zei: Tekst 11 Zo deed nu Garga wat hij zelf Had willen doen op Nand’s verzoek: Hij gaf de Jongetjes Hun Naam In ’t donker van een stille hoek. Garga zei: Tekst 12 Rohini’s Zoon zal heten Râm’ Vanwege Zijn karakterpracht, Die al de Zijnen vreugde schenkt, En Bala om Zijn reuzenkracht, En Sankarshan’, Hij die vereent, Omdat Hij jullie Yadu’s acht. Tekst 13 Yashodâ’s Zoon verscheen voorheen Al driemaal in een and’re tijd - Eerst wit, toen rood en daarna geel - En nu verschijnt Hij zwart van huid. De tijd verslindt tijdens de bestaansduur van één heelal talloze kosmische dagen en nachten van gelijke duur. Elke dag bestaat uit duizend cyclussen van vier yuga’s of era’s van elk honderdduizenden jaren. In elk yuga verschijnt een Avatâra van de Heer, een zogenaamde Yugâvatâra, telkens met andere huidskleur. Tekst 14 De Jongen had eerst Vasudev’ Tot vader, vóór Hij hier verbleef, En wie dat weet noemt Hem dan ook Vasudev’s Jongen – Vâsudev’. Tekst 15 Met meen’ge naam, in meen’ge vorm, Is `t dat men Hem op aarde ziet, Al naar gelang Zijn aard en doen: Ik ken ze – een gewoon mens niet. Tekst 16 Als vreugde van het hele dorp Bezorgt Hij jullie niets dan goeds. Met Hem doorstaan jullie vanzelf Iedere vorm van tegenspoed. Tekst 17 Vaak wanneer vroeger `t sâdhu-volk Door dief of rover werd belaagd Beschermde Hij ’t en gaf het kracht Waardoor het onheil werd verjaagd. Tekst 18 Gelukkig wie dit Kind bemint: Geen vijand die hem tegenstreeft, Zoals geen demon iets kan doen Tegen wie Vishnu’s bijstand heeft. Tekst 19 In glorie, roem en heerlijkheid, O Nand’, doet deze Zoon van jou Niet onder voor Nârâyana: Verzorg Hem daarom altijd trouw. Shukadeva zei: Tekst 20 Nadat hij `t zijne had gezegd Ging Garga t’rug weer naar de stad. Nanda, door vreugde overstelpt, Wist van geluk niet hoe hij ’t had. Tekst 21 `t Duurde niet lang of in Gokul’ Kropen Krishnaatj’ en Balarâm’ Op wank’le knietjes in het rond - Een massa pret maakten Ze saam. Tekst 22 Op beide knietjes tegelijk schoven Zij in Vraja Met zoet gerinkel van Hun belletjes door de modder: Verbaasd-verrukt van dat geluid volgden Zij de mensen - Dan, bang voor hen, kropen ze t’rug naar Hun lieve moeders. Tekst 23 De vrouwen voelden hoe hun melk al begon te stromen En sloten d’ armen om de kleurrijk vervuilde Ventjes; En onderzochten ze na `t drinken de blije mondjes Dan voelden zij, van vreugde zwijmelend, d’ eerste tandjes. Tekst 24 De herderinnen, die de Peuters graag zagen spelen, Zoals Ze ’n kalfj’ in ’t koeiendorp bij de staart vastpakten En Allebei van links naar rechts werden voortgetrokken Vergaten ’t huishouden en kwamen niet bij van ’t lachten. Tekst 25 Wanneer de moeders niet meer zagen hoe zij hun Jongens Beschermen konden tegen onheil uit alle hoeken - Horens en dorens! – en hun huishouden lieten lopen, Ach wisten z’ helemaal niet meer waar ze ’t moesten zoeken. Tekst 26 ’t Was kort daarop dat men, o vorst, Krishna en Balarâma saam Niet op Hun knietjes maar zeer kwiek Te voet door Gokula zag gaan. Tekst 27 Toen dan sloeg Krishna d’ Alvervuld’ Aan ’t dartelen met Vraja’s jeugd En Balarâm’ … Iedere vrouw Die ’t schouwspel zag was zielsverheugd. Tekst 28 De buurvrouwen, een en al oog Voor Krishn’, ontdeugend door en door, Klaagden Hem bij Zijn moeder aan, Die luisterde, een en al oor. De vrouwen zeiden: Tekst 29 "Zomaar maakt Hij onze kalveren los, [lachend om onze woede; Aldoor steelt Hij onze wrongel en melk [hóe, dat willen we weten! - Tracteert elk’ aap tot geen dier meer wat lust - [pats! Daar breekt Hij de pot stuk. Vindt Hij ’n keer niets, ja dan zint Hij op wraak: [’t wiegekind laat Hij krijten. Tekst 30 "Hangt ‘r iets erg hoog, wel dan keert dat Jongmens [’t stampblok ondersteboven, Klimt ‘rop, gauw n gat in de pot met een stok - [d’ inhoud kent Hij van buiten - ’t Donkerst vertrek wordt verlicht door Hemzelf, [stralend van de juwelen - Telkens op ’t uur dat w’ ons allemaal druk [druk aan ’t huishouden wijden. Tekst 31 "Is ’t huis brandschoon, wat een bende maakt Hij - [plas op de grond, en erger! Heeft Hij gediefd, moet je zien hoe Hij kijkt - [d’ onschuld straalt uit Zijn ogen! Zo jammerd’ elk, maar elks blik streelde steeds [Krishna’s prachtige kopje: Schuw keek Hij op naar Yashodâ, die lacht’ - [alles scheen Hij te mogen. Tekst 32 De herdersjochies kwamen eens Met Balarâma op een rij Naar Moederlief en klikten: "Kijk! Krishna Zijn mond zit vol met klei!" Tekst 33 Als altijd op Zijn welzijn uit Nam ze haar Zoontje bij de hand - Zijn ogen werden groot van schrik - En voelde ‘M stevig aan de tand. Yashodâ’s opvoedende houding is van een gelukzalige absurditeit: zij wil Hčm besturen van wie ze niet beseft dat Hij het heelal schept, schraagt en ontbindt. Toch is haar macht over de Opperheer reëel: Krishna kan niet tegen haar liefde voor Hem op en onderwerpt Zich daarom volkomen aan haar. Yashodâ zei: Tekst 34 Klei in Je mondje, Stouterik? Wat heb je stiekem uitgehaald? Wat hoor ik van je Grote Broer En van Je vriendjes allemaal? Sri Krishna zei: Tekst 35 Ik heb geen klei gegeten, Ma! Ze staan te jokken, één voor één! Maar als u denkt dat het zo is, Kijk dan maar in Mijn monmd meteen! Shukadeva zei: Tekst 36 "Doe open dan," zei Yashodâ - En Hij wiens macht geen einde kent, Govinda, d’ alvervulde Heer, Gehoorzaamd’ als een mensenkind. Tekst 37 Toen zag z’ in Krishna’s mondje ’t Al, Elk wezen, ieder ding, de maan, De sterren, ’t weerlicht en de wind, Berg, eiland, aard’ en oceaan … Tekst 38 Planetenstelsels, water, vuur, ’t Uitspansel en de lucht erin, Geest, guna’s, ieder zinsobject Alsook de god van elke zin. De zinnen, lichaamsdelen en organen worden geregeerd door de verschillende goden. Zo regeert Varuna de smaak, Surya (de zon) het gezicht en Soma (de maan) de emoties. Tekst 39 Dat alles ontwaarde ze met zijn natuur, Zijn uiterlijk, karma en duur van bestaan In 't wijdopen mondje van krishna, haar Zoon, Met Vraj' en zichzelf - ach, ze kon 't haast niet aan! Yashodâ dacht: Tekst 40 Is dit nu een droom of is Mâyâ aan 't werk Of ben ik ineens in de war en ontzind Of is dit iets goddelijks dat uit zichzelf Naar boven komt uit de natuur van mijn Kind? Tekst 41 Daarom val ik nu d' Alverhevene ten voet, Die geest en verstand, woord en daad te boven gaat, Die van het heelal om ons heen de grondslag is En dóór wie en ňm wie het zich beschouwen laat. Tekst 42 Mijn toevlucht is Hij door wiens Mâyâ ik steeds denk: Kijk, dit hier ben ěk en míjn Zoon staat daar en dat 's Míjn man, Vraja's meester, wiens rijkdom ěk bezit, En daar is míjn herdersvolk met míjn koeienschat. Tekst 43 Toen Nanda's vrouw de waarheid zag Bracht d' alvervulde Opperheer Haar onder Zijn betovering: Ze schoot vol moederliefde weer… Tekst 44 Onmiddellijk vergat ze wat Z' in Krishna's mondje had gezien: Haar hart stroomde weer over van Teed're gevoelens als voordien. Tekst 45 Degeen wiens roem verheerlijkt wordt In Veda's en Upanishads Door jnâni, yogi, bhakt': Hari - Voor haar was Hij haar kleine Schat. Parikshit zei: Tekst 46 O wijze, wat voor uiterst goeds Bedreven Nanda en zijn vrouw, Wier melk Hari zo dorstig dronk, Dat zulk geluk hun toeviel zo? Tekst 47 Zijn eigen ouders zagen niets Van Krishna's zalig Kinderspel, Dat wijzen prijzen tot vandaag En dat de mens redt van de hel. Shukadeva zei: Tekst 48 Drona, de hoogste Vasu-god, Deed met Dharâ, zijn gemalin, Aan Brahmâ 't volgende verzoek, Verlangend hem van dienst te zijn: Tekst 49 "Laat ons op aarde voor Hari, De Heer van alles wat bestaat, Vervuld van pure bhakti zijn, Die 't leed vanzelf achter zich laat." Tekst 50 "Zo zij 't," sprak Brahmâ - en daarop Zonk Drona, de doorluchte god, Naar Vraj' als Nanda, en Dharâ - Yashodâ - volgde 'm op de voet. Tekst 51 Zo kwam het dan dat d' Opperheer, Geboren als hun eigen Kind, Door herderin noch herder zó Als door dit tweetal werd bemind. Tekst 52 Krishna de Heer woond' in Gokul' Met Balarâm: zo werd vervuld De zegen die Heer Brahmâ schonk - En elk was met Hun Spel verguld. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 9 - Waarin Moeder Yashodâ de Opperheer aan een stampblok vastbindt. Shukadeva zei: Tekst 1 Eens, toen de dienaressen van Yashodâ, Nanda’s wederhelft, Wat anders deden, karnde zij, Hun meesteres, de yoghurt zelf. Tekst 2 Terwijl ze daarmee bezig was Kwamen er liedjes in haar op Die Vraja over Krishna zong - En zingend karnde ze volop. Tekst 3 ’n Fijn zijden kleed om haar heupen zo vol, [’n snoer eromheen gewonden, Borst naast borst schuddend en druipend van melk, [steeds meer aan ’t Kind zich hechtend, Trok d’ o zo schone het touw heen en weer - [al haar sieraden dansten - ’t Voorhoofd bedruppeld van ’t hevige werk - [bloesem viel uit haar vlechten. Tekst 4 Op moeders melk belust stond toen Hari plots aan haar zij en hield De karnstok met Zijn handjes stil - Ze raakte van geluk vervuld … Tekst 5 Ze nam Hem op schoot gauw en gaf Hem fijn de borst, Die drupte van liefde, en keek Hem lachend aan. Toen kookte de melk – zag ze – over op het vuur. Snel zette ze ‘M neer, naar Hij was nog niet voldaan. Tekst 6 Hoe kwaad beet Hij Zich op Zijn trillend rode lipj’ En plengd’ uit Zijn oogjes een waterlandervloed… Daar greep Hij de karnpot en sleepte ‘m mee in huis En brak hem en deed Zich aan ’t boterspul te goed. Tekst 7 Nadat ze de kokende melk had neergezet En omziend de yoghurtpot stukgeslagen vond Begreep d’ herderin dat haar Zoontje ’t had gedaan En speurde z’ in ’t rond met een glimlach om haar mond. Tekst 8 Hij stond op het stampblok, dat Hij had omgekeerd, En gaf van een schommelplank boter aan een aap. Hoe zwenkte Zijn schichtige blik van links naar rechts… Van achter besloop ze de schuldbewuste Knaap. De schommelplank werd naar oud gebruik naar de zoldering opgehesen om de inhoud van boter- of yoghurtpot buiten bereik van grijpgrage vingers te brengen. Tekst 9 Toen Hij daar Zijn moeder zag zwaaien met een stok Ontsnapte Hij haar met een sprong – Hij leek wel bang! - En zij ‘M achterna, die geen yogi met zijn geest, Hoe weids ook door zelftucht vergroot, ooit vatten kan. Tekst 10 Van leest lieflijk slank maar van heupen overvol, Kwam Moederlief moeizaam vooruit met haar gejaag, Terwijl uit haar haren een bloesemregen viel - Maar eindelijk had ze ‘M toch beet, de kleine Blaag. Tekst 11 Ze pakte de Deugniet, die huilde, bij een arm - Zijn oogzwart verspreidde zich over Zijn gezicht En wagenwijd sperden Zijn kijkers zich van vrees… Hoe dreigend hield Moeder de stok naar Hem gericht! Tekst 12 Maar toen ze ’t Kind zo angstig zag Wierp ze de stok uit liefde neer En dacht: "Ik bind Hem liever vast." Ze wist niet: Krishna is de Heer. Tekst 13 Hem die begin noch einde kent, Binnen noch buiten, die zowel In als buiten en vňňr en na De wereld is, de wereld zelf… Tekst 14 Hoewel geen mens Hem peilen kan, Hem aanziend voor een mensenkind, Wilde ze ‘M als van vlees en bloed Aan ’t stampblok binden, d’ herderin. Tekst 15 Het touw waarmee ze d’Onverlaat, Haar eigen Zoontje, vastbond was, Zag Nanda’s vrouw, twee duim te kort: Ze knoopte ‘r ’n ander touw aan vast. Tekst 16 Maar daarmee kwam ze weer niet uit, Dus nam ze nog een ander eind, Maar weer miste ze net twee duim - Wat z’ ook probeerde, ’t bleef te klein. Tekst 17 Yashodâ lachte terwijl z’ ŕl Het touw in huis tezamen bond - En alle gopi’s lachten mee - Maar tegelijk stond ze verstomd … Tekst 18 Toen Krishna haar zo zwoegen zag, Badend in ’t zweet, geen bloem in ’t haar, Schonk Hij haar eindelijk Zijn gunst En kreeg ze d’ eindjes aan elkaar. Tekst 19 Zo toont Hari hoe Hij Zich buigt Voor wie zich aan Hem wijden wil, Hoewel Hij eigen Meester is En Heer der heren van ’t heelal. Tekst 20 Heer Brahmâ noch Heer Shiva ook Noch Sri zelfs, immer aan Zijn zij, Ontving van Hem die elk verlost Zoveel genade ooit als zij. Sri is Vishnu’s Gemalin. Hoeveel tederheid Vishnu Sri ook schenkt, Krishna’s liefde voor Yashodâ gaat daarbovenuit. Tekst 21 Haar Zoontje, d’ alvervulde Heer, Laat Zich zo makkelijk niet zien Aan wijze, yogi of asceet Als aan wie Hem in liefde dient. Tekst 22 Terwijl Zijn moeder bezig was Keek Krishna naar de bomen – twee - Waarin Kuvera’s godenzoons Veranderd waren lang gelee. Tekst 23 Nalakuvar’ en Manigriv’, In ’t hemelrijk alom beroemd, Waren door Nârad’ om hun trots Tot een bestaan als boom verdoemd. &&&&&&&&&& Hoofdstuk 10 - Waarin Baby Krishna twee bomen omvertrekt. Parikshit zei: Tekst 1 O alvervulde, zeg me toch, Waarom vervloekte hij die twee? Als Nârada zo woedend was - Wat voor ontzettends deden zij? Shukadeva zei: Tekst 2 Als metgezellen van Heer Shiv ’Waren Kuvera’s zoons verwaand. Eens op de groene berg Kailâs’ Langs d’ oever van het water gaand … Tekst 3 Beschonken van de vâruni, Met rollend’ ogen, vuur’ge blos, Dwaalden ze met een vrouwenschaar, Die voor hen zong, door ’t bloemenbos. Tekst 4 In ’t water der Mandâkini - Het stond van lotusbloemen stijf - Dolden ze met de devi’s rond Als o